Ter overweging              


TER OVERWEGING 17 februari 2019 Vrangendael17 februari 2019 Vrangendael

Inleiding

Vandaag horen wij in de lezingen hoe er  gespeeld wordt met de manier waarop je in het leven kunt staan.
En u weet, het kan in het leven alle kanten met jou uitgaan.
En het vraagt veel van ons om de balans zo goed mogelijk te bewaren.
De profeet Jeremia vergelijkt het leven van de mens met een kale struik in de steppe die nooit water ziet.
Maar hij schildert de mens ook als een boom aan de waterkant, met wortels tot in het water.
En Jezus dan in het evangelie volgens Lucas?
Hij kiest ondubbelzinnig voor de armen.
Voor kleine mensen is Hij immers bereikbaar.
En wij kunnen ons afvragen, waar staan wij?
In de woestijn of aan de waterkant?
Of misschien wel ergens daartussen in?
Kunnen wij kiezen, of overkomt het ons?
Het zijn vragen die ons vandaag bezig zullen houden.

Overweging

Ooit kreeg ik les van een goede docent en zij vertelde ons over de identiteit van de mens.
Ja, zo zei ze, een mens is niet zomaar op een bepaalde manier te karakteriseren.
Wij hebben allerlei persoonskenmerken in onszelf aanwezig.
En zij gebruikte daarbij het begrip ‘facet’-identiteit. 
Er zijn allerlei verschillende lagen in ons aanwezig, die dikwijls ook nog tegenstrijdig zijn met elkaar.
En al die verschillende lagen, die vormen jou en mij als mens.
De ene keer overheerst de ene eigenschap, een dag later een andere.

Dat verhaal van die mevrouw heb ik altijd onthouden.
Ik vond het natuurlijk  herkenbaar in mijn eigen leven.

Bijvoorbeeld : Als ik op mijn fiets rondrij kan ik mij soms mateloos  ergeren aan het gedrag van automobilisten.
Ze denken dat ze de  koning op de weg zijn, terwijl je als fietser toch tamelijk weerloos bent. Maar  daarentegen: Als ik in de auto zit zie ik soms hoofdschuddend  hoe die fietsers zich gedragen.
Dat rijdt maar door rood, snijdt bochten af, pakken een stukje stoep mee enz.
En bij een ongeval, dan ben je als automobilist de klos.

In de Limburger las ik een interview met de Roermondse strafrechtadvocaat Peter Plasman,  
Hij verdedigt zware criminelen.
En hij  zei: In iedere crimineel gaan goede eigenschappen schuil , maar in elke brave burger huist ook een crimineel.
Helemaal extreem was de houding van kampbeulen in de Duitse concentratiekampen.
Zonder met hun ogen te knipperen stuurden ze duizenden mensen de gaskamers in.
En in de avond luisterden ze met hun vrouwen en families naar Beethoven en Mozart.
En van ontroering biggelden dan de tranen over hun wangen.

Die facet-identiteit, oftewel die twee of meerder levenshoudingen binnen dezelfde persoon zien wij terug in de lezingen van vandaag
De profeet Jeremia vergelijkt ons mensen met een kale struik in dorre woestijngrond.
Maar ook met een boom die aan een rivier staat en wortels heeft tot in het water.
Zijn blad blijft groen, altijd blijft hij vrucht dragen.
En Jezus van Nazareth ;
Hij neemt afstand van de rijken en neemt  het op voor de armen, voor de kleine en kwetsbare mensen.

Jezus is, zo denk ik tenminste, niet voor armoede als zodanig.
Ieder mens heeft recht op het licht der wereld en op het zout van de aarde.
En het is de mensen gegund als ze aan armoede en ellende kunnen ontsnappen.
En Jezus is ook niet tegen rijkdom.
Mensen mogen genieten van hun voorspoed en van het goed in hun leven.
Wie rijk is kan delen van zijn overvloed en het opnemen voor anderen.
Misschien gaan de lezingen meer over hoe je het precaire evenwicht in je leven in tact kunt houden. En over het evenwicht tussen armoede en rijkdom in ons eigen leven.
Moeten wij niet voortdurend balanceren tussen goed en kwaad, tussen gezondheid en ziekte. Wij hebben daar heel wat balanceer-vaardigheden voor nodig.

En dan kan het nog dikwijls fout gaan, ook al doe je nog zo je best.
Dat ene pasje Op de dansles dat je maar niet onder de knie krijgt.
Of de ziekte die jou treft, ook al leef je nog zo gezond.
Of de criminaliteit, waar je in verzeild kunt raken, omdat je je weg in de maatschappij maar niet kunt vinden.
Of heel gewoon, omdat je alleen bent komen te staan.

In die situaties, dan neemt Jezus het voor jou op.
Zalig immers die arm zijt, want aan u behoort het Rijk Gods
Zalig die honger lijdt, want u zult verzadigd worden.
En groot zal uw loon in de hemel zijn.

Jezus  biedt mensen uitzicht.
Je bent als mens nooit verloren.
Altijd is er toekomst, desnoods over de dood heen.

Als jij je voelt als die dorre struik. Jezus plant jou aan de waterkant,
je blad blijft groen en altijd blijf je vrucht dragen.
Voor kleine mensen is Hij immers altijd bereikbaar.

Amen.

Inleiding

Vandaag horen wij in de lezingen hoe er  gespeeld wordt met de manier waarop je in het leven kunt staan.
En u weet, het kan in het leven alle kanten met jou uitgaan.
En het vraagt veel van ons om de balans zo goed mogelijk te bewaren.
De profeet Jeremia vergelijkt het leven van de mens met een kale struik in de steppe die nooit water ziet.
Maar hij schildert de mens ook als een boom aan de waterkant, met wortels tot in het water.
En Jezus dan in het evangelie volgens Lucas?
Hij kiest ondubbelzinnig voor de armen.
Voor kleine mensen is Hij immers bereikbaar.
En wij kunnen ons afvragen, waar staan wij?
In de woestijn of aan de waterkant?
Of misschien wel ergens daartussen in?
Kunnen wij kiezen, of overkomt het ons?
Het zijn vragen die ons vandaag bezig zullen houden.

Overweging

Ooit kreeg ik les van een goede docent en zij vertelde ons over de identiteit van de mens.
Ja, zo zei ze, een mens is niet zomaar op een bepaalde manier te karakteriseren.
Wij hebben allerlei persoonskenmerken in onszelf aanwezig.
En zij gebruikte daarbij het begrip ‘facet’-identiteit. 
Er zijn allerlei verschillende lagen in ons aanwezig, die dikwijls ook nog tegenstrijdig zijn met elkaar.
En al die verschillende lagen, die vormen jou en mij als mens.
De ene keer overheerst de ene eigenschap, een dag later een andere.

Dat verhaal van die mevrouw heb ik altijd onthouden.
Ik vond het natuurlijk  herkenbaar in mijn eigen leven.

Bijvoorbeeld : Als ik op mijn fiets rondrij kan ik mij soms mateloos  ergeren aan het gedrag van automobilisten.
Ze denken dat ze de  koning op de weg zijn, terwijl je als fietser toch tamelijk weerloos bent. Maar  daarentegen: Als ik in de auto zit zie ik soms hoofdschuddend  hoe die fietsers zich gedragen.
Dat rijdt maar door rood, snijdt bochten af, pakken een stukje stoep mee enz.
En bij een ongeval, dan ben je als automobilist de klos.

In de Limburger las ik een interview met de Roermondse strafrechtadvocaat Peter Plasman,  
Hij verdedigt zware criminelen.
En hij  zei: In iedere crimineel gaan goede eigenschappen schuil , maar in elke brave burger huist ook een crimineel.
Helemaal extreem was de houding van kampbeulen in de Duitse concentratiekampen.
Zonder met hun ogen te knipperen stuurden ze duizenden mensen de gaskamers in.
En in de avond luisterden ze met hun vrouwen en families naar Beethoven en Mozart.
En van ontroering biggelden dan de tranen over hun wangen.

Die facet-identiteit, oftewel die twee of meerder levenshoudingen binnen dezelfde persoon zien wij terug in de lezingen van vandaag
De profeet Jeremia vergelijkt ons mensen met een kale struik in dorre woestijngrond.
Maar ook met een boom die aan een rivier staat en wortels heeft tot in het water.
Zijn blad blijft groen, altijd blijft hij vrucht dragen.
En Jezus van Nazareth ;
Hij neemt afstand van de rijken en neemt  het op voor de armen, voor de kleine en kwetsbare mensen.

Jezus is, zo denk ik tenminste, niet voor armoede als zodanig.
Ieder mens heeft recht op het licht der wereld en op het zout van de aarde.
En het is de mensen gegund als ze aan armoede en ellende kunnen ontsnappen.
En Jezus is ook niet tegen rijkdom.
Mensen mogen genieten van hun voorspoed en van het goed in hun leven.
Wie rijk is kan delen van zijn overvloed en het opnemen voor anderen.
Misschien gaan de lezingen meer over hoe je het precaire evenwicht in je leven in tact kunt houden. En over het evenwicht tussen armoede en rijkdom in ons eigen leven.
Moeten wij niet voortdurend balanceren tussen goed en kwaad, tussen gezondheid en ziekte. Wij hebben daar heel wat balanceer-vaardigheden voor nodig.

En dan kan het nog dikwijls fout gaan, ook al doe je nog zo je best.
Dat ene pasje Op de dansles dat je maar niet onder de knie krijgt.
Of de ziekte die jou treft, ook al leef je nog zo gezond.
Of de criminaliteit, waar je in verzeild kunt raken, omdat je je weg in de maatschappij maar niet kunt vinden.
Of heel gewoon, omdat je alleen bent komen te staan.

In die situaties, dan neemt Jezus het voor jou op.
Zalig immers die arm zijt, want aan u behoort het Rijk Gods
Zalig die honger lijdt, want u zult verzadigd worden.
En groot zal uw loon in de hemel zijn.

Jezus  biedt mensen uitzicht.
Je bent als mens nooit verloren.
Altijd is er toekomst, desnoods over de dood heen.

Als jij je voelt als die dorre struik. Jezus plant jou aan de waterkant,
je blad blijft groen en altijd blijf je vrucht dragen.
Voor kleine mensen is Hij immers altijd bereikbaar.

Amen.

 

Hans van Druten

 


Overweging weekeinde 9 en 10 februari 2019

Jesaja 6, 1-8; Lucas 5, 1-11

 

Bij het voorbereiden van de liturgie – zowel voor dit weekend met Mirjam als in breder verband voor de Vastentijd – deed ik de grappige ontdekking dat ik en dat ‘we’ moeite krijgen met de keuze van een glorialied. Terwijl ik niet van lofzangen houd met al die eer en glorie, bleek ik meer dan Mirjam te vinden dat een glorialied wel moet jubelen.

Bij het voorbereiden van de Veertigdagenliturgie ging de discussie erover of het voorgestelde Vastenlied niet teveel op een gloria lijkt, terwijl de liturgische traditie geen gloria in de Vasten toelaat. En stiekem zag ik O.L. Heer in zijn hoge hemel glimlachen.

Dit probleem met het gloria zegt m.i. iets over de tijdgeest en over het religieus getij waarin we leven. Over onze moeite met ontzag voor gezag en met eerbied voor de boven ons gestelden. We hebben het liever over Willem-Alexander dan over de majesteit en spreken onze minister-president liever aan met Mark dan met Excellentie. Ook in onze verhouding tot God zien we een verschuiving: van Gij naar U naar Jij. Zoals we onze gezagsdragers het liefst als gewone mensen zien – de minister-president op de fiets of een praatje makend bij de Jumbo – zo zien we God het liefst als een nabije, toegankelijke God, “ons meer nabij dan wij onszelf”. Voor deze nabije, toegankelijke, haast aanraakbare God heeft Jezus ons de ogen geopend. ‘Vader’ leerde hij ons God noemen. Of beter nog: Papa. Abba.

Op de vraag ‘Wat is bidden?’ leerden wij niet het antwoord: bidden is God aanbidden, hem loven en prijzen. Op de vraag ‘Wat is bidden?’ leerden wij het antwoord: bidden is praten met God. Praten met God als met je vader en moeder, als met je meest vertrouwde vriend of vriendin. Jezus zei: ‘Zo moeten jullie bidden: “Onze Vader”. En zo bidden wij: ‘Onze Vader’. Maar dan, wat moet die Vader in de hemel? Opeens is hij ver weg. Hoog van ons vandaan. Opeens begint het voor wie aandachtig bidt te wringen. Waarom niet: ‘Onze Vader, die dichtbij ons bent, rakelings, beschermend om ons heen’? Zo’n God willen we God toch? Zo’n God is God toch?

Maar wat moeten we dan met dat verhaal van Jesaja:

‘Ik zag de Heer, gezeten op een hoogverheven troon. De zoom van zijn mantel vulde de hele tempel. Boven hem stonden serafs. […] Zij riepen elkaar toe: “Heilig, heilig, heilig is de Heer van de hemelse machten. Heel de aarde is vervuld van zijn majesteit.” Door het luide roepen schudden de deurpinnen in de dorpels, en de tempel vulde zich met rook. Ik schreeuwde het uit: ‘Wee mij! Ik moet zwijgen, want ik ben een mens met onreine lippen […]’?

Hoogverheven. Troon. Majesteit. Wie voelt zich daar veilig bij? De ik van het verhaal schreeuwt het uit; voelt zich nietig, onrein, zondig, onwaardig. Is deze tronende majesteit dezelfde God die Jezus ‘Abba’ noemt? Maakt Gods grootheid ons klein? Of maken wij onszelf klein, onmachtig, Calimero? En verschaffen we onszelf zo een alibi: ‘Wie ben ik dat ik..?’

Eenzelfde reactie zien we in het evangelie. Ook de leerlingen Simon, Jacobus en Johannes hebben, na een hele nacht vruchteloos gevist te hebben, een overweldigende en beangstigende ervaring. Op aansporing van Jezus en hoogstwaarschijnlijk zonder veel verwachting – wat weet die timmermanszoon van vissen! – steken ze weer van wal en gooien hun netten uit. Binnen de kortste keer zitten de netten en boot barstensvol vis en dreigt het vaartuig te zinken. Een wonder, zeker voor vissers te groot. Een godservaring? Hun reactie: ontzetting, angst en een gevoel van nietigheid en zondigheid. ‘Ga van mij weg, Heer, want ik ben een zondig mens.’

Is God te groot voor ons? Maakt hij ons klein? Of maken wij God te klein, te vertrouwd en aanraakbaar? Willen wij een aaibare God en werpen wij de ‘Vreze des Heren’ en de Almachtige op zijn troon ver van ons af? Wij hebben immers een ander godsbeeld, aangepast aan nieuwe inzichten en eigentijds aanvoelen. Maar hebben we ook een aangepaste God?

Groot, verheven, heilig, machtig – we kunnen slechts in mensenwoorden spreken en in mensenbeelden denken. Ook over God. En als we onszelf nietig, onwaardig, zondig noemen  en ervaren, doen we dat in onze eigen woorden en beelden. Dat is niet verkeerd; we kunnen niet anders. Geen woord of beeld dat de werkelijkheid van God en godservaring dekt. Mystici als Johannes van het Kruis of Theresia van Lisieux ervaren God in de uitersten: hoogste hemel en diepste hel; absolute verlorenheid en extase van verbondenheid.

De vraag wie en wat God is is ook de vraag wie en wat wijzelf zijn. En elke verhouding tussen mens en God is uniek.

God wil ons niet bang en klein maken; vindt ons niet slecht. Hij gooit ons in het diepe omdat hij ons vertrouwt; nodig heeft. Hij wijst ons niet af. Integendeel, hij vraagt of hij ons mag zenden. ‘Ik antwoordde: Hier ben ik, stuur mij.’ En tot Simon, die achter zijn angst wil wegkruipen, zegt Jezus: ‘Wees niet bang, voortaan zul je mensen vangen.’

 

Meindert Muller

 


TER OVERWEGING 2 en 3 feb 2019

 

Wie zijn wij, wie waren wij (gisteren, vorig jaar, tien jaar geleden?) Wie zullen wij zijn? We denken dat wij weten wie we zijn. Anderen denken dat ze ons kennen. Hierdoor kan één verkeerd begrepen woord al ruis veroorzaken.
Ieder jaar opnieuw horen we (in iets andere bewoordingen omdat het ene jaar deze en het andere jaar díe evangelist wat meer centraal staat in de teksten) ongeveer dezelfde serie gebeurtenissen. Er zijn eigenlijk drie lezingen, we hebben er twee gebruikt. Wat níet gelezen is, is de uitverkiezing van Jeremia tot profeet. Hij is al in de moederschoot geroepen. En weet u wat het mooie is: het woord barmhartigheid komt van schoot… ‘Barm’ is een oud woord voor moeder- maar ook vaderschoot.
Jezus trok rond in Galilea, zijn geboortestreek. Hij werd warm ontvangen en we horen van vele wonderen. Dan komt hij in zijn vaderstad aan, Nazareth. Daar leest hij in de synagoge een beladen passage voor, Jesaja, over het goede nieuws voor de armen, vrijlating van de gevangenen, herstel van de blinden, vrijheid voor de onderdrukten. De mensen blijven enthousiast tót hij uitspreekt dat het woord in vervulling is gegaan en hij vertelt dat hij weet dat hij als profeet in eigen land niet aanvaard zal worden. Dan zien we een soort Goede Week in het klein, van intocht in Jeruzalem tot aan opstanding: aanvankelijke trots op een grote zoon uit de eigen stad slaat om in haat en hij wordt de stad uitgedreven en men wil hem doden door hem in een afgrond te storten. Maar hij gaat tussen hen door en vertrekt.
Wat gebeurde daar? Ik vermoed dat de kern is te vinden in de brief van de apostel Paulus. Hij spreekt over Geloof, Hoop en Liefde. Daarvan is in de grond de Liefde de grootste. Wat voor soort Liefde? De liefde die zich niets inbeeldt. Die geen schone schijn is, niet zichzelf zoekt. Die niet uitgaat van trots zijn op je kennis, en niet op je mooie woorden als die van engelen. Niet op de trots en protserigheid van vele politici, popsterren of voetbalvedetten en wie weet, ook van u en mijzelf? Nee, het is de liefde die niet uit zichzelf komt, maar uit God, uit de Barmhartigheid, uit de moederschoot van God. Die liefde die vreugde vindt in de waarheid, die alles verdraagt en duldt, tot de dood toe. Dát is wat zoveel mensen woedend heeft gemaakt denk ik, dat ze zagen dat Jezus niet alleen ín en in-goed was, maar zelfs onbegrijpelijk veel méér dan dat.
Dat onbegrijpelijke veroorzaakt bij de een onbegrip en afkeer, bij de ander een niet aflatend zoeken naar Hem. Omdat Jezus de spiegel is waarin je jezelf ziet zoals je werkelijk bent.
Er is nog een belangrijk aspect in zijn tekst in de synagoge. Hij spreekt over de profeet Elia, die tot de weduwe van Sarepta in Sidon (in Libanon) werd gezonden en niet tot de weduwen in Israël. Daarna spreekt hij over de vele melaatsen in Israël in de tijd van de profeet Elisa, maar het was de Syriër Naäman die werd gereinigd. Hij geeft heel duidelijk aan, dat het niet uitmaakt of je Joods, Heiden of Samaritaan bent (of in ons geval; Katholiek/Christelijk, Joods, Islamitisch of wat dan ook), maar dat je vertrouwen telt en je daden moeten laten zien wie je werkelijk bent.
En Paulus’ tekst, de mooiste die van hem bestaat naar mijn mening, sluit hier heel duidelijk bij aan. Hij, die Christenen zelf had vervolgd, tot hij een bekering doormaakte die hem de ogen opende, en zijn blikveld verruimde. Hij volgde Jezus over landgrenzen en geloofsgrenzen heen en bracht God’s woord naar mensen vér buiten het Jodendom, die óók dat woord van God verdienden te horen.
Wie zijn wij, wie waren wij, wie zullen wij zijn? We denken dat wij weten wie we zijn. Anderen denken dat ze ons kennen. Hierdoor kan één verkeerd begrepen woord al ruis veroorzaken. Laten we elkaar bezien, aanhoren en respecteren vanuit de barmhartigheid. Dan zullen vele misverstanden al in de kiem, in de moederschoot, rechtgezet of beter begrepen kunnen worden. Dan is onze gemeenschap wéér een stap verder op weg naar werkelijk leven vanuit Gods Liefde, op weg naar dat mooie einddoel, leven in God zelf!
Amen..

