Parochie Vrangendael

Ter overweging              


OVERWEGING 19e zondag d/h jaar. 11/ 12 augustus 2018.  Lezingen: 1 Kon. 19,4-8; Joh. 6, 41-51.


Het zou een gemakkelijke vakantiepreek kunnen worden, met deze lezingen. Niet al te moeilijk, voor iedereen begrijpbaar. Een profeet, die moe is, zich terugtrekt en uitrust. En Jezus die woorden over zichzelf spreekt, die een aantal van zijn tijdgenoten moeilijk vinden om te begrijpen, maar die wij herkennen. Hij is voor ons immers het hemels brood, uit de hemel neergedaald.


Op vakantie heb ik deze lezingen vaak gehoord, als ik op de camping in de gelegenheid was om ergens in de Franse omgeving een viering bij te wonen – en dat was niet elk jaar mogelijk trouwens - , en dan kon ik mij er helemaal in herkennen. Na een intensief jaar van samenleven en werken was ik meestal wel toe aan rust, en het op krachten komen. Deze lezingen versterkten me dan ook in het besef, hoe noodzakelijk voedsel voor onderweg is, het belang van het levende brood, waarmee Jezus zichzelf aanduidt, en die cyclus van reizen en rusten, die ons leven bepaalt. En misschien vergaat het u precies als ik, bent u ook toe aan een rustmoment, en nodigen deze lezingen en deze viering u uit om weer op krachten te komen, en na te denken over het belang van geestelijke voedsel…


Toch is de beschrijving van de rust van de profeet Elia, zoals we die in de eerste lezing hoorden, bedrieglijk, en hebben we die indruk te danken aan het feit, dat we maar een klein gedeelte van het verhaal horen. Want wat er aan voorafgaat, en wat volgt, schetst een heel ingewikkeld beeld van de ervaringen van de profeet. En ik wil me maar beperken tot het voorafgaande, een horror-verhaal.


De profeet Elia is in conflict gekomen met de koning Achab en koningin Jizabel. Nu zijn profeten en koningen, zeker in de beschrijving van het boek van de koningen, altijd al twee tegenstrijdige machten. Na heel wat overleg hebben de Israelieten onder Samuel een koning gekozen – Saul, David, Salomo, U kent ze – maar dat koningschap is niet zonder gevaar. Koningen hebben de neiging het oor naar het volk te laten hangen, en het oorspronkelijke geloof in Jahweh, als het zo uitkomt, op een laag pitje te zetten. En zo gaat het ook met koning Achaz. Hij geeft de voorkeur aan de verering van Baal en Astarte, het godenechtpaar, dat geëerd wordt met vruchtbaarheidsriten, kinderoffers en tempelprostitutie. Het is de taak van profeten, om daar tegen in verzet te komen. En dat doet Elia dan ook. Deze profeet verzint een spectaculaire list om te laten zien, dat Jahweh groter is en machtiger is dan die andere goden. Er wordt een wedstrijd gehouden tussen de priesters van Baal en Astarte aan de ene kant, en Elia aan de andere kant. In het kort: ze bouwen een offeraltaar. Van wie het offer het eerst door de goden wordt geaccepteerd, doordat het vlam vat, die is de machtigste. Heftige taferelen volgen, maar de bijbel is partijdig – en Elia wint natuurlijk. Zijn offer vat vlam, wordt dus door Jahweh geaccepteerd, en de Baalpriesters blijven ontredderd achter. Dan komen de Jahwehgelovigen in opstand, doden de priesters van Baal, en Elia vlucht de woestijn in.


De rust, die de lezing uit Koningen uitstraalt, is dus bedrieglijk. Het is geen vakantie, het is vlucht. Elia is waarschijnlijk bang, en dat niet zonderreden, dat de aanhangers van de koning hem een kopje kleiner willen maken. Maar misschien is het ook wel zo, dat Elia zich even geen raad wist, een moment van verwarring, waardoor hij het liefst wilde slapen en vergeten. Want er was geweld gebruikt, er waren doden gevallen; in naam van Jahweh? Hoe kon dat gebeuren, moest dat zo gaan? Moet je zo profeet van deze God zijn? Het duurde niet voor niets een tijd dat Elia weer opstond om op weg te gaan naar de Horeb, de berg waar hij zijn profetische opdracht zou voortzetten.


Dat brengt ons bij de ongemakkelijke vraag naar het geweld en de rechtvaardiging daarvan. Geen kost voor een zomerpreek, maar in de preekpraat na afloop komt het vaker ter sprake. Wat moeten we met die verhalen uit het Oude Testament zoals dit, verhalen van moord en doodslag, in naam van God nog wel? Dat is geen uit een ver verleden, het houdt ons ook nu vandaag bezig, als we worden geconfronteerd met allerlei geweld, in naam van….Ik kan u de voorbeelden daarvan besparen.


Op die moeilijke vraag zijn een aantal antwoorden mogelijk, zonder een definitieve oplossing. Je kan zeggen, dat die vraag naar het gebruik van geweld in naam van de godsdienst steeds een probleem is geweest. En het joodse volk is zich daar zeer bewust van geweest. Vanaf de sluiting van het verbond, waarmee het volk en God zich met elkaar verbonden. Daar stond ook het woord; ‘Gij zult niet doden’ Steeds is er strijd binnen het joodse volk zelf  geweest over wat hier onder verstaan moest worden.


Terug naar het verhaal van Elia. Hij verzet zich tegen de koning, die de Baal en Astartecultus ondersteunt. En die godsdienst kost kinderlevens en prostitutie gaat zeker ten koste van het welzijn van vrouwen. In naam van Jahweh verzet hij zich daar demonstratief tegen, dat gaat eerst vreedzaam (Het concurreren met elkaars offer) maar dan eindigt het toch met geweld. Goed te praten? Nee,maar ik denk dat Elia daar zelf ook mee geworsteld heeft. Dat hij deze afloop gezien heeft als de mislukking van zijn profetische roeping.  Dat hiervoor de woorden van het verbond (de tien geboden)  niet geschreven waren. Zijn nadenken hierover wordt onderstreept met het voedsel dat hij krijgt.


En Jezus draait die zaken grandioos om. Hij zegt – overigens niet zonder tegenspraak – dat hijzelf het levend brood is, dat voeding geeft aan ons leven. En waarin wij zoeken naar woorden en daden, om dit steeds weer waar te maken. Al die moeilijke kwesties, zoals die van het gebruik van geweld, doordenken we dan weer op een andere manier, vanuit het leven van Jezus,  vanuit zijn liefde, zijn inzet voor mensen, zijn geloof in een liefdevolle God, die hij zijn Vader noemde..


Wie over de samenhang van deze lezingen – Elia in de woestijn, die gesterkt wordt door voedsel, en Jezus die zegt het Levende Brood te zijn – verder wil nadenken, zou een plaats van rust moeten opzoeken, te weten in onze dagkapel. Wiel Meertens heeft de deuren van het tabernakel bewerkt door in een houtsnede juist dit tafereel af te beelden. Elia, rustend, met een engel boven zich, toegang tot het Levende Brood. Woord dat brood wordt. Brood dat woorden nieuwe glans geeft.


REN LANTMAN
(de gesproken tekst is – in verband met de gewaardeerde muzikale opluistering door Vaals Vocaal – ernstig ingekort).

 


Getuigenis: Kom nu eens mee naar een eenzame plaats….

(bij Jeremia 23, 1-6 en Mk 6, 30-34)

 

Cursief: de te lange preek op zaterdag (21 juli). Deze gedeelten waren op zondag (22 juli) geschrapt!

 

Eén van de commentaren op de bijbelteksten van vandaag, wees Lieke en mij op een aspect van Jezus dat in deze korte tekst van Marcus mooi tot uitdrukking komt: zijn rol als geestelijk begeleider. Voor zijn leerlingen en toehoorders toen, en voor ons vandaag als we dat zouden willen.

Ziet u Jezus als uw herder, als uw geestelijke leider? Een goede herder in tegenstelling tot de slechte herders waar Jeremia over schrijft? Hebt u dat nodig, een herder?

Een traditioneel beeld van geestelijke leiding is het beeld van de herder. We lazen Jeremia en zongen Ps 23. Goede en slechte herders.

Slechte herders, in bedrijfsleven, ministeries, organisaties en geloofsgemeen-schappen, maken dat de kudde uiteenvalt, en schapen verstrooid raken. Een schaap alleen is ten dode opgeschreven….