Peer Boselie



Ter overweging

Thema: Recht voor ogen  Jesaja 58,3-4.6-8 Lucas 4,14-21  Oecumenische viering in de Johanneskerk 20 jan. 2019

 

Een genadejaar voor de Heer uitroepen, dat is nogal wat… Letterlijk houdt dat volgens de bijbel in dat alle bezittingen worden herverdeeld en alle schulden worden kwijtgescholden. Elke 50 jaar zou dat weer een keer moeten gebeuren om mensen nieuwe kansen te bieden… De hele economie zou op de kop worden gezet... Jezus leest het voor uit het boek Jesaja (zie ook Lev. 25) en betrekt dit op zijn levensopdracht. Maar ook in Jezus tijd vindt dit niet letterlijk plaats… Hoe zouden we dit dan kunnen lezen…? Wat zou het voor onze tijd betekenen? Hoe komen we tot gerechtigheid?

 

Het thema van de oecumenische viering ‘Recht voor ogen’ gaat over dit proberen om te zien, over ons inzicht, over hoe recht en gerechtigheid kunnen groeien als wij het voor ogen houden. Maar daarvoor wil ik eerst met u kijken naar de tweede betekenis: wat gebeurt er in onze tijd, wat vindt er recht voor onze ogen plaats, waar mogen we misschien toch wel vraagtekens bij zetten…?

Zomaar een greep uit de nieuwsberichten van de afgelopen weken:

-De Europese Commissie doet onderzoek naar belastingafspraken tussen onze Nederlandse belastingdienst en Nike – hoe eerlijk zijn die staatssteunregels - in het algemeen – eigenlijk?

-Er zijn zorgen met betrekking tot een groot aantal goedkope nagelsalons in ons land. Is er sprake van uitbuiting en mogelijk ook mensenhandel?

-Kinderen die soms zelfs in Nederland zijn geboren en na jaren helemaal hier zijn geworteld worden toch uitgezet, omdat ouders volgens onze wetten iets niet goed hebben aangepakt…

-We lezen in de krant over de uiteenlopende standpunten van de partijen die samen het klimaatakkoord zullen moeten uitvoeren: welke maatregelen moeten we nemen en hoe moeten de lasten van de maatregelen financieel worden opgebracht op een manier dat er draagvlak voor ontstaat, of kunnen we ons langer wachten niet permitteren…?

-Belgische scholieren spijbelen in dat kader om actie te voeren voor een bindend klimaatplan. Jongeren maken zich terecht zorgen over hoe de wereld er in de toekomst zal uitzien…

-Het internationaal strafhof kan niet waarmaken waar het voor is opgericht – kijk maar naar de vrijspraak van de oud-president van Ivoorkust.

-In het plan om rechtsbijstand voor minvermogenden afhankelijk te maken van een poortwachter worden zij benadeeld hen t.o.v. rijken die wel rechtstreeks hun recht kunnen zoeken…

Al deze berichten kunnen we zelf vast nog aanvullen met wat er gebeurt in de dagelijkse omgang met mensen, in onze gezinnen, op het werk, in verenigingen, in onze geloofsgemeenschappen… Doen we elkaar wel eens tekort, waar of wanneer voelen we ons niet gezien? Oordelen we (te) snel, mag iemand niet meedoen, houden we in onze beslissingen (wel of geen) rekening met anderen, gaat eigenbelang voor…?  Is er de afgelopen week in uw eigen leven iets dergelijks op uw pad gekomen…? En is er iets aan te doen, denkt u?

 

We zoeken onze inspiratie bij Jesaja en Jezus. Wat houdt recht en gerechtigheid in als we luisteren naar de teksten van deze viering?

Jesaja vertelt ons, dat het niet gaat om protocollen, die je netjes opvolgt, waardoor dan alles oké is, maar om de intentie die er achter je handelen zit. Als je oorlog voert en mensen uitbuit, kan een degelijke vasten dat niet goedmaken. Nee, gerechtigheid dat betekent: delen wat je hebt, je huis, je brood en je kleding en daarnaast proberen om degenen die onderdrukt worden te bevrijden van hun last. Dan breekt je licht door als de dageraad…! En dan wordt je stem in de hemel gehoord.

 

Jezus schaart zich pal achter Jesaja. Nog sterker: Hij leest in de synagoge een deel voor uit het boek Jesaja, en verklaart de betreffende tekst op hemzelf van toepassing. Hijzelf is de vervulling van deze profetie. Hij is gezalfd om aan armen het goede nieuws te brengen, om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken, aan blinden het herstel van hun zicht, om onderdrukten hun vrijheid te geven.

 

En wie zou dat dan in onze tijd zijn, die arme, die gevangene, die blinde en onderdrukte?

Wat is rechtvaardig? In onze wereld is het niet gemakkelijk om goed zicht te krijgen op wat rechtvaardig is om te doen. Er zijn zoveel verschillende factoren die een rol spelen dat inzicht in oorzaak en gevolg bijna niet meer te overzien is voor een individu. Er is een complex netwerk ontstaan van verbanden tussen heel veel dingen. Alles hangt samen met alles. Wat ik eet, wat ik koop, mijn huis, mijn werk en hoe ik daar kan komen… De beslissingen van mijn pensioenfonds en mijn bank, van de partij waar ik op heb gestemd, de krant die ik lees en van de gemeente en van de landelijke overheid….. Verder speelt ook de historische context een rol. Het is moeilijk om die volledig te kennen. De kijk op de geschiedenis en wat daaruit te leren valt is niet eenduidig. Iemand uit Nederland kijkt anders naar onze vaderlandse geschiedenis dan iemand uit Suriname of Indonesië. Britten kijken anders naar Europa dan Fransen en Duitsers. Wie een goede baan heeft oordeelt vanuit zijn of haar omstandigheden anders dan wie van een uitkering moet rondkomen.

 

Er zijn mensen die slechte ideeën hebben, egoïstische motieven hebben, die macht zoeken en zichzelf willen verrijken. Maar ook gaan mensen en instanties de fout in, terwijl de bedoelingen goed zijn. Aandacht en betrokkenheid zouden samen moeten gaan met verantwoordelijkheidsgevoel en inzicht in de situatie. Wat is rechtvaardig? Hoe kunnen we werken aan recht en gerechtigheid? Het is allemaal niet vanzelfsprekend…

 

Het is verleidelijk om met alle berichten die ons bereiken er voor te kiezen om al dat nieuws maar links te laten liggen. Of om selectief ermee om te gaan, en alleen bepaalde stukken te lezen of bepaalde onderwerpen te volgen. Want ook als je graag het goede wilt doen, het is te veel, je voelt je machteloos als je met alles rekening wilt houden.  Toch is het voor alles belangrijk om de ogen open te houden, om te proberen relevante informatie te verkrijgen om van daaruit beslissingen te kunnen nemen. Vanuit eigen taken, op de plek waar we zelf zijn… Wat zien we? En hoe weten we wat waar is? Is het nog steeds waar, als het van de andere kant wordt bekeken? Hoe kunnen we recht doen aan mensen? Waartoe zijn we verplicht, wat behoort tot onze verantwoordelijkheid als we de boodschap van Jesaja en Jezus werkelijk laten binnenkomen? Wat krijgt onze aandacht, wat is zinvol en nodig om te doen? En doen we dat dan ook? Hoe pakken we het aan? 

Het helpt als we bij dat alles niet te snel oordelen, blijven praten met elkaar, uitwisselen wat we weten, en elkaars standpunten proberen te begrijpen. Dat geldt zowel dichtbij, van mens tot mens in de ontmoetingen van elke dag als in alle beslissingen en handelingen die verband houden met de verre wereld buiten.

 

Laten we de moed erin proberen te houden..! Volhouden kan alleen vanuit het realisme dat iedere actie beperkingen heeft. Maar tegelijk is elke goede daad er één. Laten we niet onverschillig worden. Omwille van de toekomst van de wereld, die niet alleen onze wereld is, maar ook de wereld van de generaties die na ons komen. De wereld van onze kinderen en kleinkinderen... Van de kinderen die overal ter wereld elke dag weer worden geboren…

  

Elly Bus-Linssen

 


Ter Overweging Driekoningen, Lezingen Jes. 60,1-6; Mat.2,1-12, 5-6 jan. 2019

 

Vandaag het feest van Driekoningen. Drie wijze mannen, magiers, sterrewichelaars – hoe je zo ook mag benoemen, ze staan vandaag in het volle licht. Om na die wonderlijke ontmoeting in de stal weer in het duister te verdwijnen. Wij hebben ze hier begroet op onze eigen wijze – met een kerstlied dat ons vanaf de kerstnacht heeft vergezeld. In dat lied gaat het in het tweede couplet over de koningen, maar ook over ons. Want wij bewegen ons in hun spoor opnieuw naar de stal om te overwegen, wat daar gebeurd is en wat dit voor ons betekent. Wij zijn die koningen.

We horen vandaag het verhaal, met zijn wonderlijke wendingen; het volgen van een ster, het bezoek aan Herodes, en het vinden van het kind. En de eerste lezing uit Jesaja voegt daar nog een dimensie aan toe. De tocht van de koningen wordt ingebed in een stoet van alle volkeren, die optrekken naar een middelpunt – een stoet vol van vreugde en vrede. Niet alleen horen we hier, dat er kamelen meetrekken, maar ook alle gewone mensen, grote en kleine mensen, dochters en zonen. Wij zijn die vrolijke stoet van mensen, die iets van het heil van deze wereld hebben vermoed, gezien, ervaren.

De lezingen van vandaag zijn een aandachtig luisteren waard, maar ook het verrassende slot van dat openingslied; ‘wij willen geven, hart en geest en leven’ – onze geschenken. Laat wij ons hart openen vandaag om met de koningen op weg te gaan.

In onze gelovige traditie is er heel wat fantasie op de koningen losgelaten. En daar geeft het Bijbelverhaal natuurlijk alle aanleiding toe. Er wordt meer verzwegen, dan verteld. Want wie waren die mannen precies? Wat was hun achtergrond? Wat was hun drive, hun passie?  Onze verbeelding daarover heeft gestalte gekregen in onze beelden in de stal. En U kent ongetwijfeld de voorstelling, waar de gezichten van koningen verschillende kleuren krijgen; wit, geel en zwart. Zo symboliseren ze de hele bekende wereld, die hier naar Bethehem komt om de pasgeborene te begroeten.

Ergens in een kerk zag ik een andere afbeelding van de Driekoningen, en wel boven een graftombe van een voorname dame. Daar stonden ze afgebeeld als een jonge kerel, een middelbare man en een oude grijsaard. De bedoeling was en is duidelijk; elk van de koningen stelt een levenstijdperk voor van de mens; jeugd, middelbare leeftijd en ouderdom. En alle drie, zo was op de afbeelding te zien, zijn ze op weg naar het hemelse Jerusalem. Begrijp de subtiele verwijzing op deze graftombe, boodschap aan de voorbijgangers: nee, naar het aardse Jerusalem, waar de Herodessen van deze wereld wonen, kun je niet verblijven of er naar terugkeren!

Mij sprak die verbeelding van de koningen wel aan. Ik zie ze gaan, jaar na jaar samen verder. De oude, en wijs geworden man, op zoek naar de waarheid over zijn leven. Zoveel gezien misschien, zoveel gewikt en gewogen, zoveel vreugde beleefd, maar ook teleurstelling, heersers zien gaan en komen. En toch - door een innerlijke stem bewogen op weg te gaan. Vol verlangen naar wat – of liever: wie - uitzicht biedt in de wereld, die hij maar al te goed kent. Op een betere wereld. Ik kan me zo voorstellen, dat hij het was die de vraag stelde; waar is hij, de pasgeboren koning der Joden? Ik kan niet wachten hem te bezoeken en hem hulde te brengen (2,2).

Naast de wijze koning, vol verlangen, de middelbare man. De man midden in het leven, vol van gewichtige verantwoordelijkheid voor zichzelf en anderen.  Zappend en twitterend door de wereld. Hoe zou zijn wereld er uit hebben gezien? Hoe is hij in beweging gekomen? Misschien was het de ster, een natuurverschijnsel dat zijn aandacht trok. Waarover hij betekenisvolle dingen had gehoord en gelezen. Nu was het felle hemellicht daar, dat hem over zijn eigen grenzen heen trok. Hij had zijn drukbezette agenda vrijgemaakt, zijn lopende zaken gedelegeerd,  zijn google-maps geïnstalleerd en zich aangesloten bij de oude man. ‘Wij hebben zijn ster in het oosten gezien’, zou hij gezegd kunnen hebben. We zoeken het uit. Meten is tenslotte weten.

Dat maakt nieuwsgierig naar de jongste. Die met de minste levenservaring, maar wel met een goede intuïtie, een richtingsgevoel , een weten waar hij het goede leven zou kunnen ontdekken en zoeken. Misschien arm, zonder achtergrond, op zoek naar het goede leven.  Of juist misschien wel een jongeman met een goede opleiding, waardoor hij het zoeken in de boeken van de schriftgeleerden in Jerusalem begreep en ook hun paniek. Want hij had donders goed in de gaten, waar het over ging. Er kan er maar eentje koning zijn. De positie van de elite van Jerusalem  stond in die vraag naar een koning op het spel, die van de koning Herodes speciaal. In het spoor van de wijze en de middelbare leerde deze jongeling de mensen kennen, hoe ze zijn leerde zich een mening vormen en een eigen blik op de toekomst ontwikkelen. Hij ging samen met de wijze en de verantwoordelijke op weg.

 De wijze, de verantwoordelijke, de jonge man. Stap voor stap trokken zij verder, steeds meer in de goede richting, geleid door hun verlangen, het hemellicht en nieuwsgierigheid. Niet zo gek om dan aan onszelf te denken, die ook – ieder vanuit zijn eigen leeftijd en levenservaring – stappen zetten in de richting van het Kerstkind. Want op deze eerste zondag van het jaar kijken we weer eens goed rond, en begroeten elkaar extra hartelijk. Want samen zijn we op weg. Samen zijn we Driekoningen, en kunnen we ons in hen herkennen. De oudere, en wijs geworden parochiaan, die veel heeft gezien, veel heeft meegemaakt, in goede en minder goede tijden, maar nooit is opgehouden te verlangen naar een betere wereld. Hij of zij die de Herodessen van deze wereld door zijn of haar levenservaring beter heeft leren inschatten. En in ons midden is er de verantwoordelijke en midden in beroeps- en/of gezinsleven staande parochiaan van middelbare leeftijd. Hij die nuchter de verschijnselen van hemel en aarde bestudeert, zijn weetje weet, maar zijn interesse in wat hem te boven gaat en hem voeding verschaft blijft koesteren. Zijn hart koestert de sterren.

En dan – zult u zeggen – houdt de vergelijking op. Want zoveel jonge mensen zijn er niet in de kerk te vinden. Maar dan vergissen we ons. Want onze betrokkenheid op anderen houdt niet op bij de kerkmuren, zoals in diaconale projecten elke keer blijkt. Vergeet niet  onze vaak onzichtbare ondersteuning als gemeenschap en als individu aan alles wat jonge mensen ten goede komt. In ieder geval, wat een groot aantal van hen behoedt voor of wegtrekt uit de bittere ervaring van het leven, ziekte, droogte of mislukte levenskansen, hier maar vooral elders in de wereld. En denk ook even aan de glimp van licht en wijsheid, die kinderen hier in ons midden kunnen ervaren, al was het maar even, rond hun kennismaking met de kerststal.

Op mijn afbeelding boven het graf in die kerk waren de Driekoningen op weg naar het Hemelse Jerusalem. Dat is ver buiten de blikveld van het Bijbelverhaal. Centraal in het Bijbelverhaal staat, dat ze op weg waren – ieder vanuit eigen achtergrond en beleving – naar wat kwetsbaar en klein bleek te zijn. Zij luisterden naar de machten van hun tijd, maar lieten zich er niet door gezeggen. Ze wisten, dat er een andere toekomst was. Daar – bij het kleine en kwetsbare kind - legden zij het goud neer van hun wijsheid, de wierook van hun verantwoordelijkheid, en de mirre van de ervaren bitterheid. En zo gesterkt keerden ze langs een andere weg naar huis terug. Dat wil zeggen: ze waren andere – en hopelijk betere-  mensen geworden.  Moge dat voor ons aan het begin van dit jaar – en jaar na jaar - ook weer een beetje – samen op weg - waar worden.                    

 

Ren Lantman

                                                    


TER OVERWEGING 1 januari 2019 Thema:  God Redt!

Mooi, die priesterzegen uit Numeri, die we allemaal mogen uitspreken natuurlijk, vrede kan nooit kwaad immers: Moge de HEER u zegenen en u beschermen,
moge de HEER het licht van zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn,
moge de HEER u zijn gelaat toewenden en u vrede geven.

Dat heeft de Heer meer dan waar ook gedaan bij Maria, die gunsten ten deel vielen die niemand anders werden gegeven; ze mocht de redder baren notabene. Een mooi beeld ervan zien we in onze eigen Salviuskerkje in Limbricht, waar een eind 13e eeuwse schilder Nederlands oudste kerstvoorstelling heeft afgebeeld.

Van de andere kant: wat viel haar ten deel? Ze moest kort na de geboorte van haar zoon vluchten om zijn leven te redden en uiteindelijk stond ze ruim dertig jaar later alsnog huilend bij het kruis waaraan hij genageld werd. Ze werd daarmee en daardoor wel de meest benaderbare heilige uit alle werelddelen. Zij weet wat af van het leed van mensen. 

Haar kind, dat vandaag bij de besnijdenis de naam Jezus kreeg, ‘Godt Redt’, werd geboren in een kribbe, een voerbak. Wellicht het meest mensonterende plekje dat er was op aarde. De eersten die het kind kwamen bezoeken waren herders, volgens gangbare mening de allerlaagste soort mensen uit de toenmalige economie. Dat laatste is overigens de vraag, volgens de Mishna, de joodse mondelinge leer, was er in de tijd van Jezus een verbod op houden van kleinvee. Maar: dat goldt niet voor Tekoa, vlak bij Jeruzalem, waar schapen werden gefokt voor de tempeldienst. In dat geval zou in het verschijnen van de herders juist een vingerwijzing Gods kunnen worden gezien…

Enkele dagen na de besnijdenis zullen Maria en Jozef met de pasgeborene moeten vluchten naar Egypte.

Laatst leerden we een Syrische vluchteling kennen, Mohammed. Architect uit Homs, die zwaar getroffen stad, waar ook die in 2014 vermoordde pater Frans van der Lugt woonde en werkte. Hij probeert als vluchteling hier een nieuw leven op te bouwen, op een lager nieveau ongetwijfeld dan waarvoor hij werd opgeleid. Jo Salden vertelde over een Afghaanse kennis die eveneens academisch geschoold is en nu werkt als poetsvrouw. Zij doet dat omdat haar diploma’s hier niet erkend worden, maar ze doet het vooral om haar kinderen een goede toekomst te geven. Hier kunnen ze veilig zijn én ze kunnen studeren. Haar kinderen zullen het beter hebben dan haar, ze offert zich min of meer op. Dat deden overigens vele van onze ouders ook, die hebben zich ook zaken ontzegd om onze ontwikkeling voorop te stellen, die van mij in ieder geval zeker..

Jozef en Maria hebben dat ongetwijfeld ook gedaan, met hoop, en soms ongetwijfeld ook wanhoop, bijvoorbeeld als Jezus in de tempel achterblijft om met de schriftgeleerden te discussiëren, maar dat is een ander verhaal..

Hier voor ons op het altaar staat een beeldje van een Jezuskindje. Kitschig? Ja, dat wel, maar hoe een beeldje er ook uitziet, het symboliseert de emotie die mensen er mee hebben. En aan dit beeldje is veel emotie gebonden. Waarom het hier staat? Omdat het symbool staat voor ieder van ons. Voor onszelf, voor een jong gestorven broertje of zusje, voor een kleinkind? Het beeldje is meer dan zichzelf, zoals ook wij meer kunnen zijn dan onszelf. Door het doopsel werden we verbonden met God's gemeenschap, door de eucharistie met Christus tafelgemeenschap, bij het vormsel werden we door de Heilige Geest medeverantwoordelijk mét God.

Geloven we dat echt? Laten we er dan ook naar handelen! Zoals de 15-jarige Greta Thunberg uit Zweden, die de volwassenen van de wereld waardig maar keihard aanklaagde op de laatste klimaatconferentie. Zij heeft, naar ik begreep, het syndroom van Asperger. Dat klinkt eng, syndroom, maar Asperger hebben betekent simpelweg dat de waarheid ook de waarheid is, ongezouten. Lastig in het ‘gewone’ leven soms. Ja, lastig, lastig, maar vroeger noemden ze die mensen in de bijbel denk ik: Profeten!

Afgelopen week, met Kerstmis, zijn opnieuw duizenden kinderen geboren, overal op deze wereld. Allen zijn zij onderdeel van Gods schepping, allen zijn zij Gods kinderen. Allen zullen ze, met Gods hulp, hopelijk in staat zijn om deze wereld te redden. Wij, en zeker deze kinderen, die heel wat jaren langer hebben op deze aarde, zijn Gods handen en voeten. Godt Redt? Ja, mits wij onderdeel willen zijn van zijn redding!

Amen..

 

Peer Boselie


Overweging zondag 30 december 2018 – Feest van de H. Familie

1 Samuel 1, 20-22.24-28; Lucas 2, 41-52

 

Feest van de H. Familie. Een mooi feest zo in de nadagen van Kerstmis, als de kaarsen beginnen te flakkeren en een vertrouwd geworden jaar op z’n einde loopt. Een feest dat nog even het beeld oproept van Jozef en Maria en hun pasgeboren kind. Wij nemen daar nog geen afscheid van, ook al is de liturgie met haar evangelie al weer twaalf jaar verder, niet meer in Betlehem maar in Jeruzalem; niet meer in de stal maar in de tempel.

Wat vieren wij eigenlijk met het feest van de H. Familie? Met deze vraag bege-ven we ons enigszins op glad ijs. Als het gaat om die menselijke drie-eenheid van Jozef, Maria en Jezus – het gezin van de timmerman uit Nazaret – dan is er geen mooier feest dan Kerstmis, en dat hebben we net gehad. Ik denk echter dat dit negentiende-eeuwse feest van vandaag niet zozeer om deze specifieke familie gaat maar om de heiligheid van de familie in het algemeen: de door God gewilde relatievorm van man en vrouw voor het voortbrengen van kinderen; het gezin als hoeksteen van de samenleving. En daar begint het anno nu te wringen.

Waarin zit de heiligheid van het gezin? Is de vorm heilig; de relatievorm of het liefdesverbond tussen mensen waarin kinderen gewenst zijn en opgroeien? Steeds breder wordt erkend dat ook andere relaties – zoals bijvoorbeeld tussen lesbiennes of homo’s – volwaardige liefdesrelaties kunnnen zijn. Dat liefdes-relaties veelvormig zijn, omdat de geaardheid van mensen meerdere vormen kent. Dat dus ook andere liefdesrelaties een goed nest kunnen vormen waarin kinderen kunnen opgroeien en – met woorden van het evangelie – ‘toenemen in wijsheid en welgevallen bij God en de mensen’?

Mensen zijn geroepen om te worden wie ze zijn; en om elkaar daarbij te helpen en kansen te geven. Vaak doen mensen dat in gezinsverband. En vanouds ook in de keuze om ongetrouwd door het leven te gaan: monniken, kloosterlingen, priesters en mensen die voor een andere wijze van totale inzet kiezen. Je roep-ing volgen; worden wie je bent. Dus ook worden wie je bent als transgender of lesbienne of homo of biseksueel… in de relatievormen die daarbij passen en helpen. Als er maar oprechte liefde in het spel is, leert de bijbel ons. Misschien moeten we leren de verschillen tussen mensen, zowel wat betreft religie en cultuur alsook wat betreft geaardheid als rijkdom te zien en niet primair als iets problematisch.

Worden wie je bent. Je eigen pad verkennen. Je roeping volgen in zijn conse-quenties. Niet altijd een makkelijke opdracht. Jezus moest het ook leren. Ont-dekken wie hij was. Waartoe hij geroepen was, en door wie. Een soms raadsel-achtig proces. Was het daarom dat hij achterbleef in de tempel? Maakten de lessen en gesprekken van de daar aanwezige schriftgeleerden nog ongekende vragen in hem wakker – over wie en wat hij was? Hoorde hij daar de roepstem van Jahweh? Een antwoord op jongensdromen die rijmden met wat profeten hadden voorzegd? Werd Jezus in de tempel geconfronteerd met een ontwa-kend bewustzijn, een nieuw weten over zijn bestemming?

Worden die je bent gaat niet zonder au. Pijn zit er in het evangelie. Na drie lange dagen doodsangstig zoeken vinden Jozef en Maria hun zoon – hun zoon? – in de tempel. Bij hem geen paniek; integen-deel, hij lijkt in zijn element. Het is alsof hij gestoord wordt. Als Maria zegt: ‘Kind, wat heb je ons aangedaan? Je vader en ik hebben met angst in het hart naar je gezocht?’ is het antwoord glashard: ‘Waarom hebben jullie naar me gezocht? Wisten jullie niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?’ Mijn Vader? Hoe klinkt dat Jozef in de oren? De ene vader tegenover de andere? Wat is er in dit kind gebeurd dat hij Jozef, zijn vader, zo helder en wreed confronteert met zijn bewustzijn Zoon van God te zijn?

De menswording van Gods Woord en evenbeeld in Jezus is met Kerstmis niet klaar. Menswording duurt een leven lang. Een leven lang groeit het kind van Maria en Jozef naar wat hij is: Gods Zoon en Gezondene. Na de pijnlijke schok in dat proces, waar het evangelie vandaag over vertelt, – dat plotse zien voorbij de horizon – gaat Jezus mee naar huis. En groeit op. Luistert. Een zoon als een ander.

En weer schrijft Lucas, net als in het kerstverhaal: ‘Zijn moeder sloot alles wat er met hem gebeurd was in haar hart.’ Zij wist dat haar zoon keuzes zou maken, moest maken. Keuzes die haar en Jozef pijn zouden doen. Maar ook zijzelf had een keuze gemaakt. ‘Zie de dienstmaagd des Heren: mij geschiede naar uw woord,’ had ze de engel geantwoord. Zoals ook Hanna, de vrouw uit de eerste lezing, die, zoals ze Jahweh beloofd had, haar Samuel achterliet in de tempel bij Eli. Met een verscheurd hart, maar wetend dat haar zoon hier moest zijn om te worden de profeet en leider van zijn volk.

Is dat niet de heiligheid en wijsheid van het opvoeden: weten, aanvaarden, loslaten?

 

Meindert Muller

 


24-12-2018                                      Jes. 9, 1-6   Lc. 2, 1-20

Thema: Een mensenkind voor ons geboren               

 

Kerstmis. Wij vieren Kerstmis. Hoe vieren we Kerstmis? Jaar na jaar… Waar gaat het om?

Wat betekent het voor ons? De kerstnacht… kerstdagen… Daarvoor wil ik u vragen terug te denken in de tijd. Wat weet u nog van Kerstmis vorig jaar? En het jaar daarvoor? Over wat er gebeurde, over de mensen, over de sfeer, over de teksten in de vieringen, over de overweging, over het kerstdiner misschien? Is er een Kerstmis die speciaal in uw geheugen is opgeslagen? En hoe komt dat?

 

Zelf ben ik dit jaar wat vroeger dan andere jaren begonnen met het vieren van Kerstmis. Voorbereidingen beginnen altijd al vroeg in de parochie, maar het vieren kwam voor mij steeds pas op 24 december. Dat is anders in een instelling voor mensen met een verstandelijke beperking. We vieren er, wat wij nu in de kerstnacht vieren, in de kleine kring van de eigen woongroep in de weken voor Kerstmis. Voor mij een nieuwe situatie. Met een kerstverhaal en vooral heel veel kerstliederen… die soms volop worden meegezongen. Zo merk ik dat voor mij (in ieder geval) de mènsen waarmee ik samen Kerstmis vier in belangrijke mate meebepalen hoe ik het feest beleef en onthoud.

 

Overal op scholen en in bedrijven wordt iets van Kerstmis gevierd vóór het eigenlijke feest. Al is het maar met een kerstontbijt, een kerstmarkt of een kerstspel. Samenkomen, een gezellige sfeer proberen te creëren. Wat is de betekenis van Kerstmis bij deze gelegenheden… Is er daarbij een samenhang met wat er in ons zelf gebeurt, met ons geloof in God, met ons innerlijk leven, met hoe we ons leven vormgeven of met wat we doen voor een ander…?

 

In onze streken, waar we Kerstmis vieren midden in de winter op het moment waarop de dagen na de donkerste dag weer iets gaan lengen, is Kerstmis ook een feest van licht. Lichtjes sieren de binnenstad en veel huizen en tuinen. Licht doet iets met je gemoed. Donker is eerder dreigend. Overdrachtelijk kun je in elk seizoen of klimaat ‘Licht in de duisternis’ wèl als beeld verstaan. Zoals Jesaja het bedoelt…

Want ook Jesaja spreekt over licht... Zijn boodschap is voor mensen die wonen in een land vol duisternis. Het drukkende juk en alle dreunend stampende laarzen zijn verleden tijd:

‘Want een kind wordt geboren,

een zoon wordt ons gegeven.

De heerschappij rust op zijn schouders;

men noemt hem wonder van beleid, goddelijke held,

vader voor eeuwig, vredevorst.

Groot is de macht en eindeloos de vrede

voor de troon van David, voor zijn koninkrijk;

hij zal het stichten en onderhouden

door recht en gerechtigheid

vanaf nu en voor altijd.’

 

Door recht en gerechtigheid staat er… Niet door lekker eten en gezelligheid… Het is een verhaal dat gaat over oorlog en vrede, over politiek en macht, over wantoestanden in de wereld en in onze maatschappij, over kansen voor wie zich bevindt in de marge van de samenleving. In onze tijd heeft dit alles ook te maken met honger in Jemen, met asielzoekers in Europa, met de vormgeving van een klimaatakkoord in Nederland, met eerlijke uitkeringen en pensioenen. Het visioen van Jesaja over dit kind, die goddelijke held en vredevorst in wie latere schrijvers Jezus herkend hebben, en waarop Lucas o.a. zijn versie van het geboorteverhaal van Jezus baseerde, dit visioen wordt niet vanzelf bewaarheid. Het rijk van God komt er door recht en gerechtigheid als wij ons daar mede voor inzetten. En hoe dat kan, heel dichtbij, in onze persoonlijke omstandigheden, dat kunnen we ieder voor onszelf best bedenken…

 

Wat verwachten wij dit jaar van Kerstmis? Wat zullen we ons ervan herinneren? Lucas schrijft dat Maria alles wat er werd gezegd bewaarde in haar hart. En ze dacht erover na.

Wat spreekt er tot ons hart? Wat voelen we, welke woorden of beelden blijven ons bij, naast alle gezellige of ongezellige kerstmomenten? Hoe worden wij van binnen vernieuwd deze Kerstmis, wat kunnen we aan nieuwe inspiratie ontdekken, hoe laten we God toe in ons leven?

 

De verhalen zijn niet alleen voor toen maar ook voor nu. Het gaat om een boodschap die verder reikt, voorbij grenzen van land of tijd. Het thema van onze viering is Een mensenkind voor ons geboren…  God kwam als mens in ons midden, toen, in onze geschiedenis, terwijl Quirinius gouverneur van Syrië was. Maar het is ook: God wordt telkens weer geboren in ieder mensenkind, in ieder van ons. God, die van alle tijden is, van eeuwigheid, komt ook nu vandaag onder de mensen. God komt… Een mysterie, een wonder om vanuit te leven, jaar na jaar. En gerechtigheid is daarbij de sleutel. Een sleutel die zich óók in onze handen bevindt… Mogen wij ons dat na deze Kerst blijven herinneren…

 

Elly Bus-Linssen

 


 

TER OVERWEGING 4e zondag van de Advent, 23 december 2018

 

Hoe denk jij, hoe denken wij over de toestand in onze wereld? Dat was de opening van het gesprek, dat we bij de voorbereiding van deze viering hadden. Een viering in de donkere dagen voor kerstmis. Het was een gesprek, waarin we onze zorgen deelden. En tegelijk wisten en weten hoe ongrijpbaar sommige ontwikkelingen zijn. Er zijn weinig zekerheden, waar je op kunt vertrouwen, onzekerheid is er overal. Hoe zal het gaan met ons, en met onze kinderen en kleinkinderen in de toekomst?

Zou het tijdens het bezoek van Maria aan haar nicht Elisabeth, waarover we hoorden, anders gegaan zijn? Zouden ze niet veel gesproken hebben over hun aanstaande kinderen, en hun toekomst in een land, dat net als dat van ons niet, in onzekerheid verkeerde? Een land, verscheurd tussen de grootmachten van hun tijd, onderlinge rivaliteit van kleine koningen en vazallen, en met heel veel verschillende religieuze stromingen, die allemaal een antwoord probeerden te vinden op de moeilijke vragen van de tijd. Gelukkig waren er ook heilsprofeten zoals Micha! (1e lezing)

Nee, we weten niet wat Elisabeth en Maria met elkaar besproken hebben. We zijn er niet bij geweest, die drie maanden dat Maria bij Elisabeth te gast was.  Lucas heeft het er in dit gedeelte van zijn verhaal nauwelijks over. Maar wat hij wel schrijft, kan ons hart weer verwarmen. Lucas beschrijft een ontmoeting tussen twee zwangere vrouwen. Hij beschrijft vooral hun welkom, hun groet op een heel specifieke manier. Elisabeth heeft hier het hoogste woord; vreugde en verbazing, dat spat van deze bladzijde van het evangelie af.  ‘Wie ben jij, Maria, dat jij naar mij toekomt?’ Het zijn woorden, die als een lichtstraal hebben gewerkt in een donkere wereld. In die wereld vindt een verrassende en overrompelende ontmoeting plaats. Een ontmoeting,  die in de gelovige traditie een heel specifieke lading heeft gekregen. Het is niet zomaar een groet. Het is het onverwachte weten van het nieuwe leven, dat het donker doet verkeren in het licht. Het goddelijke geheim komt naar de mensen toe, nu nog verborgen in de moederschoot, straks met Kerstmis een levende mens in ons midden.

Wij leven naar Kerstmis toe, hopelijk niet al te zeer overwoekerd door onze dagelijkse zorgen en onze zorg voor een paar mooie en vredige dagen. In gelovig opzicht gaat het om het verlangen, dat ons beweegt. Het verlangen naar die goede wereld met een goed leven voor steeds meer mensen. “Naar u gaat mijn verlangen, Heer”, dat is de constante ondertoon in gezang en gebed in deze Advent. Maar dat verlangen wordt gevoed door dat andere, onstuitbaar weten, dat het goddelijke op ons toe- komt. En onze verwondering daarover. ‘Wie ben jij, dat jij op ons toekomt? ‘En dat leidt tot dat andere lied, dat we als Adventslied kozen; ‘U maakt ons van grond en vuur’. Wij ontsteken een kaars, maar andersom is het ook waar, dat het vuur ONS verwarmt.  Niet wij maken het kerstgebeuren tot kerstmis, maar hij, die op ons toekomt, de Komende in ons midden.

Hoe denk jij, hoe denken wij over de toekomst van deze wereld?  Daarover kun je een ernstig gesprek hebben in deze donkere dagen. Ieder van ons heeft zijn zorgen, ieder van ons heeft zijn mogelijkheden om de wereld een stukje beter te maken. En laten we niet moe worden te wijzen op de goede dingen die om ons heen gebeuren. Door mensenhanden. Soms door onze eigen handen.

Het Lucas evangelie wijst ons vandaag op de ontmoeting, de hartverwarmende ontmoeting die ons open maakt voor elkaar, en daarin een zaadje van vrede, een zaadje van de nieuwe wereld kan neerleggen. Daarom bidden we in deze dagen voor die ontmoeting met het nieuwe, het verrassende, waardoor en waarin wij zelf veranderen; eindelijk mens zal ik zijn. Het is geloven, en toch…


Inleiding

Het is nog enkele dagen tot Kerstmis. De kerstboodschappen zijn voor een belangrijk deel gedaan, de rust en de activiteit van de kerstdagen zijn al dan niet gepland, de kerstconcerten zitten in onze oren. En wij hier ontsteken hier de vierde kaars, de laatste die onze weg naar Kerstmis vol maakt.

Op deze zondag hoort traditioneel het Bijbelverhaal van het bezoek van de zwangere Maria aan de zwangere Elisabeth. Twee vrouwen, die een kind verwachten, en elkaar daarin bijstaan. Je kunt het een alledaags tafereeltje noemen, en dat is het ook. Maar ook heel bijzonder door de manier waarop Lucas daarvan verslag doet.

De eerste twee hoofdstukken van Lucas horen tot de meest gelezen en bestudeerde stukken van het bijbelse prentenboek in onze traditie. Bijna alle woorden en uitdrukkingen zijn meegedragen in onze geschiedenis en hebben een eigen betekenis gekregen. En zo ook de groet, die Elisabeth uitspreekt. ‘Gezegend zijt gij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht van uw schoot’. Die begroeting heeft haar plek gekregen in het Wees Gegroet, een in de middeleeuwen gecomponeerd gebed, maar tot in onze dagen gebeden. En de betekenis van die woorden gaat ver uit boven die ene historische uitspraak van Elisabeth, ooit gedaan en opgetekend.

Maria komt in dit stukje evangelie niet aan het woord, dat gebeurt pas na deze tekst, daar zingt ze haar Magnificat. Ook die lofzang van Maria heeft een bijzondere plaats veroverd in onze traditie, ze maakt onderdeel uit van het dagelijkse Vespergebed. Vandaag voegen we die zang in als communiezang, als het antwoord van Maria, een extra overweging bij de communiegang.

 

Ren Lantman

 


Dialoog op de 3e zondag van de Advent

Solidaridad

 

ik = Miriam!!: Hé Marianne, mag ik je wat vragen?

Ma: Tuurlijk!

ik: Je lijkt altijd zo lekker duidelijk en zelfbewust. Ik twijfel over van alles: koop ik een tweedehands jas zodat kleding langer in omloop blijft, en dan pieker ik er weer over dat ik hem had moeten laten hangen voor iemand met een kleinere beurs…

Ma: Is het een fijne jas?

ik: knik

Ma: draag hem dan gewoon lekker en geniet ervan! En breng wat anders, dat je niet meer past naar die tweedehandswinkel. Heeft een ander dan weer plezier van!

ik: je hebt gelijk. dat doe ik.  Soms weet je toch echt niet meer waar je goed aan doet. Wat ik eigenlijk wilde vragen; Was onze parochie niet allang fair trade?

Ma: ja, klopt, al een hele tijd

ik: en nu moet er weer wat met cacao!

Ma: Nee, eigenlijk gaat het vooral over educatie van jonge mensen in Afrika om duurzamer te boeren om de grond niet uit te putten. Nu ligt er heel veel grond waar geen cacao meer groeien wil en is er veel armoe. En de jongelui trekken natuurlijk naar de grote stad in de twijfelachtige hoop dat ze daar werk vinden.

ik: terwijl er overal chocolonely verkocht wordt in 12 smaken!

Ma: ja, de vraag naar chocola stijgt nog steeds, maar het aanbod daalt. Vreemd is dat! Jonge boeren kunnen er een goede boterham aan verdienen, als ze leren hoe

ik: dus wat moet ík doen? Méér chocola eten? O, die met karamel en zeezout, díe is toch lekker!

Ma: ja prima hoor, eet maar lekker veel chocola. Zitten ook nog antioccidanten in, maar dan moet je de pure nemen. Als er maar zo’n UTZ embleem op staat zodat je weet dat het rechtvaardige handel is. En misschien toch ook wat extra’s aan die collecte geven

ik: hhh

Ma  Voor die educatieprogramma’s in Ghana en Oeganda. 7000 boeren hebben de opleiding al gevolgd. Als ze grond beplanten, dan mogen ze na een paar jaar boeren, de helft van de grond houden voor eigen gebruik. Hartstikke goed! En ze leren verschillende gewassen te verbouwen zodat ze niet wedden op één kaart!

ik: Was het lang geleden niet: geef ze geen hengel, maar leer ze vissen?

Ma: grinnikt – klopt… dat is een tijd geleden!

ik; toevallig hou ik van chocola én vis!

Ma: en van rechtvaardige handel – en gelijke kansen voor iedereen

ik: “ban de bom” niet vergeten en de Amnestybrief straks!  Weet jij niet nog iemand trouwens die mee liturgie wil voorbereiden af en toe? Lieke gaat echt stoppen …

Ma: Zal ik ’s over nadenken – is ontzettend leuk om te doen toch?

ik: vind ik wel! Altijd interessant om samen in zo’n bijbeltekst te duiken en er wat moois van te maken. Zeker als het ook eens met een andere werkgroep samen is, zoals nu Vrede en Ontwikkeling. Maar Lieke is natuurlijk onvervangbaar!