Het beeld van de herder is een dierbaar maar heel mannelijk  beeld, uit vervlogen tijden en geografisch afgelegen plekken. We zijn ervan vervreemd en toe aan andere vormen van leiderschap waarin we niet als schapen worden verondersteld te volgen. We worden niet graag in een bepaalde richting gedwongen, en al helemaal niet als deel van de massa gezien.

Niet voor niets is de term “geestelijk leiderschap” in onze hoek van de kerk, ingeruild voor “geestelijke begeleiding”. Een term die gelijkwaardiger is en een andere rol beschrijft. De wijsheid ligt immers niet bij de geestelijk leider alleen. In elke mens ligt wijsheid besloten. Elk mens heeft weet van het goddelijke op grond van eigen ervaring. De geestelijk begeleider of begeleidster mag helpen die wijsheid aan het licht te brengen, zoals een vroedvrouw een kind… Dienstbaar aan wat er al is en toch al gebeurt. Want het is in alles God die werkt, initiatief neemt, aan ons trekt…

Als je zou vragen naar voorbeelden van Jezus als geestelijk begeleider

dan komen de vele verhalen en parabels in mijn gedachten -

dan zie ik twee mensen verward onderweg naar Emmaus, terwijl Iemand naast hen loopt en met hen in gesprek gaat om hun ervaringen te helpen verwoorden en te zoeken naar de betekenis ervan voor het volgende stuk van hun levensweg.

Ik zie Maria Magdalena (misschien omdat ze morgen/vandaag op de heiligenkalender staat), ik zie haar op Paasmorgen huilend in de tuin, na de overweldigende  ervaring van Jezus’ dood en de verwarring van dat lege graf …  Jezus ziet haar, noemt haar naam en zegt: houd me niet vast. Zo heeft hij oog voor haar en haar rouw en helpt haar open te staan voor het nieuwe…  (Joh 20)

Terug naar het turbulente zesde hoofdstuk van Marcus waaruit we maar vier verzen lezen vandaag. Johannes de Doper is in het voorafgaande zinloos en brutaal vermoord. Hij was voor velen jarenlang een geestelijk begeleider geweest. Het heeft mensen kwaad gemaakt en verwart.  Om de willekeur van die moord, om de belofte van een geile man aan een mooi meisje, om het gekonkel aan het hof. We kennen die kwaadheid en machteloosheid.

Het hoofdstuk zal straks uitlopen op een maaltijd waar een beetje brood genoeg blijkt voor velen. Jezus voedt hun honger, eerst naar inzicht en dan ook naar brood. En zo maakt hij van die zoekende individuen een nieuwe gemeenschap die tot op vandaag - en hier en nu bestaat.

Ben je een zoeker? Dan  hoor je erbij! Verlang je diep naar antwoorden? Dan hoor je erbij. Durf je uit je wanhoop steeds weer de hoop op te graven? Dan hoor je er bij. Ga je op weg, in vertrouwen dat God wéét wat je nodig hebt? Dan hoor je er bij. Ben je bekommert om een ander? Dan hoor je erbij.

Van de leerlingen vraagt Jezus wat anders. Hij is bezig hen om te vormen tot geestelijke begeleiders voor al die zoekende mensen. Daarom heeft hij hen eerder dit hoofdstuk op weg gestuurd. Niet alleen, maar twee en twee. Mensen lopen stuk als ze ervaringen niet kunnen delen en uitwisselen. Elkaar niet kunnen bemoedigen.

Hij geeft hen “macht onreine geesten uit te drijven”, staat er. Wat dat is weet ik niet precies, maar ik wil het wel  leren. “Ze maakten het goede nieuws bekend om mensen tot inkeer te brengen, en ze dreven veel demonen uit en zalfden veel zieken met olie en genazen hen”, staat er simpelweg. Ze deden kortom wat ze Hem hadden zien doen: vol eerbied en aandacht en mededogen bogen ze zich over mensen die outcasts waren door geestelijke of lichamelijke beperkingen en hieven hun isolement op.

Er staat niet dat ze preekten, maar dat ze “het goede nieuws brachten” en ik veronderstel dat dat geen lege woorden waren. Goed nieuws! Eu – angelion. Evangelie!

Terug naar Jezus in zijn rol als geestelijk begeleider.

Hij leeft zijn leven met hen en is hun voorbeeld. Dat op de eerste plaats.

Hij bemoedigt hen het te gaan proberen, op hun eigen manier,  maar niet alleen.

Hij luistert naar hun ervaringen, maar heeft nog even geen commentaar.

Hij kent de waarde van rust en zelfreflectie, maar wil daaraan voorbij en nodigt uit:

Kom nu  eens mee naar een eenzame plaats. En hij gaat met hen aan boord en het meer op. Zo brengt hij hen terug bij zichzelf. Tenslotte waren het vissers!

Met alles wat ze beleefd hebben, hun moed en hun twijfel, gaan ze aan boord en worden binnen de kortste tijd omgeven door wind, water, vogelgeluiden, golfslag. Ze worden bewogen door diep vertrouwde beelden, geluiden, gevoelens, bewegingen. De tros wordt losgegooid… Dan valt elk spreken stil. Dan adem je dieper en ontspan je. En er ontstaat ruimte… En dáár gaat het om.

Jezus is een Godzoeker. En hij wil ons de weg naar God wijzen. Ieder van ons. Hoe vaak staat er in het evangelie niet: en hij ging een berg op om er te bidden? Want het is niet zijn bedoeling dat je Hém volgt, maar dóor Hem, met Hem, in Hem aan het goddelijke geheim raakt: God zelf. Daarvoor is een eenzame stilte noodzakelijk.

Je denkt misschien, waar vind ik een eenzame plaats? …

Misschien ben je het wel zelf, die eenzame plaats, op het moment dat je je uit-knopje vind en je oor en je blik naar binnen richt. Je vind die plek precies daar waar jij bent.

Dus wat te zeggen van een uur op het meer van Genesaret? Is dat genoeg?

 

Het blijkt van wel. Want in plaats van rust vinden ze aan de overkant veel ménsen. Bij het zien van al die mensen wordt Jezus diep door medelijden bewogen.

Zal hij dát zijn leerlingen ook kunnen leren, zal hij het ons ook leren? Hoe je zó door mededogen bewogen wordt dat je ingewanden zich zowat binnenstebuiten keren en je niet anders kunt doen dan: iets doen?

Want dat is wat dat Griekse woord ἐσπλαγχνίσθη betekent. En dat is wat Jezus deed. Hij onderrichtte hen langdurig staat er. Dat kan hij omdat hij voortdurend contact maakt God.

En dat wil hij als onze geestelijke begeleider ook graag voor ieder van ons.

 

Een hoofd zó leeg dat er ruimte is voor God. En dan weer: een hart zó bewogen dat er ruimte is voor mensen.

 

Lieke Annegarn en Marianne Boselie

 


TER OVERWEGING        30 juni  en 1 juli 2018                     Wijsheid 1, 13-15; 2, 23-24 Mc. 5, 21-43
Thema: Aangeraakt                        

 

Goed en kwaad = leven en dood. Onze God is de God van het leven, van de levenden, de God van mensen die kiezen voor het goede, voor gerechtigheid. Wie kiest voor het kwade is op een doodlopende weg... Het boek Wijsheid is er duidelijk over. Gerechtigheid, het goede doen,  is gekoppeld aan leven voor altijd.

 

Maar je kunt er niet altijd zelf iets aan doen... Er kunnen ook omstandigheden zijn die leiden tot dorheid, tot doodsheid in het leven. Soms overkomt een mens iets, ongevraagd.... Je schoolbestuur maakt fouten waardoor de afronding van je schoolopleiding onzeker wordt en je niet meer weet of je aan een vervolgopleiding kunt beginnen... Of, verder weg, maar wel ingrijpender, je wordt als vluchteling gered uit de Middellandse Zee, maar het schip dat jou aan boord heeft genomen mag nergens aan wal komen...


Er kan in een mensenleven van alles gebeuren: een ongeluk, werkloosheid, faillissement, ziekte van jezelf of iemand in je naaste omgeving... Slepende kwesties als gepest of buitengesloten worden, te weinig inkomen en oplopende schulden, een blijvende handicap of een reorganisatie op het werk. Hoe kun je vertrouwen, als de grond onder je voeten is weggeslagen...?