Ma: Je hebt helemaal gelijk. Maar serieus, die vraag uit het evangelie van vandaag die houdt me toch bezig: wat moet ík doen?  Wat moet ik dóen?

Ik: Nou, niet zoveel piekeren, gewoon erop vertrouwen dat God de dingen die je kunt doen wel op je pad brengt. En als dat zo is, geef ze dan al je aandacht!

Ma: Mooi, die fluit trouwens aan het begin van de viering. Dat is nou iets, wat jij vaker kunt doén!

ik: grinnik En wat moeten we nou met die cacaoboon waar ik al de hele viering mee in mijn hand zit?

Ma Daarmee kun je het verschil maken. Kies je wel of niet voor eerlijke handel? Als je straks ter communie gaat, mag je kiezen aan welke kant van de weegschaal jouw boontje bijdraagt: Wel of geen eerlijke handel?

ik: Okayyy, zit dat zo. Vele kleintjes maken één grote moeten we denken.

 

 

Miriam Westers en Marianne Boselie

 


TER OVERWEGING 1 en 2 dec. 2018             1e  Advent   C        

Thema: Waakzaam vertrouwen              Jer. 33, 14-16         Lc. 21, 25-28.34-36

Nieuw jaarthema: Jaar na jaar samen verder

 

Vandaag, bij het begin van de Advent, start een nieuw kerkelijk jaar. Met als jaarthema, ‘Jaar na jaar samen verder’. Jaar na jaar… dat geeft samenhang aan, continuïteit. Wat nu gebeurt, vandaag en morgen, staat niet los in de tijd, maar is een vervolg van wat er eerder gebeurde. We rijgen als gelovigen de jaren aaneen.

In dit nieuwe kerkelijke jaar gaan we ook met onze pastoor zijn 50-jarig priesterjubileum vieren. Ook daar vormen die jaren, jaar na jaar, één geheel.

Jaar na jaar gaan wij samen verder… samen, dat wil zeggen, met elkaar en met God.

Er klinkt voor de toekomst iets standvastigs in door. En saamhorigheid zal de jaren kenmerken. Hoe alles ook verder zal gaan, we zullen betrokken zijn bij elkaars leven.

 

Blijf te allen tijde waakzaam… zo luidt de aanbeveling. Want zo zeggen Jeremia en Lucas, er is ons redding beloofd. Dus leef in waakzaam vertrouwen. Dat valt niet altijd mee. Jeremia weet daar alles van. Want deze belofte, dit woord van de Heer, bereikt hem terwijl hij in de gevangenis zit, terwijl de steden in zijn land kapot zijn. En als Lucas zijn evangelie schrijft is de tempel in Jeruzalem verwoest, zijn de mensen angstig en hebben het moeilijk… En toch geloven ze erin, Jeremia en Lucas… er zal een betere tijd komen…

 

Zelf zitten we in het jaar 2018. Wat staat ons te wachten, hoe is het in onze tijden en wat brengt ons de toekomst? Hoe ervaren we onze tijd? In de krant vind je de problemen terug. Een schandaal in de wereld van de gezondheidszorg, rond implantaten, de handelsoorlog tussen de VS en China, conflicten en onrecht op vele plekken in de wereld…

 

Dicht bij huis discussie rond de figuur van zwarte Piet, omgeven door demonstraties en ook geweld. En dat bij ons zo geliefde feest van Sinterklaas. Helemaal niet racistisch bedoeld. Toch soms zo ervaren. Helaas. Belangrijk is het nadenken over de oorzaken van de pijn, die hier naar voren komt. Zoals de situatie nu is kan het niet anders dan dat er in de samenleving wordt gezocht hoe we Sinterklaas samen kunnen vieren, zonder mensen te kwetsen. Dat is onontkoombaar geworden. Maar, als het de tijd krijgt, groeit er wederzijds begrip… de eerste tekenen daarvan zijn er volgens mij wel al te zien… Jaar na jaar zullen we samen verder moeten in ons land, als mensen van diverse komaf, in alle kleuren die de mensheid kent…

 

Het is begin december. Een donker jaargetijde, letterlijk. De winter komt er aan, maar de eerste sneeuwklokjes - op een bepaalde vaste plek in onze tuin - bloeien al. Zoals elk jaar. Ook hier een teken: een voorteken dat er na de winter die komt weer een nieuw groeiseizoen aanbreekt, ook al heeft het zonnige en te droge jaar ons ook wat ongerust gemaakt… Wat zien we om ons heen?  Waar wordt ons leven en ons gemoed door bepaald? Mislukkingen en problemen zouden ons somber kunnen maken. Want de dingen lopen niet altijd zoals we gedroomd hadden. Maar dan is het zaak de andere kant op te kijken, te kijken waar iets nieuws groeit – waar de vroege sneeuwklokjes van onze samenleving hun bloemetjes openen - en zelf ook opnieuw te beginnen en te kiezen voor een weg naar het licht.

Het zou mooi zijn als we daarbij elkaar zouden kunnen blijven helpen. Dat we als gelovigen samen verder zouden kunnen gaan, dag na dag, jaar na jaar. En dat kan denk ik op velerlei wijzen. Praktische hulp bieden, naast mensen staan die het moeilijk hebben, thuis of in communie- of vormselproject kinderen meenemen op onze gelovige zoektocht. Ontmoetings- en gespreksmomenten creëren en telkens weer vieren wat het leven ons biedt, in huiselijke kring of in onze weekendvieringen. Verdriet en vreugde delen met medeparochianen, met familie en buurtgenoten…

 

Wat is er nodig om steun van anderen te ervaren, wat is er nodig om ondanks alles wat er gebeurt op God te blijven vertrouwen en het leven aan te kunnen? Zijn er nieuwe manieren te vinden om inspiratie op te doen, wegen om met elkaar de toekomst in te gaan? Nu de Advent begint is het zaak om goed om ons heen te kijken en de mogelijkheden te zien. De roos van Jericho in de liturgische schikking in de kerk heeft het in zich om van een dor bolletje te veranderen in een groene plant. Wij ook!! Van grond en vuur zal Hij ons maken… We gaan het zien…!

 

Elly Bus-Linssen

 


DAT MENSEN TOT HUN RECHT KUNNEN KOMEN weekend 17 en 18 nov 2018

 

Niet zomaar een loze slogan maar een adagium geworteld in onze geloofsgemeenschap. Als klein meisje heb ik deze wijsgerige spreuk jarenlang aan de muur hier rechts naast mij aanschouwd. Een spreuk die ik heb meegedragen in de uitdagingen in mijn leven, zonder te pretenderen hier feilloos in te zijn.

 

Als iemand tot zijn recht kan komen, kan diegene volwaardig meedoen in de samenleving. Wat is er nodig om iemand tot zijn recht te kunnen laten komen? Om volwaardig te kunnen meedoen?

 

Ik denk terug aan één van de eerste huisbezoeken als wethouder. Een bezoek aan die jonge moeder van begin 20 hier in Sittard-Oost, weggestopt driehoog in één van de flats die dit stadsdeel rijk is, gordijnen midden op de dag dicht, kindje op de bank. Een schuld van ongeveer een ton. Hoe heeft dit zo allemaal kunnen gebeuren? Hoe kunnen wij het verschil maken zodat zo’n jonge vrouw perspectief heeft en weer volwaardig kan meedoen, alleen al omwille van dat kleine kind op de bank?

 

We hebben in vele jaren een systeemwereld gecreëerd die het doorbreken van deze neerwaartse spiraal bemoeilijkt.

Het verbindend leiderschap dat de laatste jaren in opgang is gekomen, streeft naar een andere houding en een ander gedrag, vanuit de leefwereld, de mens centraal stellend, in plaats van de regeltjes. We hebben echter nog een lange weg te gaan, immers vaste patronen doorbreek je niet over één nacht.

 

Hoe vormen we als samenleving een fijnmazig netwerk waar niemand doorheen kan vallen. Hebben we oog voor elkaar, signaleren we vroegtijdig problemen, maken we bespreekbaar en bieden we de handreiking die iemand nodig heeft?

 

In de voorbede zullen we in gebed uitspreken dat we om ons heen kijken en praktische hulp bieden aan mensen die dat nodig hebben. Een kleine moeite, maar groot plezier, toch?

Maar niet alleen in woord belijden maar ook in daad omzetten, blijkt vaak o zo moeilijk. Hoe bekwamen wij ons in de ander recht doen?

 

Ik bemerk dat ik u alleen maar vragen voorleg zonder er de antwoorden aan toe te voegen.

De overheid probeert ook antwoorden te vinden voor deze opgaven. Onder de noemer: Iemand in zijn kracht zetten.

Maar is het niet al te gemakkelijk als samenleving om achterover te leunen en te wachten op het antwoord van de overheid?

Het is een opgave die we gezamenlijk ter hand moeten nemen.

Ligt in deze diaconale opgave niet ook de toekomst van deze geloofsgemeenschap?

 

Begint het niet met ieder van ons onbevooroordeeld de ander te bezien en tegemoet te treden? Te kijken naar waar de kracht, het talent van de ander ligt?

 

Een droom die we proberen werkelijkheid te laten worden voor de ca 700 basisschoolleerlingen in Sittard-Oost. Hun talenten te laten ontdekken en ontwikkelen, ongeacht hun thuissituatie.

De drie samenwerkende basisscholen de Baandert, Sjtadssjool en de Tovertuin willen de leerlingen in staat stellen zich te ontwikkelen tot kansrijke en gelijkwaardige medeburgers, die zelfbewust en maatschappelijk betrokken deelnemen aan de samenleving.

 

Het idee is om vanuit school een talentenprogramma te ontwikkelen, maar dan in samenwerking en in verbinding met de samenleving.

Het moestuinproject in samenwerking met de moestuinvereniging hier aan de Schubertstraat is een mooi voorbeeld. Zo leren over gezonde voeding.

De samenwerking met de Fanfare Broeksittard waardoor op laagdrempelige wijze kinderen, die vanuit de thuissituatie dit niet zo snel meekrijgen, in aanraking komen met cultuur.

De kinderwijkraad waarbij de kinderen bewust worden dat zij zelf ook regie kunnen nemen over hun eigen leefomgeving.

Of de samenwerking met de seniorenvereniging Sittard Stad, waarbij kleine groepjes kinderen deelnemen aan de activiteiten voor de senioren.

De gezamenlijke gymles van de leerlingen samen met opa of oma. Jong en oud samen.

Mooie initiatieven die naar de toekomst toe verder uitgebouwd zullen worden om een heel schooljaar dekkend programma van gezonde voeding, gezonde leefstijl en gezond meedoen te kunnen aanbieden aan de leerlingen.

 

Een mooie droom waar ik graag vrijwillig mijn kennis, kunde en ervaring aan ter beschikking stel om deze droom werkelijkheid te kunnen laten worden.

 

Het is mijn manier, door hier een steentje aan bij te dragen, om volwaardig meedoen betekenis te geven. Maar hoe klein of hoe groot het initiatief ook mag zijn, denk aan de actie voor de voedselbank waar u vandaag een bijdrage aan kunt doen, het begint met een eerste gebaar, een eerst stap. Wat is uw manier om aan volwaardig meedoen betekenis te geven?

 

Ik ga er graag na de dienst met u verder over in gesprek. Want duidelijk is dat er niet één maar vele manieren zijn om betekenis te geven aan volwaardig meedoen.

 

Dat mensen tot hun recht kunnen komen!

 

Astrid Verblakt

 


OVERWEGING               Allerheiligen 2018

 

Wij allemaal vragen ons misschien wel eens af: wie zijn toch al die heiligen?

Zojuist in de lezing wordt een  tipje van de sluier opgelicht.

Heiligen, dat zijn degene die komen uit de grote verdrukking,

die hun gewaden hebben witgewassen in het bloed van het Lam.

Maar hoe zouden we die woorden moeten vertalen in deze tijd?

Daarover zomaar  een paar gedachten:

Wij, de heiligen van vandaag, komen uit een – zoals het er staat – een grote verdrukking. De kerk ligt in een soort verdrukking.

Het lijkt er op dat vele mensen weinig of niets meer met de kerk te maken willen hebben.

De gedachten van Paus Franciscus, dat de leiders, de geestelijkheid, de geur van hun schapen zou moeten hebben. Daar zijn vele leden van die kerk het  NIET mee eens!  Het lijkt erop, dat de leiders van de kerk hun schapen helemaal niet kennen. Ze weten misschien  niet eens meer hoe hun geur zou moeten zijn.

Maar ook is er toch nog steeds een grote groep, die wel tot die schaapsstal willen behoren en zich als zodanig gedragen.

Met de velen vervreemden blijven velen we achter op grote afstand.

Anderen willen niet meer besnuffeld worden.

De leiders weten  niet meer hoe ze die schapen moeten benaderen.

Die schapen voelen het niet als een verdrukking en vragen zich  af:

Wat missen we eigenlijk?

Waarom zouden we zoiets doen, als ons gewaden wassen  tot witte gewaden wassen. Dat wassen moet dan ook nog weer doen in een bloed van een onschuldig lam!

Wat betekend dit nog ruiken naar “mijn” schapen? Begin 2003 ben ik in deze parochie beland en de Frans Wiertz gevraagd een stel van zijn Schapen, die leefden in de Vrangendael te besnuffelen.  Daarvoor ben ik priester geworden. Om zoals Paus Franciscus schreef, dat ik de geur van die schapen te hebben.

Het is misschien een raar woordje van het evangelie van zojuist:

Maar Jezus zei ook het “zalig zijn”, maar dan moet  ik toch ook meteen denken aan de betekenis van het woordje: ZALIG.

Voor mij is dat van zeer grote betekenis:

Ik vind het geweldig als ik me op  een gegeven moment “zalig” voel.

Dan voel ik  me graag: getroost / of zachtmoedig, of hongerig en dorstig naar gerechtigheid,  dan ben ik graag barmhartig.

En als ik dat getroost zijn, of zachtmoedig zijn, of vol gerechtigheid zijn en dan ook nog eens vol barmhartigheid . . . . .  dan ben ik al meteen een onderdeel van Gods liefde die dan in me leeft. Dan ben ik ook meteen een andere Jezus, die in mijn leeft.

Dan durf  ik te zeggen dat ik de geur heb mogen herkennen van velen die zich met mij ooit zullen verheugen en juichen, want groot is ons loon in de hemel aldus Jezus woorden.

 

Piet Verhagen 

 


 TER OVERWEGING 27/28 oktober 2018.

 

In het verhaal dat we net hoorden, staat Bartimeus, de blinde man, centraal. Of was hij niet echt blind, maar ziende blind? Gaf Jezus hem niet het daadwerkelijke zicht terug, maar een nieuw inzicht in zijn leven?

Ziende blind. Een vreemde term eigenlijk. En toch, zo vaak zien we dat om ons heen. In de grote wereldpolitiek, waar Trump en andere macho's (en helaas ook wat macha's) niet willen zien dat de klimaatverandering daadwerkelijk plaatsvindt, niet willen zien dat drugsslachtoffers uit de weg ruimen niet dé oplossing biedt, niet willen zien dat samenwerking in Europa daadwerkelijk al meer dan zeventig jaar voor vrede zorgt. Ziende blind, In onze eigen kerk, waar we te vaak hebben gehoord over onrecht, rijkdom vergaren en misbruik waar men van bleek te weten. Ziende blind, zijn we dat zelf ook niet zo nu en dan in eigen kring? De kring van gezin, werk of eigen parochie? Ongetwijfeld, we hebben er allemaal wel eens last van. Ons stokpaardje berijdend, argumenten of leed van anderen negerend. We zijn allemaal soms bar- of bat-Timeus, zoon of dochter van deze Timeus. De naam betekent overigens Hij die God met trots vervuld. Maar soms even niet dus...

 

Of Bartimeus in het verhaal daadwerkelijk blind is, of ziende blind, laat ik in het midden. Ikzelf geloof in wonderen, maar of hij daadwerkelijk blind was maakt niet uit, hij zíet weer nadat Jezus zijn vraag beantwoordde, en zijn hoop op genezing laat zien dat wie vraagt, gegeven wordt. Het is de Hoop die centraal staat in dit mooie stukje bijbeltekst. En hoop, daar kunnen we allemaal  nooit genoeg van krijgen! Hoop: kijk in onze eigen stad! Loop de basiliek in Sittard binnen en je ziet duizenden tegeltjes, waarvan een groot deel juist dit woord centraal stelt, hoop op geluk, op genezing, op ja, waarop niet? Het is wellicht het belangrijkste woord uit ons leven! 

Het zou mooi zijn, later op ge dag voor onszelf te zoeken naar een antwoord op Jezus’ vraag: Wat wil jij dat ik voor je doe?...

Hoop is ook het centrale woord in de eerste lezing, waar een volk dat weggevoerd is en ernstig lijdt onder vreemde knoet, blijft hopen op terugkeer naar de eigen plek. Een plek waar men vrij is, onder andere om hun eigen God te mogen aanbidden en hun eigen gebruiken en rituelen te mogen handhaven.

Charles Peguy, de schrijver/dichter die honderd jaar geleden stierf in die verschrikkelijke eerste wereldoorlog, waarvan we binnenkort herdenken dat ze honderd jaar geleden eindigde, heeft God zelf laten zeggen hoe belangrijk die hoop is. Ik lees u zijn tekst voor in een moderne vertaling

Wat me het meest verwondert, zegt God, is de hoop.


Geloof, dat verwondert me niet. 

Ik ben overal zo zichtbaar aanwezig,
in de zon en de maan en de sterren aan de hemel
en in 't gewemel
van de vissen in rivieren,
en in alle dieren,
en in het hart van de mens, zegt God,
dat het diepste is,
en het meest in het kind
dat het líefste is
dat ik ooit heb geschapen.
In alles wat boven en onder is
ben ik zo luisterrijk aanwezig,
dat geloven, zegt God, in mijn ogen
geen wonder is.

Ook liefde verwondert me niet, zegt God.
Er is onder de mensen zoveel verdriet,
soms niet te stelpen,
dat je toch vanzelf ziet
hoe ze elkaar moeten helpen.
Ze zouden wel harten van steen
moeten hebben als ze voor een
die tekort heeft het brood
niet uit hun mond zouden sparen.
Nee, liefde, zegt God, dat verwondert me niet.

Maar wat me verwondert, zegt God, is de hoop.
Daar ben ik van ondersteboven.
Ze zien toch wat er in de wereld allemaal omgaat
en ze geloven
dat het morgen allemaal omslaat.
Wat een wonder is er niet voor nodig
dat zij dat kleine hoopje hoop
nooit als overbodig
ervaren
maar met voorzichtige gebaren
in hun hand en in hun hart bewaren,
een vlammetje dat keer op keer weer wankelt en dreigt neer te slaan
maar altijd weer weet op te staan,
en nooit wil doven.
Soms kan ik mijn eigen ogen niet geloven.

Geloof, hoop en liefde zijn als drie zussen.
Hoop is een heel klein meisje van niks.
Zij stapt tussen de twee vrouwen
en iedereen denkt: die vrouwen houden
haar bij de hand,
die wijzen de weg.
Maar daarvan heb ik meer verstand,
zegt God, ik zeg:
het is dat kleine meisje hoop
dat al wat tussen mensen leeft
en al hun heen en weer geloop
licht en richting geeft.
Want het is dat kleine meisje hoop
- je ziet het zwak zijn, bang zijn, beven,
je denkt soms dat het zo onooglijk is -
het is dat kleine meisje hoop
dat de mensen zien laat, zien soms even,
wat in het leven mogelijk is.

Enkele jaren geleden, in Bulgarije, kochten we dit eenvoudige icoontje. Volkskunst, waarop de Heilige Sophia is afgebeeld, met haar drie dochters: fides, spes en caritas. Geloof, Hoop en Liefde. Centraal staat ook hier de dochter Hoop. Een mooi beeld, misschien niet voor niets een beeld van vrouwen, waar we het in deze wereld toch vooral van moeten hebben de komende eeuw denk ik.

En tekenen van hoop zijn er, zoals kortgeleden de Nobelprijs voor de vrede, die naar mensen ging die juist de gekwetste, gemartelde en verkrachte vrouwen ondersteunen en níet naar zogenaamde vredesactivisten die alleen voor de bühne en de media bezig zijn.

Maar willen we de wereld veranderen, dan is de slogan niet voor niets: verbeter de wereld, begin bij jezelf! De beste en meest duurzame tekenen van hoop moeten toch echt van onszelf komen. Ieder van ons, op zijn of haar eigen plek kan hier aan bijdragen. De hoop is ook hier een centraal woord. Laten we daadwerkelijk proberen niet ziende blind te zijn in ons eigen leven, en de hoop weer centraal stellen. Ja, ook de hoop op vrede, maar vooral de hoop op rechtvaardigheid, in kerk, wereld, gezin. Deels zijn wij onze eigen toekomst! Dat betekent dat we ook mogen zien wat goed gaat. Laten we niet alleen kijken naar wat fout is (daar moeten we natuurlijk óók naar blijven kijken!) maar laten we bovenal ook blij zijn om het goede en de hoop uítstralen dat we het samen nog beter kunnen maken. Dán zullen we een kerkgemeenschap zijn die, wetend dat we onvolmaakt zijn, en ja, soms zelfs ziende blind, mensen meer en meer uitnodigt om mee te vieren dat we sámen gemeenschap zijn, in geloof, hoop en liefde. De daden zullen dan de goede voornemens vanzelf volgen...

 

amen

 

Peer Boselie

 


TER OVERWEGING        20 / 21 okt. 2018                             Jes. 53,10-11 Mc. 10, 35-45

29e zondag d h j B                           Thema: Niet gediend worden, maar dienen.              

 

 ‘Niet gediend worden, maar dienen’. Een beetje een ouderwets woord: dienen. We kennen wel het woord dienst, in diverse betekenissen. En het woord ‘dienaar’ bv. bij ‘misdienaar’ of ‘gerechtsdienaar’. Maar ‘dienen’ in de betekenis van als ondergeschikte iets uitvoeren, dat zeggen we in ons gewone leven niet zo gauw meer. Toch is het een belangrijk woord. In het leven van Jezus staat het centraal... Ook de lezing uit Jes. 53 gaat over een dienaar: het is een tekstgedeelte dat tevens op Goede Vrijdag gelezen wordt. Het boek Jesaja is een wat raadselachtig boek... De tekst bevat weinig gewone verhalen, en veel poëzie: in betogen, profetieën en liederen. Enkele liederen gaan over de knecht, de dienaar van de Heer, een figuur in wie we veel kunnen herkennen van Jezus. Iemand die lijdt omwille van anderen. Iets wat God van hem vraagt.

 

Het woord dienaar, knecht. Waar denk ik dan aan? Wanneer gebruiken we het woord knecht...? Bij het woord wielerknecht bijvoorbeeld... Een wielerknecht moet zo koersen dat de kopman het gemakkelijker heeft, zodat die misschien kan winnen. Het is een rol die hem toebedeeld wordt op basis van een inschatting van de ploegleider. Een tijdelijke rol. De knecht zal waarschijnlijk streven naar meer, die zal liever zelf in de gele of roze trui op het podium staan, maar dat zit er op dat moment blijkbaar niet in. Het is een knechtschap dat de hele wielerploeg vooruithelpt, maar tegelijk ook het doel heeft dat de knecht er zèlf beter van zal worden. Dat laatste geldt niet voor de knecht in het boek Jesaja. Die, zo staat er, ‘werd gefolterd, maar hij onderwierp zich; hij heeft zijn mond niet geopend, zoals een lam dat naar de slacht wordt geleid.’ Hij werd ‘geminacht en gemeden en als niet de moeite waard beschouwd.’ ‘Hij werd doorstoken vanwege onze opstandigheid, vanwege onze zonden werd hij gebroken. Hij werd gestraft; ons bracht het vrede, en dankzij zijn striemen is er genezing voor ons.’ Aldus het boek Jesaja (en enkele eeuwen vóór Jezus er was is dit geschreven). De knecht laat het dus allemaal gebeuren en verzet zich niet. Onmogelijk te begrijpen, dat vindt Jesaja ook. Maar deze dienaar van de Heer gaat toch niet ten onder, nee uiteindelijk wordt hij hoog verheven...  de overwinning is erop gericht dat hij zo velen recht verschaft.

 

Wie is bereid slavenwerk te doen? Vrijwillig nog wel...! Het is niet het eerste waar de leerlingen van Jezus aan denken... Zelfs na een derde aankondiging over het komende verraad en het lijden van hun meester denken Jakobus en Johannes meer aan eer en glorie voor zichzelf... Ze vragen Jezus om de ereplaatsen naast hem te mogen innemen... (Mc. 10, 35-45). Ze zijn blind voor wat er echt aan de hand is...

 

En waartoe zijn wij bereid? Hoe zien wij de wereld waarin we leven. Wat is onze rol? Wat kan onze taak zijn...? De kerk waartoe wij behoren heeft niet bepaald voorgeleefd wat van haar verwacht mocht worden... Machtsstructuren belangrijk vinden en hooggeplaatste personen beschermen en misbruik in een doofpot stoppen, het is juist tegengesteld aan de evangelische boodschap. Dat moet anders... maar laten we dan bij onszelf beginnen en hier ter plaatse op een andere manier kerk proberen te zijn, een kerk die recht en gerechtigheid en naastenliefde in haar vaandel draagt. Dat vraagt iets van ieder van ons, het geldt voor elk individu, het is een opdracht voor ons allen samen als geloofsgemeenschap.

 

‘Wie van jullie de eerste wil zijn, zal ieders dienaar moeten zijn.’ Wat betekent dat? Dat is natuurlijk afhankelijk van de situatie, van de persoon en van het moment, van de tijd en de plaats... Dienstbaar zijn kan verschillende vormen aannemen. Het kan een vrije keuze zijn: vrijwilligerswerk doen bij een stichting of vereniging of in de parochie, collecteren voor het goede doel, al wandelend zwerfafval opruimen. Het kan ook door omstandigheden als onontkoombare plicht op je pad komen... Mantelzorg bieden kan zeer intensief worden: vele uren beschikbaar zijn, mee uithouden wat de mens naast je meemaakt, eigen wensen tot later datum parkeren... Aanvoelen wat diegene nodig heeft. Het perspectief op enige toekomst open houden, een positieve kijk gaande houden, iemand daarin steunen omdat het hem of haar zelf nu niet lukt. Wie dat probeert voelt ten diepste wat het betekent om dienstbaar te zijn. Het is zwaar, het kost wat... En wat de rol aan de andere kant betreft: wie zelf juist hulp nodig heeft kan in sommige gevallen ook dienstbaar zijn door de hulp te waarderen, door de ondersteuner een eigen leven te gunnen en samen na te denken wat kan helpen om het leven voor beiden te vergemakkelijken.

 

‘Niet gediend worden, maar dienen’... Het is geen eenvoudige en geen vanzelfsprekende zaak... Kunnen we dat? Willen we dat?  Aan ons allen de vraag: Wie wil ik zelf zijn?

 

Elly Bus-Linssen


TER OVERWEGING          6/7 okt.  2018        Gen. 1, 26-31; 2, 1  Luc. 3, 10-14.18

Thema: Zorgen voor de aarde          

            

Op deze dag net na 4 oktober, de feestdag van de heilige Franciscus, die de natuur en mens en dier liefhad, denken we na over onze verantwoordelijkheid voor de aarde. We lezen in Genesis dat God zei: ‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.’

Heerschappij voeren over alles wat leeft op de hele aarde, dat is nogal wat. En er staat: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag.’

Dat heeft de mens gedaan zou je kunnen zeggen... Er zijn nu veel mensen op aarde, die allemaal hun rechten hebben en de wereldbevolking is nog steeds groeiende. De invloed van al die mensen - zoals ze nu leven - op die schepping, op milieu en klimaat is zo enorm dat duidelijk wordt dat er iets moet gaan veranderen. Hoe en wat precies is punt van discussie. Belangen zijn verschillend, gemakkelijke oplossingen zijn er niet.

Paus Franciscus besloot in de zomer van 2015 elke eerste dag van de maand september voortaan voor de gehele katholieke Kerk te bestemmen tot speciale gebedsdag voor het milieu. ‘Wereldgebedsdag voor de schepping’.  Vorig jaar hebben we in onze parochie de hele maand september in dit kader tot ‘Season of creation’ - maand van de schepping bestempeld. Je zou het thema van dit eerste oktoberweekend als een vervolg hierop kunnen beschouwen. Het bord ‘Season of creation’ stond in het weekend daarom ook weer in onze kerk.

In de encycliek ‘Laudato Si’ die ook in 2015 uitkwam, gaat paus Franciscus uitgebreid in op de klimaatverandering en andere ernstige milieuproblemen. Het gaat om verschijnselen die door onverantwoordelijk en egoïstisch gedrag veroorzaakt worden, aldus de paus. Gelovigen mogen daarop niet met onverschilligheid reageren. Wij zijn verbonden met de gehele schepping en ‘vormen met de andere wezens van het universum een waardevolle alomvattende gemeenschap’.

Broeder Aloïs van Taizé zei een jaar of twee geleden in een toespraak het volgende hierover: ‘De aarde behoort toe aan God, de mensen hebben haar ontvangen als een geschenk dat van hun allemaal is. Zij is ons gemeenschappelijk huis en zij lijdt vandaag de dag. De ontregelingen van het klimaat hebben als gevolg dat veel mensen gedwongen zijn hun woonplaatsen te verlaten. De overdreven ophoping van materiële goederen doodt de vreugde en houdt afgunst in stand. De eerste slachtoffers van ecologische rampen zijn vaak de allerarmsten. Onverschilligheid mag geen plaats krijgen in het licht van deze ecologische verwoestingen:

Het geluk bevindt zich daar waar gekozen wordt voor een eenvoudige levensstijl, waar niet alleen voor winst gewerkt wordt, maar ook om zin te geven aan het bestaan, daar waar gedeeld wordt, waar iedereen bijdraagt aan een toekomst. Ja, het uitdrukken van onze solidariteit met de hele schepping is ook een manier om vrede te zoeken. De aarde kent haar grenzen, mensen moeten daarom ook hun eigen grenzen erkennen.’

Als Fairtrade kerk proberen we zelf ook een steentje bij te dragen. Bianca Kruitz (Mondiaal Beleid) heeft ons in dat kader op zondag verder laten nadenken over het werken aan 17 werelddoelen. Welk doel is het belangrijkste? En welk het minst belangrijk? Of hangt het toch allemaal samen?

En we willen ons op de thematiek van het zorgen voor de aarde niet alleen bezinnen maar ook bidden voor Gods schepping: omdat wij erkennen dat zij kwetsbaar is; omdat God van ons verlangt dat wij van onze gekwetste aarde opnieuw zijn vruchtbare en gastvrije thuis maken. Laten we daar samen - ieder op onze eigen manier - iets aan doen...!

 

Elly Bus-Linssen

 


TER OVERWEGING 26e z.d.h.j., 29-30 sept. 2018.

Lezingen: Num. 11,25-29; Mc.9, 38-43; 45. 47-48.

Thema; ‘ontvankelijk’.

 

Het oude verhaal verbinden met de actualiteit, dat is de opdracht voor ieder, die op deze plaats de Bijbelverhalen wil vertalen naar de moderne tijd. En soms is dat heel lastig, en lijken die verhalen ver weg, niet voor ons bestemd. En soms zijn ze zo verrassend actueel, dat je er nauwelijks over durft na te denken, zoveel roepen ze in je wakker. En dat laatste is zeker het geval, wanneer ik het evangelie van vandaag probeer te verbinden met wat wij als gelovige christenen heden ten dage meemaken. Maar uiteraard is dat persoonlijk, al hoop ik dat u er als medegelovigen iets van herkent.

Dat evangelie van vandaag bestaat eigenlijk uit twee onderdelen; het eerste is een uitnodiging tot gastvrijheid, het tweede bevat een fikse waarschuwing. Beide elementen geven ons stof tot nadenken, over hoe wij ons als christenen in deze wereld zouden moeten gedragen. Zouden moeten, het blijft altijd een uitnodiging, die ons oproept daarvoor ontvankelijk te zijn. Ontvankelijk; bereid om te ontvangen, open te staan voor het nieuwe, en in ons geloof nieuwe wegen te beproeven.

Wat het eerste deel betreft is de situatie duidelijk. De apostelen ontdekken, dat er iemand is die niet tot de vertrouwde kring van de volgelingen van Jezus behoort, en toch goede dingen doet aan de medemens. En ze vragen Jezus om maatregelen om daar tegen in te gaan. Maar hij wijst hen terug; belet het niet, want ‘wie niet tegen ons is, is voor ons’. Sterker nog; als jouw goede werken worden erkend door mensen van buitenaf, dan verdienen ze daarvoor wat hen toekomt.

Voor mij raakt die woordenwisseling aan de actualiteit van een diep insnijdend debat in onze samenleving; wie horen er bij ons, en wie niet? Ook in de geloofswereld lijken die grenzen ons steeds weer te verlokken tot duidelijkheid, en buitensluiting. Het is verleidelijk je steeds weer in de eigen binnengrenzen op te sluiten, zoals de apostelen bepleiten. En daar tegenover pleit Jezus voor ontvankelijkheid. Kijk wat er gebeurt, zegt hij; wanneer mensen buiten de eigen kring goede dingen doen aan hun medemens, dan is dat goed; dan hoort dat bij de Goede Boodschap die wij brengen en  het goede dat wij willen realiseren. Sterker nog; als anderen jou erkennen in het goede, dan straalt dat zeker terug op hen zelf.

Waarschijnlijk is dat mooier gezegd dan gedaan. Want de drang tot zelfhandhaving, tot het orde op zaken stellen, zit er diep bij ons in. Onverschilligheid of vijandigheid in de samenleving jegens geloven of gelovigen roept – ook bij mij – een afweerreactie, en vaak boosheid op. Soms is tegenspraak terecht, als er onterechte of onheuse zaken mee in verband worden gebracht. Maar dat kan belemmeren, dat we het goede buiten de eigen kring niet meer waarnemen of op waarde schatten.

En het evangelie laat zien, dat de apostelen niets menselijks ons vreemd is. Zoals in het oude testament al wordt aangegeven, wanneer er mensen zijn – bij name genoemd -, die buiten de gebaande wegen profeteren, d.w.z. iets van Gods grootheid en goedheid willen realiseren. Dat levert altijd discussies op, maar Mozes nodigt degenen, die strikte grenzen wensen te stellen al uit om die grenzen juist te overschrijden en steeds nieuwe wegen tot profetie te zoeken. Kritisch, jazeker, maar ook ontvankelijk voor het goede dat zich meldt. En kijk: in de plaatselijke krant van deze week een bericht over het initiatief van een Zinloophuis. Een initiatief van de protestantse gemeente om van het Gruizenkerkje een ontmoetingsplek te maken voor zinzoekers…..*

Is het eerste deel van het evangelie van vandaag een uitnodiging tot een uitgestoken hand naar buiten, het tweede bevat een grimmige waarschuwing voor ons eigen gedrag, als gelovigen onder elkaar. Grimmig in de beeldspraak; wanneer je hand je ergert, doe er afstand van, wanneer je voet…. Niet alles van de tekst van Marcus – die ook zelf in de bijbel verminkt is gebleven – is voorgelezen om u het ergste te besparen. Maar het belangrijkste is natuurlijk: wat is deze waarschuwing, en hoe moeten we die begrijpen?

Het probleem of de oplossing zit al in de kop van de tekst. In de voorgelezen vertaling staat; ‘Maar als iemand, een van deze kleinen die geloven aanleiding tot zonde geeft’ (Marc.9,42). De vraag is natuurlijk, wat wordt bedoeld met ‘kleinen’ en ‘zonde’. Ook de geleerden zijn er niet helemaal uit. Maar met kleinen wordt waarschijnlijk bedoeld; degenen binnen de geloofsgemeenschap, die zich niet kunnen verweren. Kinderen voorop denk ik, maar ook al degenen, die zich op een of andere manier minder achten dan anderen. En met zonde wordt bedoeld: een schandaal veroorzaken, in diskrediet brengen, letterlijk zelfs; tot afval bewegen. De actualiteit daarvan is niet te ontgaan, ik kan niet anders dan aan al die berichten denken, weer over het misbruik in de katholieke kerk. Een regelrechte vertaling maakt je weer stil; ‘Wie ten aanzien van kleine mensen die zich niet verweren kunnen, een schandaal veroorzaakt…..’

Die niet mis te verstane waarschuwing is door Jezus bedoeld als een aanwijzing, hoe wij als gelovigen met elkaar zouden moeten omgaan. En ik probeer dat positief te verstaan. Oog hebben voor het kwetsbare, je voet bewegen in de richting van degenen, die het nodig hebben, je hand uitsteken naar degene, die je nog maar zo slecht kent. En soms helpt het, als je de evangelietekst een stukje verlengt, en het is me een raadsel waarom dat niet bij de tekst van vandaag hoort. Daar staat bij Marcus – en ik volg de voorgelezen versie – het volgende. “ Ieder zal met vuur gezouten worden. Het zout is iets goeds: maar als het zout zouteloos wordt, waarmee zult ge het dan zijn smaak hergeven? Heb zout in u zelf en leef in vrede met elkaar” (Mc9,49-51). U herkent ongetwijfeld de Bergrede.

Zout is – zeker in de oudheid, zonder koelkast in een warm klimaat – het middel tegen bederf. Wij worden dus aangespoord mensen zonder bederf te zijn, integere mensen. Misschien mag je zelfs vertalen ‘mensen met pit (in hun donder)’ te zijn. En zo in vrede met elkaar. Gastvrij en ontvankelijk wat ons van buiten tegemoet komt en daarin de goede dingen waarderen en onderscheiden. Met oog, oor en voet aanwezig zijn bij ieder die onze aandacht vraagt in deze gemeenschap. Ga er maar aan staan!

Die houding en praktijk van ontvankelijkheid is niet vanzelfsprekend, ook voor mezelf niet. Naast onze povere daden kunnen we er soms alleen maar om bidden. Of zingen, zoals straks in het volgende lied:

“Gij geeft het uw beminden in de slaap. Gij zaait uw Naam in onze diepste dromen.

Gij hebt ons zelf ontvankelijk gemaakt, zoals de regen neerdaalt in de bomen.

Zoals de wind, wie weet waarheen hij gaat, zo zult Gij uw beminden overkomen.”

 

Ren Lantman

 

*interview met ds. Irene Pluim in VIA van deze week.


TER OVERWEGING   23 sept. 2018  50 jaar St. Josephkoor / Mc. 9, 33-37

25e zondag d h j B                           Thema: Zingend bidden                 

 

Het geheim van ons bestaan klinkt door in het lied van de merel... zo schrijft Anselm Grün in zijn stukje ‘Het jubelen van de merel’ (Het grote boek van het ware geluk p. 136). Het gefluit van een merel kan je raken... Muziek kan je raken... een bijzondere uitvoering, een mooie compositie... Zelf meedoen daarin raakt nog weer op een andere manier. En het is niet gemakkelijk uit te leggen wat je precies raakt. Wie zingt in een koor heeft meestal ook wel een eigen voorkeur voor bepaalde muziekstukken... Wellicht raken sommige liederen een gevoelige snaar omdat ze in gedachten gelinkt worden aan een bepaalde gebeurtenis of persoon. Misschien zijn ze gezongen bij een bruiloft of een begrafenis. Het zijn liederen die raken aan het eigen leven.  Als zanger of luisteraar ben je van binnenuit erbij betrokken. En daar waar je van binnen geraakt wordt, kan muziek een gebed worden. Bij het zingen in de eredienst is dat precies ook de bedoeling en is er daarnaast dus tevens tekstueel sprake van een gebed. Een Kyriëlied bijvoorbeeld is een vraag om ontferming, een smeekgebed. Zo is zingen tweemaal bidden. En dat is wat het St. Josephkoor al 50 jaar doet... reden voor een feest...!

 

Een koor is een gemeenschap, zoals ook de groep leerlingen rondom Jezus een gemeenschap was. In zo’n gemeenschap hoor je bij elkaar en heb je eenzelfde doel. Tegelijk beleeft ieder dat op zijn eigen manier. In die groep leerlingen is er ruzie over wie er nou de grootste is onder hen... (Mc. 9, 33-37) Ook in een koor dat 50 jaar bestaat kan het in al die jaren niet altijd koek en ei zijn, zo weet ik vanuit mijn eigen ervaring als koorlid elders... Maar uiteindelijk gaat het om een gezamenlijk iets, het zingen.

 

Augustinus stelt zich in zijn ‘Belijdenissen’ vragen over wel of niet zingen in de liturgie. Mooie melodieën en goede zang kunnen afleiden van waar het om gaat. Maar, zo zegt hij, ‘ik heb ook het gevoel dat onze geest ontvankelijker wordt voor de inhoud van een psalm en meer opengaat voor het vuur dat hem bezielt als hij gezongen wordt, dan wanneer je hem niet zingt.’ Dat lijkt mij een goede reden om zeker wel te zingen... Dan wordt een lied nog meer een gebed.