 

Het is een vraag van alle tijden... Het evangelieverhaal van vandaag, eigenlijk twee verhalen, in elkaar gevlochten, gaat daar ook over. Het begint met Jaïrus, een voornaam man, die genezing vraagt voor zijn dochter die op sterven ligt. Jezus gaat onmiddellijk met hem mee. En dan wordt het verhaal onderbroken door een vrouw die al twaalf jaar aan bloedverlies lijdt – een  rampzalige aandoening, waardoor zij continu onrein is en door allen in de samenleving buitengesloten wordt. Ze heeft niets te verliezen en wil ongemerkt naderbij komen om Jezus’ kleren aan te raken. Genezing volgt onmiddellijk, maar Jezus heeft gevoeld dat er een kracht van Hem is uitgegaan. Hij is niet boos, maar prijst haar: geloof is genoeg om genezen te worden. Dan komt het bericht voor Jaïrus dat zijn dochter is overleden. Jezus roept hem op vooral te blijven geloven en gaat dan - hoewel het te laat lijkt - met hem mee naar zijn huis. Het verhaal wordt zo verteld dat het een dodenopwekking wordt. Jezus neemt het meisje bij de hand – waarmee Hij, als ze werkelijk dood zou zijn, eveneens onrein geworden zou zijn – en doet haar opstaan. Of ze werkelijk dood was, is misschien zelfs van ondergeschikt belang, want ook bevrijding uit lichamelijk, emotioneel of sociaal isolement is een vorm van opstanding uit de dood. Sta op en leef...!

 

Terug naar de vraag...  Hoe kun je vertrouwen, hoe kun je in zo’n uitzichtloze situatie positief blijven? En tòch is dat wat Jezus tegen Jaïrus zegt: ‘Wees niet bang, heb vertrouwen’...  Tòch is dat wat de vrouw laat blijken: Jezus’ kleed aanraken zal haar kunnen helpen... het is als het ware haar laatste kans.  ‘Je vertrouwen heeft je gered...’ Het is kwetsbaar en weerloos moed tonen, je durven overgeven aan het contact met iemand/Iemand, met of zonder hoofdletter.


Voor ons eigen leven kan het, afhankelijk van de omstandigheden waarin we zijn, gaan om twee mogelijke kanten: helpen vertrouwen krijgen of zelf weer leren vertrouwen... Het is geven of ontvangen, het is aanraken of aangeraakt worden. Kracht putten uit het omgaan met een medemens: aangeraakt wòrden. Of vanuit de andere kant: iemand aanraken, je met iemand inlaten die in nood is en hem of haar nabij zijn - en zo handelen naar Gods wil...

 

Aanraken of aangeraakt worden. Dat gaat over nabijheid. Iets of iemand komt dichtbij, je kunt het voelen. En dat kan genoeg zijn... Het geeft kracht. Genoeg om weer verder te kunnen gaan. Dat vragen we ook aan God. Want waar de dood in welke vorm dan ook in ons leven komt, waar mensen weerloos en kwetsbaar zijn, daar moet hulp komen...
Raak ons aan, dat wij opengaan voor het licht van jouw gelaat...
Raak ons aan, dat wij volstromen met jouw genezende adem...
Raak ons aan, dat wij onszelf terugvinden in de ruimte van nieuw leven...

 

Elly Bus-Linssen

 


TER OVERWEGING FEEST ST.JAN DE DOPER, 23 EN 24 JUNI 2018
Lezingen: Lukas 1, 67-79; Lukas 1, 57-66

 

Inleiding

 

Vandaag wordt het ritme van de gewone zondagen na Pinksteren onderbroken door het feest van Johannes de Doper. Het is goed om vandaag bij zijn betekenis stil te staan. We komen hem vooral  tegen in de lezingen van de Advent als een boeteprediker, een wegbereider van Jezus Christus. Vandaag horen we in de lezingen vooral iets rond zijn geboorte, zoals dat vermeld is in het eerste hoofdstuk van Lukas. Het tweede hoofdstuk is het meest bekend in onze geloofstraditie, het vertelt ons alles rond de geboorte van Jezus. De gebeurtenissen rond de geboorte  van Johannes kennen wel een aantal overeenkomsten met dat van Jezus, en ook een aantal verschillen. Maar in de beschrijving van Johannes krijgen de omstandigheden (de plaats van de geboorte en de omstandigheden)  veel minder nadruk. Het gaat vooral over twee thema’s:  de vruchtbaarheid van Zacharias, zijn vader, en Elisabeth, zijn moeder. En over de naamgeving aan het kind, waarmee wordt aangeduid, wat zijn roeping en bestemming is.