 

Bidden - je kunt het doen met woorden, gesproken of gezongen, of in jezelf, van binnen, in je hart. Maar welke vorm het ook krijgt, het gaat om reiken naar God, een poging tot ontmoeting met de Eeuwige. Het is verlangen. Bidden is opengaan voor het geheim van het leven,  voeling houden met de bron waaruit jouw leven voortkomt. En als je zingt, dan wordt je bidden gedragen door je adem, je hele lijf resoneert er in mee. Wie zingt uit volle borst voelt het leven in zichzelf... Zingen kan het gebed intenser maken. Zingend bidden kan loven prijzen danken jubelen zijn maar ook een protest, klagen en vragen.

 

Bidden is niet vanzelfsprekend, ook niet voor de leerlingen van Jezus... Kun je wel echt bidden als je eigen ik op de voorgrond moet staan, als je ruzie maakt over wie de grootste is?‘Kijk naar wat er het belangrijkste is...’ Dat is de boodschap die Jezus zijn leerlingen meegeeft. Hij plaatst een kind in hun midden. Kijk naar dit kind... Eenvoudig weg zorgen voor wie dat zelf niet kan, dienstbaar in het leven staan in plaats van proberen om aanzien of macht te krijgen. Elkaar zien staan, oog hebben voor elkaars mogelijkheden.

 

Ook een kerkkoor is in wezen een dienaar, staat ten dienste van het samen vieren, de zang is bedoeld om God te eren en mensen dichter bij God te brengen. Het gaat niet om de prestatie, het hoogste zangniveau of de moeilijkste zangstukken. Het gaat ook niet om het zangplezier ‘an sich’, al komt de zang qua klank ongetwijfeld dichter bij de onderliggende bedoeling als de koorleden enthousiast zijn en graag meedoen. Het zingen dient een hoger doel. Het brengt ons bij God. Net als de merel trouwens... Het is zingend bidden...

 

50 jaar is een lange tijd. Het is allemaal begonnen in Stadbroek, in een ander kerkgebouw dan dit, met veel andere mensen die er nu niet meer zijn... Nog drie leden van het huidige koor zijn er vanaf het begin bij betrokken. In 50 jaar is veel gebeurd in de wereld. En in het leven van mensen hier. De parochie van Stadbroek is gefuseerd, al weer twintig jaar geleden, met de parochie Vrangendael. We vierden dat eerder dit jaar... Het koor is nu ook het koor van Vrangendael. Een jubileum doet je nadenken over die tijd die is verstreken. Een jubileum stemt dankbaar. We danken God voor al het goede dat het koor, het zingen, het samen optrekken en het luisteren naar de koormuziek ons heeft gebracht. Proficiat aan het hele koor en speciaal aan de jubilarissen!

 

Elly Bus-Linssen

 


                   Generaties voor vrede. Oecumenische viering Vredesweek zondag 16 sept. 2018.

 

Lieve mensen

 

Met het thema ‘Generaties voor vrede’ zie ik onmiddellijk kinderen voor mij, die als ongewenste vluchteling in tentenkampen worden opgeborgen, of geworteld in een nieuw thuisland weer moeten vertrekken. Ik zie ouderen voor mij, die niet anders konden dan de kans wagen en soms al in de overtocht naar een nieuw land strandden voor de kust.. Ik zie jonge mensen voor mij, die verlangen naar een betere toekomst, met heel wat ervaring en kennis op zak, maar ook met de constante vraag in hun hoofd: vind ik wel ruimte, mogelijkheden?  Ik zie mensen voor mij met zorgelijke, getekende gezichten, want wie wil nu geweld, armoede, oorlog… als een mens geschapen is om de vrede te bewaren..?

 

“Vrede valt pas echt op als het er niet is”. Lidewij van 23 staat met deze uitspraak op een poster van PAX voor deze vredeszondag. En terwijl ik deze zin intyp, kijk ik uit mijn werkkamer de zonnige straat in. Met wat bouwgeluiden op de achtergrond een vredig beeld.

 

Ik kén geen oorlog, ik heb nooit oorlog ondervonden.

Ik heb alleen de verhalen van toen gehoord, van oudere mensen in ons eigen land,

of ervaringsverhalen van mensen uit andere contexten, nu.

Ik hoor en zie de effecten, soms op de hele lange termijn,

maar ik kén ze niet. Ik ken geen oorlog, maar misschien ook wel geen vrede.

Want Vrede valt pas echt op als het er niet is..

 

Ik kán mij ervoor afsluiten, voor het gebrek aan vrede in andere landen. Ik kán mijn ogen sluiten, mijn oren dichtdoen, mijn hart vergrendelen..Ik kán het en meer dan eens veroorloof ik mij deze luxe… Ga ik op in mijn eigen leven. De oorlogen, conflicten, gewapende strijd, al de verschillende partijen en belangen. Het is té veel, té groot..

 

Geloof ik er eigenlijk wel in, dat vrede mógelijk is?

Als ik de brandhaarden zou téllen in de wereld.

Als ik al de hatelijke uitspraken en vastgeroeste beelden van uitsluiting en vervreemding zou meebeluisteren. Als ik bedenk wat mensen elkaar kunnen aandoen..?

 

Een mens is geschapen om de vrede te bewaren, dat is het ideaalbeeld.

Maar wat is de realiteit? Mijn realiteit is niet die van Syrië, of Afghanistan, of van overvolle mensonterende tentenkampen op Lesbos..

 

Wie ben ik eigenlijk om hierover te overwegen, op deze vredeszondag?

Ik leg mijn oor te luisteren bij bijbelse perspectieven en dan is dit misschien wel de vraag die mij vandaag gesteld wordt:  

 

Welke realiteit wil ik zien?

In welke realiteit wil ik betrokken zijn?

 

In het bijbelverhaal dat we vanmorgen beluisterden komt veel emotie naar boven.

De emotie van de vader die zijn zieke/bezeten jongen bij Jezus aanbeveelt. De emotie van de leerlingen die deze jongen al eerder zagen en niet konden helpen (waarom niet Jezus?)

De emotie van Jezus die tegen een muur van onbegrip en ongeloof aanloopt, hebben jullie het nou nog niet begrepen, hoe hou ik dit vol! En dan zijn er nog schriftgeleerden, is er een menigte mensen, is er de jongen zelf en zijn kwade geest, die tekeer gaat..

 

De jongen wordt steeds weer ‘stom’ gemaakt, op de grond gegooid, kan zichzelf niet meer uiten en ontplooien. Een andere, kwade geest heeft hem tot zijn bezit gemaakt..

De jongen is hulpeloos, de vader is machteloos.

 

Deze vredeszondag geeft een heel bijzondere context aan dit verhaal, geeft mij een bijzondere bril waarmee ik deze scene bekijk, die dan niet zozeer gaat over een letterlijke genezing, maar over het uitbannen van kwade geesten, het uitbannen van ongeloof. Het terugwinnen van geloof, of liever gezegd: het terugwinnen van vertrouwen.

 

Al een aantal decennia geleden sprak ook Dorothee Sölle over deze tekst, bij een bijeenkomst over de wapenwedloop in Amsterdam. En zij pakte dit moment uit deze scene: de vraag van de leerlingen: ‘waarom konden wij de boze geest niet uitdrijven?’

 

En dat is ook een heel veelzeggend moment in dit verhaal. De vertwijfeling van de leerlingen. De moedeloosheid ook. Wat jij kan Jezus, dat willen wij ook kunnen. Wat jij teweeg brengt, zouden ook wij teweeg willen brengen.. Wat is er eigenlijk nodig om te kunnen wat jij kunt?

 

Ze wíllen het wel: rust brengen, genezing, kwade geesten uitbannen..maar ze geloven er eigenlijk toch ook níet in, lijkt dit verhaal te willen vertellen.

Ze geloven er uiteindelijk niet in, dat ze het verschil kunnen maken. Dat ze deze jongen op de been kunnen helpen. Dat ze zijn situatie kunnen doorbreken.

 

En ik stel mij zo voor dat er in de discussie met de schriftgeleerden heel veel gepraat wordt, het een en ander beleden wordt,

maar dat de goede moed, het gevoel, het vertrouwen ontbreekt,

omdat de vertwijfeling en de aarzeling, de angst en het tekortschieten de overhand hebben.

 

Een sleutelwoord in deze tekst is daarom, vertrouwen. Het woord dat we zo vaak met ‘geloof’ vertalen, maar in de bijbelse grondtekst beide betekenissen draagt.

 

Er blijkt een tweestrijd te zijn tussen ‘geloof en ongeloof’

of tussen vertrouwen, en er niet meer op (kunnen of durven, of willen) vertrouwen..

 

En de vader van de jongen heeft dit uiteindelijk heel goed door, hoe die tweestrijd bij hem werkt. Hoe die kan tegenwerken en kan tegenhouden..

 

Wanneer Jezus bij de groep komt en vraagt wat er allemaal gaande is, geeft hij eerst het plaatje. Zijn zoon is ziek en de leerlingen konden hem niet helpen.. En de situatie is ernstig, van jongs af aan wordt het kind geplaagd en in extreme situaties gebracht. En vervolgens vraagt hij of Jézus medelijden wil hebben, kun jij hem dan helpen..?

 

Als je gelooft, kan alles… zegt Jezus dan.

 

Zo, dat je het maar even weet..

Dit is misschien wel een van de uitspraken van Jezus die het meest uit de context is getrokken. Als je maar genoeg gelooft, genoeg bidt, dan zul je verhoord worden… zul je genezen, zal jouw situatie veranderen..

Mensen zijn erop stuk gelopen, zijn erop beoordeeld, God is ermee weggezet..

 

Als je gelóóft, kan alles..  Zeg dat maar eens tegen mensen die alle houvast kwijtgeraakt zijn.. en voor wie de toekomst onzeker is..

Alsof oorlog verdwijnt, misere oplost, als je maar gelooft..

 

Toch, als je alle geloof, alle vertrouwen kwíjt bent, kan er niets meer ontstaan,

kan er niets meer groeien, kun je alleen maar verder zinken.

Als je alle vertrouwen kwijt bent, raak je volledig ten prooi aan wat jou in het water en in het vuur gooit. Raak je ten prooi aan kwade geesten, aan geesten van vertwijfeling, angst, verstarring, wanhoop

 

Als je vertrouwen hebt, je vertrouwen weer oefent, dan is er weer toekomst mogelijk. Breekt jouw leven weer open. Kan er weer licht bij jouw duister komen, kan er weer vrede bij jouw onvrede gevonden worden.

 

Voor mij is dat het wat Jezus in deze situatie als belangrijke levensles meegeeft.

En de vader van de bezeten jongen hoort deze les. Maar hij kent zichzelf ook.

Hij weet hoe hij soms even een lichtpunt ziet, maar ook de moed weer kan laten zakken.

Hij weet hoe het vertrouwen hem bij de handen kan afbreken, als hij aangevochten word, teleurgesteld raakt, ziet wat zijn kind moet meemaken. Hij kent de realiteit, die er best somber uitziet, maar wil toch ook blijven hopen, blijven verlangen.. en hij zegt daarom:

Ik geloof! Maar kom mijn ongeloof te hulp!

 

Dat is eigenlijk een heel wezenlijk moment in dit verhaal.

De vader kent zijn beperkingen, zijn menselijkheid

(wat heeft het ook voor zin om je geloviger voor te doen dan je bent. Om de spanningen, de angsten en de twijfel die in je leven te ontkennen)

En hij zoekt daarin de hulp van Jezus.

Het is een schreeuw vol hoop eigenlijk van de vader. Een schreeuw die richting heeft.

En Jezus hoort het

 

De jongen vindt uiteindelijk genezing vertelt het verhaal ons.

De kwade geesten roeren zich nog, maar kunnen niet tegen de gebiedende stem van Jezus op.. En hij nam de jongen bij de hand en liet hem opstaan.

De jongen kan weer volop leven.

 

Maar de vader óók. Hij heeft zijn wanhoop én zijn hoop laten spreken.

Aan het einde van dit verhaal horen we Jezus tegen de vertwijfelde leerlingen zeggen: 

Je kunt dit soort geesten alleen wegjagen door te bidden.

 

Welke geesten kunnen dat zijn op deze vredeszondag?

Vertrouwen wij nog dat vrede mogelijk is?

Dat wij daar aan kunnen bijdragen? Met welk klein initiatief ook.

Staan we open voor de mogelijkheid van vrede?

 

Laten we de verhalen horen en delen van mensen die op ons pad komen

Ons met hen verbinden

laat ons bidden zo groot als de wereld zijn

 

Maar vooral: laat ons roepen als die vader die de hoop niet verloren is,

tegen de klippen op misschien

 

Dat we blijven geloven dat een mens geschapen is om de vrede te bewaren.

Dat we betrokken zijn in Góds realiteit

Dat de geest van vertrouwen ruimte blijft vinden

En dat we niet ten prooi raken aan een geest van onverschilligheid,

Een geest van onmacht, van angst en wraak..

 

Dat we eerlijk bekennen: Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp!

 

Dat we bidden, blijven bidden om vrede..

 

Irene Pluim

 


 

OVERWEGING : 24ste Zond. Jaar B 15 09 2018, zaterdag

Jes. 50, 5 – 9a Marcus 8, 27-35

 

Beste mede gelovigen,


het is natuurlijk helemaal toeval,
maar dit weekeinde heeft deze parochie samen met
de gelovigen uit de Johannus kerk gedacht om
als een gelovig volk van God samen te vieren en
wij hebben dit weekeinde daarom een Oecumenische viering op zondag.
Dit om Jezus grootste wens:
dat we samen EEN zijn, zoals Jezus een is met de Vader!
Naar deze eenheid zijn we al jaren op zoek,
nadat onze wegen uit elkaar zijn gegaan.
Om deze eenheid weer te vinden moeten wij allen er verzekerd van zijn dat
- zoals we lazen in de eerste lezing:
De Heer Jahwe ons bij staat,
want pas dan komen wij op onze zoektocht niet bedrogen uit!
Maar er zijn er onder ons die op Petrus lijken en
daarvan zegt Jezus weer heel duidelijk:
“Ga weg, satan, terug!
want gij laat u leiden door menselijke overwegingen en
niet door wat God wil.”
Jezus geeft ons dan meteen een duidelijk advies als het zegt:
“Wie mijn volgeling wil zijn,
moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en
zijn kruis op te nemen.
En dat kruis is in Jezus woorden:
Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen.
Maar wie zijn leven verliest omwille van Mij en het Evangelie,
zal het redden.
Maar zoals Petrus willen wij toch eerst en
vooral aan onszelf denken en NIET aan Jezus wens!
Zal Jezus wens om samen EEN te worden,
ooit echt onze wens worden . . . . . .
Laten we – terwijl we hier samen met Hem vieren en
hem met elkaar delen –
hier eens even echt over nadenken en
de juiste stappen ondernemen……………………..

 

P.Verhagen



TER OVERWEGING     9 sept 2018              23e d h j   B  
Thema: Ga open       Jes. 35, 4-7a  Mc. 7, 31-37

Af en toe overkomt het een mens. Een hersenbloeding verlamt zijn halve lijf. Vaak is ook de spraak aangetast. Hij wil van alles zeggen, maar er komen alleen maar geluiden zonder betekenis uit zijn keel. Als je zo iemand bezoekt, voel je je machteloos.
Ik bezoek wel eens iemand die door dat lot getroffen is. Hij begint dan heftige klanken uit te stoten en lacht me vriendelijk toe. Zijn vrouw zit iedere dag naast hem. “Hij wil u bedanken” zegt ze, “hij zegt dat hij het fijn vindt dat u komt. Hij kent u nog wel.” zij verstaat hem steeds beter. Niet omdat de zieke beter gaat praten, maar omdat zij steeds beter leert verstaan. Ze heeft genoeg aan minder dan een half woord. Goede luisteraars helpen stommen spreken en doven horen. Ik ken ook iemand die bij een sprakeloze patiënt muziek gaat draaien die hij mooi vindt. Zo communiceren zij met elkaar.

Iemand bevrijden die in een communicatiestoornis gevangen zit, dat is ook wat Jezus doet vandaag. Marcus beschrijft het tot in de details. Jezus neemt de man buiten de kring. Want Hij wil geen sensatie, geen aandacht voor zichzelf. Hij concentreert zich op de zieke. Hij raakt zijn oren aan en zijn tong. Met speeksel. Aan speeksel, vooral ochtendspeeksel werd in de oudheid genezende kracht toegekend. Mijn oma adviseerde nog, als je ergens een wratje had, om er nuchter speeksel op te doen
Jezus geneest, zoals alle genezers in de oudheid, op suggestieve wijze. Door een vertrouw-volle relatie tussen geneesheer en patiënt. Met een bevelend woord: Effeta!  Met een vaderlijk gebaar, vanuit gezag en met gebed. In het besef dat de genezing niet uit eigen kracht, maar van God komt. Marcus ziet het genezen als Gods genade en de genezer als Gods werktuig.  Mijn vroegere exegeseprofessor moest een geopereerd worden. De arts had tegen hem gezegd: Pater, als het fout gaat, heb ik het natuurlijk gedaan. Als het goed gaat heeft God het gedaan.” En toen antwoordde de pater: “Dokter, God heeft uw handen.” Ja, waarom niet. God kan ook de handen van een goede arts hebben. En of er nu genezing komt door behandeling van een arts of een opbeurend compliment, of door een geduldig aanhoren van de klacht, of door een kuur met kruiden of pillen, of door een kusje van mama op de zere knie, het zijn allemaal tekens van God.
Hartelijk contact alleen al kan genezend zijn. Een bezoekje van iemand van de zonnebloem. Aangeraakt worden door warme belangstelling kan doofheid wegnemen en tongen losmaken. “Effeta!” Ga open!

Mensen kunnen op vele manieren doof zijn en stom.
Ze kunnen zó geslagen zijn door het leven, dat ze dichtklappen,  verdoofd zijn van verdriet.
Mensen kunnen zó met zichzelf bezig zijn, dat ze geen oor meer hebben voor een  een ander. Let maar eens op hoeveel gesprekken er mislukken, omdat mensen niet echt luisteren naar wat een ander zegt en steeds over zichzelf praten.
Soms bijten mensen op hun tong en zeggen niets meer, omdat ze overal veroordeling en afwijzing ontmoeten.

“Effeta”, ga open! zegt Jezus. Een verlossend woord. Marcus schrijft zijn evangelie in het Grieks. Het is opvallend dat hij dat ene woordje liet staan in het Aramees. Dat was Jezus' spreektaal. Het kwam ook in de Joodse eredienst voor. Het werd gezegd voordat de Schriftlezing begon. “Ga open!”  Jezus zegt het tot die ene doofstomme, maar ook tot al die andere verstopte oren en verkilde harten.
“Effeta”, in de doopliturgie wordt het nog tot elke dopeling gezegd. De priester raakt dan de oren, de ogen en de mond van de dopeling aan en bidt: Ga open voor het leven. Voor wat het je bieden zal en vragen zal. Voor de mensen om je heen. En voor God die tot je spreekt in zoveel mensen en dingen, maar vooral in de liefde. “Effeta”, een uitnodiging om je te openen. Jij mag er zijn van God. Kom uit je schulp. Jij mag er zijn, ook van mij. Wij mogen Jezus' bevrijdend woord verder spreken. Amen.

Pastoor Frans Delahaije

 


TER OVERWEGING        8 sept 2018                        23e d h j   B        

Thema: Ga open                Jes. 35, 4-7a        Mc. 7, 31-37

Er is iets gebeurd. Je kunt het bijna niet bevatten. Het is te onverwacht… of te groot… of niet te begrijpen… Je slaat helemaal dicht. Je kunt er niet over praten… En woorden van anderen komen niet meer binnen… Misschien herkent u dat... Je bent als het ware doofstom...

Je leest het in de krant of op internet, je hoort het op de radio of tv. Alweer een ramp. Alweer een oorlog. Alweer misstanden in de kerk of de politiek. Je kunt het niet meer horen. Je wilt er geen foto’s meer van zien of discussies meer over voeren. Op slot...

Dat gebeurt soms. En waarom? Je beschermt jezelf. Je kwetsbare kant wil je niet laten zien. Of je bent bang dat je jezelf laat meeslepen in negatieve gevoelens, in pessimisme over de toekomst. De toekomst van jezelf,  van je kinderen of misschien ook wel van ons land of onze wereld. Je pantsert jezelf. Je zoekt het gezellige en prettige deel van het leven op en je houdt je verre van het kwaad en de ellende...

Jezus houdt zich niet afzijdig van de mensen die het moeilijk hebben, zo lezen we in het evangelie. Hij engageert zich. Hij opent zich en laat zich raken. En dan raakt Hij de doofstomme aan... Diens oren gaan open en hij kan spreken...

Hoe kan dit verhaal voor ons van betekenis worden? Is het mogelijk dat wat er via de media verspreid wordt aan noden in de wereld nog bij ons binnen komt? Kunnen we nog geraakt worden door wat mensen om ons heen meemaken...? Door hun vragen en wensen, in woorden of ook onuitgesproken?

Vat moed, God komt om je te redden zegt Jesaja. God wiens naam is Ik-zal-er-zijn voor jou. En ook Jezus is zoals God present. Als je onrustig wordt van alles wat te veel, te moeilijk is... Als je je wilt afschermen, dan kan het misschien helpen om God om hulp te vragen... Opdat er evenwicht komt tussen de zwaarte van het leven en de lichtheid, de vreugde, vrijheid.  Je mag open staan voor beide kanten van het leven! Genieten is niet egoïstisch. Maar daarnaast moeten we open blijven staan. Open, met het evangelie in onze oren... En ontvankelijk en benaderbaar, empathisch en vrij rondkijken in de wereld, in de samenleving, in onze buurt, parochie en familie.

Zo wil ik deze tekst ter overweging laten aansluiten op de laatste zin van de tekst van Meindert Muller van vorige week, zoals die ook staat op onze website: wie een beetje evangelie in zijn oren heeft hoort Jezus zeggen: ‘Allereerst de zwakken. Allereerst de kleinen. Dat ze tot hun recht komen.’

Kijk wat Jezus deed... Kijk hoe hij dat deed: zonder groot vertoon, nauwelijks een woord maakte Hij eraan vuil. Doe gewoon wat gedaan moet worden: open je ogen en je oren en zie de nood om je heen, ga daar niet aan voorbij. Laat je raken, steek je handen uit de mouwen, kom in beweging. En dat niet omwille van jezelf, maar van die ander. Dat is ‘er zijn’, zoals Jezus. Dat is handen en voeten geven aan Gods programma, dat is Gods heilige Naam uitvoeren. Zo kunnen we samen gemeenschap vormen hier in deze parochie. Zo kunnen we bij elkaar horen, het isolement en de eenzaamheid voorbij... Zo kunnen we ook betrokken zijn op mensen elders in de wereld. Dan komen we weer tot leven... De steppe zal bloeien...

Ga open...!

 

Elly-Bus-Linssen

 

 


Preek weekeinde 1 en 2 september 2018

Jacobus 1, 19-27; Marcus 7, 1-8

 

Er was een predikant die zijn tekst niet meer wist te vinden. Die was hem uit handen geslagen door lieden die in zijn kerk het hoogste woord hadden.  Zij preekten de passie, maar de gelovigen moesten op hun kinderen passen.

Er was een predikant die liever zou zwijgen. De preek die hij wilde houden bleef als een graat in zijn keel steken. Niet om wat de media over zijn kerk zeiden en schreven, want dat was waarheid. Niet om de hoon en afkeer die zijn geloofsgemeenschap ten deel viel; die was terecht. Maar uit schaamte over het seksueel misbruik van kinderen en afhankelijke mensen door zoveel dienaren van zijn kerk.

De kerk draagt een loodzware last van ongeloofwaardigheid en het is nog maar de vraag of ze die te boven komt. Preken, mooie woorden,  zullen lange tijd aan ongeloofwaardigheid lijden. Maar zwijgen is ook geen optie; is wegduiken; is wegkijken. Waar vind je woorden die de zwarte realiteit niet verloochenen en toch hoop geven?

En hij dacht: laten we maar eens beginnen met woorden van de man die in zijn verantwoordelijkheid ook onder zware kritiek staat, maar vooralsnog zich kwetsbaar opstelt en vertrouwen verdient. Ik lees u enkele passages voor uit de brief van woensdag 22 augustus van paus Franciscus over seksueel misbruik in de kerk: een “brief aan het volk van God’; een brief aan ons:

In de afgelopen dagen werd een rapport openbaar gemaakt waarin de ervaringen van minstens duizend overlevenden werden beschreven, allemaal slachtoffers van seksueel misbruik,  machts- en gewetensmisbruik door priesters in een periode van ongeveer 70 jaar. Hoewel we kunnen zeggen dat de meeste van deze gevallen tot het verleden behoren, hebben we toch de pijn van veel van de slachtoffers leren kennen.

We beseffen dat deze wonden nooit verdwijnen en dat ze ons dwingen deze gruweldaden te veroordelen en met vereende krachten deze cultuur van de dood te ontwortelen.

De hartverscheurende pijn van deze slachtoffers, die het uitschreeuwen tot in de hemel, werd lang genegeerd, stil gehouden of het zwijgen opgelegd. Maar de schreeuw was krachtiger dan alle maatregelen die haar tot zwijgen wilden brengen en dan beslissingen die een oplossing moesten bieden, maar het in feite nog erger maakten door in medeplichtigheid te vallen. […..]

Met schaamte en berouw erkennen we als een kerkelijke gemeen­schap dat we niet waren waar we moesten zijn, dat we niet tijdig hebben gehandeld en ons bewust waren van de omvang en de ernst van de schade die aan zoveel levens werd toegebracht. We toonden geen zorg voor de kleinen; we lieten ze in de steek.

[…..]

De omvang en de ernst van alles wat er is gebeurd, vereist een alomvattende en gecoördineerde aanpak. Hoewel het belangrijk en noodzakelijk is voor elke weg tot bekering om de volle waarheid te erkennen, dit is op zich niet genoeg.

Waar we in het verleden reageerden met verwaarlozing, moet solidariteit voortaan in de diepste en meest uitdagende zin onze handelwijze zijn in heden en toekomst.’

Een brief aan ons. Wat kunnen wij doen? Hoe machteloos we ons ook voelen bij zo’n ongekend schandaal, we mogen ons niet achter machteloosheid verbergen. Onze parochiegemeenschap maakt deel uit van een kerk die zichzelf in de beklaagdenbank heeft gezet. We kunnen niet doen alsof het ons niet aangaat. Niet bukken en wachten tot de bui overgaat. We zullen actief bij onszelf, en wellicht ook bij anderen, te rade moeten gaan wat ons te doen staat.

Allereerst zullen we onze eigen geloofwaardigheid langs de meetlat van het evangelie moeten leggen. Persoonlijk, en als geloofsgemeenschap. Linksom of rechtsom heeft die geloofwaardigheid zware averij opgelopen door het misbruikschandaal, machtsmisbruik en het  wegmoffelen van misdaden. Wat doen we dan aan het herstel ervan op de plek waar wij kerk van Christus proberen te zijn? In Vrangendael? In Sittard? Kunnen wij daarbij steun zoeken bij anderen?

Hoe weet je dat je op een zuivere – ja, zuivere – manier kerk bent? Hoe weet je dat je God dient op een authentiek evangelische wijze? Jacobus zegt het in zijn brief heel eenvoudig, kernachtig en voor ieder verstaanbaar: Dit is de ware en zuivere manier om God, onze Vader, te dienen: Help weduwen en kinderen zonder vader in hun moeilijkheden. Doe wat God wil, en leef niet zoals de mensen die God niet kennen.’  Wat paus Franciscus zei: ‘solidariteit moet voortaan in de diepste en meest uitdagende zin onze handelwijze zijn’.

Soms is het goed om alle bijzaken, tierelantijnen en ballast radicaal aan de kant te schuiven. Nu blijkt dat het evangelie in zijn kern – de zorg voor de zwakken – op grote schaal binnen de kerk verkracht is, is het zaak ons geloofsleven te herijken aan wat wij onszelf als ijkpunt hebben gesteld: ‘Om mensen gaat het’. En wie een beetje evangelie in zijn oren heeft hoort Jezus zeggen: ‘Allereerst de zwakken. Allereerst de kleinen. Dat ze tot hun recht komen.’

 

Meindert Muller

 



Overweging 21e zondag van het jaar, 25-26 augustus 2018.
Lezingen; Jozua 24,1-2a, 15-17.18b; Joh. 6,60-69.

En Jezus vroeg aan de twaalf; ‘Willen ook jullie soms weggaan?’. Het is een scherpe vraag, die in dit laatste stuk van dit evangelie de aandacht vraagt. Woorden die in onze oren blijven hangen; is het een verontrustende vraag. Zit er  een verwijt in , of worden de leerlingen hier voor het blok gezet; kies je voor mij, blijf dan; kies je niet, ga dan rustig weg. Ik hoor in die vraag nog iets anders; heb je er vertrouwen in, of niet?

Willen ook jullie soms weggaan? Dat zijn woorden, die in de traditie en ook in de prediking hun uitwerking niet hebben gemist. Ik herinner mij een protestantse kerkdienst, die ik lange tijd geleden met een vriend bijwoonde. Als bezinningsmoment op de zondagmiddag, en ook wel uit nieuwsgierigheid wat er zich in mijn toenmalige woonplaats afspeelde aan kerkelijke activiteit. De dominee toen herhaalde die vraag van Jezus en verbond deze vanzelfsprekend met de actualiteit van kerkverlating. Het werd min of meer een donderpreek, waaraan ik niet zo gewend was. Zo kwam de vraag bij mij binnen: willen ook jullie soms weggaan?  Mijn vriend en ik keken elkaar verbaasd aan, eerst geneigd om op te stappen. Toch deden we dat niet, en bleven zitten. We bleven dus.

Achteraf heb ik vaak aan deze woorden en hun verklanking teruggedacht. Waarom ben ik gebleven? Was het uit nieuwsgierigheid? Of uit geestelijke luiheid? Wilde ik gewoon bij de groep blijven horen, die trouw in de kerk blijft komen, wat er ook gebeurt? Ieder van ons kent die overwegingen, en trekt een eigen spoor daarin. Maar ik kan eerlijk zeggen, dat ik gebleven ben, omdat ik steeds meer geboeid ben geraakt door de verhalen en het optreden van Jezus van Nazareth, al is het soms lastig, en maakt hij het ons vaak niet gemakkelijk. Zoals hier in zijn onderhoud met de leerlingen.

Want dit stukje evangelie sluit een hoofdstuk van het evangelie van Johannes af, waarin heel veel beweging zit. De mensen – zo begint het – zijn geraakt door het optreden van die man uit Nazareth, hij heeft hun brood gegeven in overvloed. Ze willen hem daarom tot hun heer en koning maken, maar Jezus zegt resoluut nee tegen alle machtsaanspraken. Hij wil iets anders, en dat legt hij later voor aan de mensen in zijn kerk, de synagoge. We hebben dat andere de afgelopen weken ook bij herhaling gehoord; hij wijst op zichzelf als het levende brood, op zijn eigen leven dus, en daarmee op zijn levensverhaal. Hij wijst op zijn leven ten bate van anderen, in de woorden en in de daden die samen evangelie vormen, bedoeld als een goede boodschap voor mensen en maatschappij van toen. Dat lokt tegenspraak uit, verdeeldheid, en tenslotte die scherpe vraag aan de leerlingen.

Het geeft ons weer te denken. Als het geloven gemakkelijk is, zoals de mensen bij de feestelijke maaltijd van de broodvermenigvuldiging meemaakten, dan is het volhouden daarvan niet moeilijk, dan levert geloven wat op. Of als geloven een sfeer is, waarin je zonder veel nadenken meedoet met de traditie. Maar als geloven tegendraads wordt, omdat je met veel meer facetten van het levensverhaal van Jezus wordt geconfronteerd, dan wordt het lastig. Want zijn woorden vragen om daden, en daar hebben we natuurlijk niet altijd de energie en de mogelijkheden voor. Maar het is wonderlijk, die daden gaan tot op de dag van vandaag door. Ze worden ons ook vandaag weer aangereikt, zoals vandaag in de verkeersmiddelenactie van de MIVA, de ondersteuning van mobiliteit van mensen met een handicap in projecten in de derde wereld.

Maar misschien moeten we ons nu even tot de woorden beperken. Want ook woorden zijn machtig, ze kunnen mensen verbinden met elkaar, maar ook verwijderen. Ze kunnen verzachten, maar ook kwetsen. Ze kunnen een richting geven, maar ook mensen van elkaar afsnijden. Dat is een actueel thema, we kunnen het dagelijks in de media vernemen. En er staat wel degelijk wat op het spel. Welke woorden hebben betekenis? Welke woorden zijn van waarde voor onze samenleving? Hoe kunnen we elkaars woorden begrijpen en verstaan van bedoeld wordt? Datzelfde geldt ook voor ons als gelovige gemeenschap. In welke woorden kunnen we ons als gelovigen herkennen, en welke verbinden ons met elkaar?

Het joodse volk, waarover het in de eerste lezing gaat, was zich terdege bewust van de betekenis van woorden. De schepping kwam immers voort uit dat woord van God; ‘Er zij licht’. De joden hebben in een vroeg stadium de richtinggevende woorden van hun geloven vastgelegd. Wij noemen dat de tien geboden, maar eigenlijk zijn het tien woorden. Tien woorden waarin ze hun verbond met de eeuwige, Ene God vastlegde. Maar wat was het moeilijk om dat vast te houden. Die andere goden leken zo veel meer te beloven, vruchtbaarheid van het land voor alles, geld en macht als het ultieme wapen tot zelfbehoud. En die joodse God die zweeg zo vaak, was niet gemakkelijk grijpbaar, wat was Zijn bedoeling met ons?

 Als je dat in gedachten houdt, begrijp je die lezing uit Jozua. Hij riep de mensen bij elkaar en vroeg hen in alle vrijheid te kiezen; voor de goden uit hun omgeving of voor de God, die hen uit het slavenhuis had geleid, die hen nabij was geweest in de woestijn van het leven, en hun leven tot dan had beschermd. En het antwoord van het volk toen was duidelijk, maar – zo zeggen schriftgeleerden – die oproep om het verbond te gedenken en te actualiseren moest elk jaar gedaan worden. Anders glipten de levengevende woorden in de tijd weg. Wat een actuele levenswijsheid!

En zo moeten we de woorden van Jezus ook verstaan. Woorden die niet gemakkelijk zijn soms, maar bedoeld om ons met hem en met elkaar te verbinden. Niet om mensen te kwetsen of buiten te sluiten, maar juist deel te laten zijn van de gemeenschap van mensen. Woorden, die steeds ons gehoor vragen, en die ons geloof kunnen schragen en onderbouwen, zonder uitsluiting.

De dominee, over wie ik het had, eindigde zijn donderpreek met verlossende woorden. Genomen uit datzelfde evangelie waar Petrus Jezus antwoordt: Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven. Dat is een geruststellend einde, of niet. Want ik blijf er toch bij haken; eeuwig, is dat niet wat veel van het goede? Je moet ze in bijbelse zin verstaan; eeuwig betekent hier – van nu af aan. En dat sluit aan bij de verbondsgedachte. We moeten steeds de woorden van Jezus willen horen om er van te leren, en daarmee de toekomst in te gaan. Woorden die ons verbinden met elkaar binnen en buiten onze gemeenschap. Woorden die troost kunnen bieden en leed verzachten. Woorden die oprichten, en ons de hand doet uitsteken naar elkaar, naar mensen die onze aandacht en daadkracht vragen. En oprecht tegen elkaar zeggen; Vrede zij jou! Vertrouw er maar op!

REN LANTMAN


Ter Overweging 18 en 19 augustus 2018

Thuis komen, voor de meeste mensen een fijn gevoel. Het betekent rust, vertrouwdheid, jezelf kunnen zijn op welke manier dan ook.
Maar misschien betekent het ook nog meer.

Maar mijn huiselijke rust werd door het nieuws wreed verstoord.
Het instorten van de brug in Genua. Al die slachtoffers, al die mensen die niet meer naar huis konden gaan. Of die hun huis kwijt waren.

En toen, dat nieuws uit de VS. Massaal sexueel misbruik door 100den priesters in de staat Pennsylvania. Duizenden kleine kinderen, gruwelijk misbruikt en als voorwerp doorgegeven van de ene priester naar de ander. Toegedekt door de bisschoppen , daders die nooit werden bestraft.

En waar ik bij ‘Genua’ gevoelens had van ontzetting en ongeloof, kwam daar bij het nieuws over het sexueel misbruik door leden van de kerk, nog het gevoel bij van indringende plaatsvervangende schaamte. En ik dacht aan de  Paus.  Hoe hij zijn handen vol heeft aan de ‘lagere instanties’ in zijn eigen organisatie.

Want de Paus spreekt ook over een ‘Hogere instantie’ en de betekenis daarvan voor ons.
Een paar jaar geleden schreef Franciscus zijn encycliek Laudato Si.
Het gaat over het milieu in onze wereld. Hij zegt daarin en dat trof mij:
Als je je als mens niet kunt of wilt verantwoorden naar een Hogere Instantie dan jijzelf, dan ga je af op je eigen moreel besef.
Vroeg of laat zal dan het recht van de sterkste gelden en wordt de aarde onleefbaar.
Hij pleit dus om de aarde menswaardig te houden door contact , door verbinding met een Hogere Instantie.
Je bent pas mens, zo zegt Franciscus, als je jezelf als mens overstijgt.
Een mooie gedachte, contact houden met een Hogere Instantie dan jijzelf bent.
Het ultieme thuis komen, zo zegt Franciscus:
jezelf verbonden weten met een Hogere Instantie.
Deel uitmaken van een groter geheel.

Ja, en vandaag hoorden wij over het eten van het vlees van de Mensenzoon en over het drinken van Zijn bloed.
Wat betekent dat nou eigenlijk? En wat heeft dat nou te maken met thuiskomen? Het kan luguber klinken.

Ooit, tijdens een Paasspel in de kerk voor kinderen van een basisschool in Geleen, deden ook een paar Marokkaanse meisjes mee . Een van die meisjes kwam met haar vader de kerk binnen en ik hoorde haar tegen haar vader zeggen. Dus hier, papa, eten zij het vlees van Christus en drinken zij ook zijn bloed?
Het was natuurlijk hectisch op zo’n avond en ik had geen gelegenheid om er op in te gaan. Maar ja, wat had ik moeten zeggen? Dat het wel echt waar is?
Ook al leek het op brood en wijn? Niet uit te leggen.
Het is een geloofswaarheid, zo zeggen wij dan.

Vrouwe Wijsheid,  in het boek Spreuken nodigde uit om haar brood te eten en haar wijn te drinken. Open te staan voor die uitnodiging , ja zeggen en volop leven. Thuis komen, door op bezoek te gaan bij Vrouwe Wijsheid. Waarom niet?
Een mooi verhaal, zo zult u misschien denken.

Maar, wij weten natuurlijk best.
Dat gevoel van thuis zijn is helaas niet voor iedereen weggelegd.
Als je alleenstaand bent. Weduwe of weduwnaar. Alleen thuiskomen, een leeg huis, alleen in bed, alleen ontbijten, niemand die tegen of met jou praat.
En het huiselijk geweld.   
Kindermishandeling, mishandeling van ouderen en eergerelateerd geweld.
Het aantal instanties dat zich hiermee bezig houdt is oeverloos.
En dan nog de dak- en thuislozen, en de slachtoffers van oorlog en geweld:
Verdreven van huis en haard.
En als klap op de vuurpijl: al die duizenden kinderen, de slachtoffers van sexueel geweld door priesters van de Katholieke kerk in Pensylvania in de VS.
Hoe kunnen al die slachtoffers ooit thuis zijn bij zichzelf?

'Triomfalisme'

Kerkhistoricus Peter Nissen vindt dat in de reactie uit Rome op het rapport uit Pennsylvania te weinig oog is voor de structurele oorzaken van het misbruik. "De kerk benadert misbruik nog steeds als een individueel probleem, maar kijkt niet serieus naar de gevolgen van het celibaat en hun eigen geheimhoudingscultuur."

Nissen proeft in de reactie van het Vaticaan ook "een zeker triomfalisme, omdat uit het rapport uit Pennsylvania blijkt dat er weinig nieuwe misbruikgevallen voorkomen na 2002. Maar dat is misleidend, want we weten dat slachtoffers vaak decennialang stil blijven voordat ze erover durven te praten."

(Inmiddels heeft de Paus zijn schaamte en verdriet uitgesproken en vastgesteld dat de katholieke kerk een grote cultuurverandering zal moeten ondergaan)

En Jezus zegt:
Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, die heeft eeuwig leven.
Hij of zij die mij eet, die zal eeuwig leven en ik zal zijn in hem of haar.
Vooral bedoeld, zo lijkt mij, voor al die mensen die dat thuisgevoel moeten missen. De verbinding met elkaar.

Het leven kan moeilijk zijn. Geen thuisgevoel ervaren. Zonder dat je er iets aan kon doen. Schuldloos. Hoe moet je dan verder?

Jezus van Nazareth steekt Zijn hand uit. Naar al die thuisloze mensen
Hij nodigt uit, zoals Vrouwe Wijsheid in de eerste lezing.
Om thuis te komen, bij een Hogere instantie, zou de Paus zeggen.
Jezus biedt ons Zijn woning aan. Hij wil verbinden.
In brood en wijn, in vlees en bloed.
Want wie van Zijn brood eet zal eeuwig leven.
En wij? Wij mogen het proberen. Hoe dan ook, gekwetst en beschadigd. Om die uitgestoken hand aan te nemen en om open te staan voor Zijn uitnodiging, om deel uit te maken van een groter geheel.

Amen.

Hans van Druten


OVERWEGING 19e zondag d/h jaar. 11/ 12 augustus 2018.  Lezingen: 1 Kon. 19,4-8; Joh. 6, 41-51.

Het zou een gemakkelijke vakantiepreek kunnen worden, met deze lezingen. Niet al te moeilijk, voor iedereen begrijpbaar. Een profeet, die moe is, zich terugtrekt en uitrust. En Jezus die woorden over zichzelf spreekt, die een aantal van zijn tijdgenoten moeilijk vinden om te begrijpen, maar die wij herkennen. Hij is voor ons immers het hemels brood, uit de hemel neergedaald.

Op vakantie heb ik deze lezingen vaak gehoord, als ik op de camping in de gelegenheid was om ergens in de Franse omgeving een viering bij te wonen – en dat was niet elk jaar mogelijk trouwens - , en dan kon ik mij er helemaal in herkennen. Na een intensief jaar van samenleven en werken was ik meestal wel toe aan rust, en het op krachten komen. Deze lezingen versterkten me dan ook in het besef, hoe noodzakelijk voedsel voor onderweg is, het belang van het levende brood, waarmee Jezus zichzelf aanduidt, en die cyclus van reizen en rusten, die ons leven bepaalt. En misschien vergaat het u precies als ik, bent u ook toe aan een rustmoment, en nodigen deze lezingen en deze viering u uit om weer op krachten te komen, en na te denken over het belang van geestelijke voedsel…

Toch is de beschrijving van de rust van de profeet Elia, zoals we die in de eerste lezing hoorden, bedrieglijk, en hebben we die indruk te danken aan het feit, dat we maar een klein gedeelte van het verhaal horen. Want wat er aan voorafgaat, en wat volgt, schetst een heel ingewikkeld beeld van de ervaringen van de profeet. En ik wil me maar beperken tot het voorafgaande, een horror-verhaal.

De profeet Elia is in conflict gekomen met de koning Achab en koningin Jizabel. Nu zijn profeten en koningen, zeker in de beschrijving van het boek van de koningen, altijd al twee tegenstrijdige machten. Na heel wat overleg hebben de Israelieten onder Samuel een koning gekozen – Saul, David, Salomo, U kent ze – maar dat koningschap is niet zonder gevaar. Koningen hebben de neiging het oor naar het volk te laten hangen, en het oorspronkelijke geloof in Jahweh, als het zo uitkomt, op een laag pitje te zetten. En zo gaat het ook met koning Achaz. Hij geeft de voorkeur aan de verering van Baal en Astarte, het godenechtpaar, dat geëerd wordt met vruchtbaarheidsriten, kinderoffers en tempelprostitutie. Het is de taak van profeten, om daar tegen in verzet te komen. En dat doet Elia dan ook. Deze profeet verzint een spectaculaire list om te laten zien, dat Jahweh groter is en machtiger is dan die andere goden. Er wordt een wedstrijd gehouden tussen de priesters van Baal en Astarte aan de ene kant, en Elia aan de andere kant. In het kort: ze bouwen een offeraltaar. Van wie het offer het eerst door de goden wordt geaccepteerd, doordat het vlam vat, die is de machtigste. Heftige taferelen volgen, maar de bijbel is partijdig – en Elia wint natuurlijk. Zijn offer vat vlam, wordt dus door Jahweh geaccepteerd, en de Baalpriesters blijven ontredderd achter. Dan komen de Jahwehgelovigen in opstand, doden de priesters van Baal, en Elia vlucht de woestijn in.

De rust, die de lezing uit Koningen uitstraalt, is dus bedrieglijk. Het is geen vakantie, het is vlucht. Elia is waarschijnlijk bang, en dat niet zonderreden, dat de aanhangers van de koning hem een kopje kleiner willen maken. Maar misschien is het ook wel zo, dat Elia zich even geen raad wist, een moment van verwarring, waardoor hij het liefst wilde slapen en vergeten. Want er was geweld gebruikt, er waren doden gevallen; in naam van Jahweh? Hoe kon dat gebeuren, moest dat zo gaan? Moet je zo profeet van deze God zijn? Het duurde niet voor niets een tijd dat Elia weer opstond om op weg te gaan naar de Horeb, de berg waar hij zijn profetische opdracht zou voortzetten.

Dat brengt ons bij de ongemakkelijke vraag naar het geweld en de rechtvaardiging daarvan. Geen kost voor een zomerpreek, maar in de preekpraat na afloop komt het vaker ter sprake. Wat moeten we met die verhalen uit het Oude Testament zoals dit, verhalen van moord en doodslag, in naam van God nog wel? Dat is geen uit een ver verleden, het houdt ons ook nu vandaag bezig, als we worden geconfronteerd met allerlei geweld, in naam van….Ik kan u de voorbeelden daarvan besparen.

Op die moeilijke vraag zijn een aantal antwoorden mogelijk, zonder een definitieve oplossing. Je kan zeggen, dat die vraag naar het gebruik van geweld in naam van de godsdienst steeds een probleem is geweest. En het joodse volk is zich daar zeer bewust van geweest. Vanaf de sluiting van het verbond, waarmee het volk en God zich met elkaar verbonden. Daar stond ook het woord; ‘Gij zult niet doden’ Steeds is er strijd binnen het joodse volk zelf  geweest over wat hier onder verstaan moest worden.

Terug naar het verhaal van Elia. Hij verzet zich tegen de koning, die de Baal en Astartecultus ondersteunt. En die godsdienst kost kinderlevens en prostitutie gaat zeker ten koste van het welzijn van vrouwen. In naam van Jahweh verzet hij zich daar demonstratief tegen, dat gaat eerst vreedzaam (Het concurreren met elkaars offer) maar dan eindigt het toch met geweld. Goed te praten? Nee,maar ik denk dat Elia daar zelf ook mee geworsteld heeft. Dat hij deze afloop gezien heeft als de mislukking van zijn profetische roeping.  Dat hiervoor de woorden van het verbond (de tien geboden)  niet geschreven waren. Zijn nadenken hierover wordt onderstreept met het voedsel dat hij krijgt.

En Jezus draait die zaken grandioos om. Hij zegt – overigens niet zonder tegenspraak – dat hijzelf het levend brood is, dat voeding geeft aan ons leven. En waarin wij zoeken naar woorden en daden, om dit steeds weer waar te maken. Al die moeilijke kwesties, zoals die van het gebruik van geweld, doordenken we dan weer op een andere manier, vanuit het leven van Jezus,  vanuit zijn liefde, zijn inzet voor mensen, zijn geloof in een liefdevolle God, die hij zijn Vader noemde..

Wie over de samenhang van deze lezingen – Elia in de woestijn, die gesterkt wordt door voedsel, en Jezus die zegt het Levende Brood te zijn – verder wil nadenken, zou een plaats van rust moeten opzoeken, te weten in onze dagkapel. Wiel Meertens heeft de deuren van het tabernakel bewerkt door in een houtsnede juist dit tafereel af te beelden. Elia, rustend, met een engel boven zich, toegang tot het Levende Brood. Woord dat brood wordt. Brood dat woorden nieuwe glans geeft.

REN LANTMAN
(de gesproken tekst is – in verband met de gewaardeerde muzikale opluistering door Vaals Vocaal – ernstig ingekort).


Getuigenis: Kom nu eens mee naar een eenzame plaats….

(bij Jeremia 23, 1-6 en Mk 6, 30-34)

 

Cursief: de te lange preek op zaterdag (21 juli). Deze gedeelten waren op zondag (22 juli) geschrapt!

 

Eén van de commentaren op de bijbelteksten van vandaag, wees Lieke en mij op een aspect van Jezus dat in deze korte tekst van Marcus mooi tot uitdrukking komt: zijn rol als geestelijk begeleider. Voor zijn leerlingen en toehoorders toen, en voor ons vandaag als we dat zouden willen.

Ziet u Jezus als uw herder, als uw geestelijke leider? Een goede herder in tegenstelling tot de slechte herders waar Jeremia over schrijft? Hebt u dat nodig, een herder?

Een traditioneel beeld van geestelijke leiding is het beeld van de herder. We lazen Jeremia en zongen Ps 23. Goede en slechte herders.

Slechte herders, in bedrijfsleven, ministeries, organisaties en geloofsgemeen-schappen, maken dat de kudde uiteenvalt, en schapen verstrooid raken. Een schaap alleen is ten dode opgeschreven….

Het beeld van de herder is een dierbaar maar heel mannelijk  beeld, uit vervlogen tijden en geografisch afgelegen plekken. We zijn ervan vervreemd en toe aan andere vormen van leiderschap waarin we niet als schapen worden verondersteld te volgen. We worden niet graag in een bepaalde richting gedwongen, en al helemaal niet als deel van de massa gezien.

Niet voor niets is de term “geestelijk leiderschap” in onze hoek van de kerk, ingeruild voor “geestelijke begeleiding”. Een term die gelijkwaardiger is en een andere rol beschrijft. De wijsheid ligt immers niet bij de geestelijk leider alleen. In elke mens ligt wijsheid besloten. Elk mens heeft weet van het goddelijke op grond van eigen ervaring. De geestelijk begeleider of begeleidster mag helpen die wijsheid aan het licht te brengen, zoals een vroedvrouw een kind… Dienstbaar aan wat er al is en toch al gebeurt. Want het is in alles God die werkt, initiatief neemt, aan ons trekt…

Als je zou vragen naar voorbeelden van Jezus als geestelijk begeleider

dan komen de vele verhalen en parabels in mijn gedachten -

dan zie ik twee mensen verward onderweg naar Emmaus, terwijl Iemand naast hen loopt en met hen in gesprek gaat om hun ervaringen te helpen verwoorden en te zoeken naar de betekenis ervan voor het volgende stuk van hun levensweg.

Ik zie Maria Magdalena (misschien omdat ze morgen/vandaag op de heiligenkalender staat), ik zie haar op Paasmorgen huilend in de tuin, na de overweldigende  ervaring van Jezus’ dood en de verwarring van dat lege graf …  Jezus ziet haar, noemt haar naam en zegt: houd me niet vast. Zo heeft hij oog voor haar en haar rouw en helpt haar open te staan voor het nieuwe…  (Joh 20)

Terug naar het turbulente zesde hoofdstuk van Marcus waaruit we maar vier verzen lezen vandaag. Johannes de Doper is in het voorafgaande zinloos en brutaal vermoord. Hij was voor velen jarenlang een geestelijk begeleider geweest. Het heeft mensen kwaad gemaakt en verwart.  Om de willekeur van die moord, om de belofte van een geile man aan een mooi meisje, om het gekonkel aan het hof. We kennen die kwaadheid en machteloosheid.

Het hoofdstuk zal straks uitlopen op een maaltijd waar een beetje brood genoeg blijkt voor velen. Jezus voedt hun honger, eerst naar inzicht en dan ook naar brood. En zo maakt hij van die zoekende individuen een nieuwe gemeenschap die tot op vandaag - en hier en nu bestaat.

Ben je een zoeker? Dan  hoor je erbij! Verlang je diep naar antwoorden? Dan hoor je erbij. Durf je uit je wanhoop steeds weer de hoop op te graven? Dan hoor je er bij. Ga je op weg, in vertrouwen dat God wéét wat je nodig hebt? Dan hoor je er bij. Ben je bekommert om een ander? Dan hoor je erbij.

Van de leerlingen vraagt Jezus wat anders. Hij is bezig hen om te vormen tot geestelijke begeleiders voor al die zoekende mensen. Daarom heeft hij hen eerder dit hoofdstuk op weg gestuurd. Niet alleen, maar twee en twee. Mensen lopen stuk als ze ervaringen niet kunnen delen en uitwisselen. Elkaar niet kunnen bemoedigen.

Hij geeft hen “macht onreine geesten uit te drijven”, staat er. Wat dat is weet ik niet precies, maar ik wil het wel  leren. “Ze maakten het goede nieuws bekend om mensen tot inkeer te brengen, en ze dreven veel demonen uit en zalfden veel zieken met olie en genazen hen”, staat er simpelweg. Ze deden kortom wat ze Hem hadden zien doen: vol eerbied en aandacht en mededogen bogen ze zich over mensen die outcasts waren door geestelijke of lichamelijke beperkingen en hieven hun isolement op.

Er staat niet dat ze preekten, maar dat ze “het goede nieuws brachten” en ik veronderstel dat dat geen lege woorden waren. Goed nieuws! Eu – angelion. Evangelie!

Terug naar Jezus in zijn rol als geestelijk begeleider.

Hij leeft zijn leven met hen en is hun voorbeeld. Dat op de eerste plaats.

Hij bemoedigt hen het te gaan proberen, op hun eigen manier,  maar niet alleen.

Hij luistert naar hun ervaringen, maar heeft nog even geen commentaar.

Hij kent de waarde van rust en zelfreflectie, maar wil daaraan voorbij en nodigt uit:

Kom nu  eens mee naar een eenzame plaats. En hij gaat met hen aan boord en het meer op. Zo brengt hij hen terug bij zichzelf. Tenslotte waren het vissers!

Met alles wat ze beleefd hebben, hun moed en hun twijfel, gaan ze aan boord en worden binnen de kortste tijd omgeven door wind, water, vogelgeluiden, golfslag. Ze worden bewogen door diep vertrouwde beelden, geluiden, gevoelens, bewegingen. De tros wordt losgegooid… Dan valt elk spreken stil. Dan adem je dieper en ontspan je. En er ontstaat ruimte… En dáár gaat het om.

Jezus is een Godzoeker. En hij wil ons de weg naar God wijzen. Ieder van ons. Hoe vaak staat er in het evangelie niet: en hij ging een berg op om er te bidden? Want het is niet zijn bedoeling dat je Hém volgt, maar dóor Hem, met Hem, in Hem aan het goddelijke geheim raakt: God zelf. Daarvoor is een eenzame stilte noodzakelijk.

Je denkt misschien, waar vind ik een eenzame plaats? …

Misschien ben je het wel zelf, die eenzame plaats, op het moment dat je je uit-knopje vind en je oor en je blik naar binnen richt. Je vind die plek precies daar waar jij bent.

Dus wat te zeggen van een uur op het meer van Genesaret? Is dat genoeg?

 

Het blijkt van wel. Want in plaats van rust vinden ze aan de overkant veel ménsen. Bij het zien van al die mensen wordt Jezus diep door medelijden bewogen.

Zal hij dát zijn leerlingen ook kunnen leren, zal hij het ons ook leren? Hoe je zó door mededogen bewogen wordt dat je ingewanden zich zowat binnenstebuiten keren en je niet anders kunt doen dan: iets doen?

Want dat is wat dat Griekse woord ἐσπλαγχνίσθη betekent. En dat is wat Jezus deed. Hij onderrichtte hen langdurig staat er. Dat kan hij omdat hij voortdurend contact maakt God.

En dat wil hij als onze geestelijke begeleider ook graag voor ieder van ons.

 

Een hoofd zó leeg dat er ruimte is voor God. En dan weer: een hart zó bewogen dat er ruimte is voor mensen.

 

Lieke Annegarn en Marianne Boselie

 


TER OVERWEGING        30 juni  en 1 juli 2018                     Wijsheid 1, 13-15; 2, 23-24 Mc. 5, 21-43
Thema: Aangeraakt                        

Goed en kwaad = leven en dood. Onze God is de God van het leven, van de levenden, de God van mensen die kiezen voor het goede, voor gerechtigheid. Wie kiest voor het kwade is op een doodlopende weg... Het boek Wijsheid is er duidelijk over. Gerechtigheid, het goede doen,  is gekoppeld aan leven voor altijd.

Maar je kunt er niet altijd zelf iets aan doen... Er kunnen ook omstandigheden zijn die leiden tot dorheid, tot doodsheid in het leven. Soms overkomt een mens iets, ongevraagd.... Je schoolbestuur maakt fouten waardoor de afronding van je schoolopleiding onzeker wordt en je niet meer weet of je aan een vervolgopleiding kunt beginnen... Of, verder weg, maar wel ingrijpender, je wordt als vluchteling gered uit de Middellandse Zee, maar het schip dat jou aan boord heeft genomen mag nergens aan wal komen...

Er kan in een mensenleven van alles gebeuren: een ongeluk, werkloosheid, faillissement, ziekte van jezelf of iemand in je naaste omgeving... Slepende kwesties als gepest of buitengesloten worden, te weinig inkomen en oplopende schulden, een blijvende handicap of een reorganisatie op het werk. Hoe kun je vertrouwen, als de grond onder je voeten is weggeslagen...?

Het is een vraag van alle tijden... Het evangelieverhaal van vandaag, eigenlijk twee verhalen, in elkaar gevlochten, gaat daar ook over. Het begint met Jaïrus, een voornaam man, die genezing vraagt voor zijn dochter die op sterven ligt. Jezus gaat onmiddellijk met hem mee. En dan wordt het verhaal onderbroken door een vrouw die al twaalf jaar aan bloedverlies lijdt – een  rampzalige aandoening, waardoor zij continu onrein is en door allen in de samenleving buitengesloten wordt. Ze heeft niets te verliezen en wil ongemerkt naderbij komen om Jezus’ kleren aan te raken. Genezing volgt onmiddellijk, maar Jezus heeft gevoeld dat er een kracht van Hem is uitgegaan. Hij is niet boos, maar prijst haar: geloof is genoeg om genezen te worden. Dan komt het bericht voor Jaïrus dat zijn dochter is overleden. Jezus roept hem op vooral te blijven geloven en gaat dan - hoewel het te laat lijkt - met hem mee naar zijn huis. Het verhaal wordt zo verteld dat het een dodenopwekking wordt. Jezus neemt het meisje bij de hand – waarmee Hij, als ze werkelijk dood zou zijn, eveneens onrein geworden zou zijn – en doet haar opstaan. Of ze werkelijk dood was, is misschien zelfs van ondergeschikt belang, want ook bevrijding uit lichamelijk, emotioneel of sociaal isolement is een vorm van opstanding uit de dood. Sta op en leef...!

Terug naar de vraag...  Hoe kun je vertrouwen, hoe kun je in zo’n uitzichtloze situatie positief blijven? En tòch is dat wat Jezus tegen Jaïrus zegt: ‘Wees niet bang, heb vertrouwen’...  Tòch is dat wat de vrouw laat blijken: Jezus’ kleed aanraken zal haar kunnen helpen... het is als het ware haar laatste kans.  ‘Je vertrouwen heeft je gered...’ Het is kwetsbaar en weerloos moed tonen, je durven overgeven aan het contact met iemand/Iemand, met of zonder hoofdletter.

Voor ons eigen leven kan het, afhankelijk van de omstandigheden waarin we zijn, gaan om twee mogelijke kanten: helpen vertrouwen krijgen of zelf weer leren vertrouwen... Het is geven of ontvangen, het is aanraken of aangeraakt worden. Kracht putten uit het omgaan met een medemens: aangeraakt wòrden. Of vanuit de andere kant: iemand aanraken, je met iemand inlaten die in nood is en hem of haar nabij zijn - en zo handelen naar Gods wil...

Aanraken of aangeraakt worden. Dat gaat over nabijheid. Iets of iemand komt dichtbij, je kunt het voelen. En dat kan genoeg zijn... Het geeft kracht. Genoeg om weer verder te kunnen gaan. Dat vragen we ook aan God. Want waar de dood in welke vorm dan ook in ons leven komt, waar mensen weerloos en kwetsbaar zijn, daar moet hulp komen...
Raak ons aan, dat wij opengaan voor het licht van jouw gelaat...
Raak ons aan, dat wij volstromen met jouw genezende adem...
Raak ons aan, dat wij onszelf terugvinden in de ruimte van nieuw leven...

Elly Bus-Linssen


naar de vorige pagina ...