 

In het evangelieverhaal (Lukas 1, 67-79) horen we over zijn geboorte en de reactie van de omstanders. Er is vreugde en er is gedoe rond de naamgeving; moet hij naar zijn vader Zacharias genoemd worden of niet? Straks meer over de achtergrond bij deze discussie, die er op uitloopt dat hij Johannes zal heten. En dat is niet zonder reden.

 

Als eerste lezing is gekozen voor de lofzang van Zacharias (Lukas 1, 57-66) . Deze lofzang klinkt in de tijd weliswaar na de geboorte van Johannes, maar is met name een lied, dat past in de traditie van de profeten van het oude testament. Het is een profetie over de toekomst van het volk, en de plaats van Johannes de Doper daarin. Deze lofzang heeft een vaste plaats gekregen in het getijdengebed van elke dag, bij de lauden, het lofgebed bij zonsopgang. Het is  goed om daar eens naar te luisteren, en het naast het Magnificat te plaatsen, de lofzang van Maria, die ook  in het eerste hoofdstuk van Lukas te vinden is.

 

Overweging

 

Aan de geboorte van Johannes de Doper gaat heel wat vooraf. Zacharias, zijn vader, is een vroom man, een priester die hoort bij de tempel en daar zijn dienst vervult. Ik stel me hem zo voor als een gelovige, die trouw is aan zijn geloof, het joodse geloof. Jaren lang vervult hij trouw de hem toevertrouwde taak. Wij kennen die mensen te midden van ons, die hun taak jarenlang trouw en met toewijding vervulling. En dat is niet zonder betekenis.  Wij kunnen van het voorbeeld van Zacharias leren. Te midden van alle wederwaardigheden van zijn volk in het toenmalige land houdt Zacharias de traditie in stand. En die kijkt niet alleen naar het verleden, maar ook naar de toekomst. Er is zijn geloof een volgehouden vertrouwen op die toekomst, op die van zijn mensen, op die van zijn land. Maar er is ook verdriet; hij en zijn vrouw Elisabeth hebben geen kinderen, zij zijn onvruchtbaar, zoals dat heet, en dat is in zijn tijd – zoals Lucas het ons openlijk laat weten – een schande.

 

Tijdens zijn dienst in de tempel krijgt Zacharias een visioen. De engel Gabriel – dezelfde die ook Maria zal bezoeken – geeft hem te verstaan, dat hij een zoon zal krijgen, die met geestkracht – diezelfde geest die ook in de boodschap van Maria in het spel is - geladen is en zijn volk weer op de weg van gerechtigheid zal brengen. Johannes zal zijn naam zijn, dat betekent ; God is genadig. Zacharias sputtert tegen, hij kan het niet bevatten, want hij had zich al bij zijn kinderloosheid neergelegd. Daarop slaat de engel hem met stomheid – hij zal niet meer kunnen spreken, voordat de geboorte een feit is. En zo treffen de mensen hem buiten de tempel aan, en ze begrijpen dat er iets wonderbaarlijks is gebeurt. Maar nu u dit weet, begrijpt u het tafereeltje rond de geboorte beter. De mensen zijn blij met de vruchtbaarheid van Zacharias en Elisabeth, maar nu moet het kind een naam hebben. En de vader – die stom gebleven is tot dit moment – schrijft het op. Niet Zacharias zal hij heten; een naam die de nadruk legt op herinneren, zoeken en bewaren. Maar Johannes: God is genadig, hij opent voor ons de toekomst. En zo gebeurt het. Zacharias kan weer praten, en zingt een lofzang over dit kind, zoals we die hoorden in de eerste lezing.

 

Dit verhaal van de geboorte van Johannes is niet voor niets zo opgeschreven. Het staat in de schaduw van de geboorteverhalen van Jezus, maar heeft toch een prominente plaats. Het doet ons weer overwegen wat vruchtbaarheid is, en hoe belangrijk is namen te geven aan mensen en dingen.
Vruchtbaar leven, daar kunnen we op heel veel manieren over nadenken. De natuurlijke weg is, dat mensen vruchtbaar kunnen zijn in hun kinderen; met ieder kind wordt weer toekomst geboren. Maar er zijn ook vele andere manieren om vruchtbaar te zijn in je leven. Door de inzet voor wat van betekenis kan zijn voor de samenleving. Door de dagelijkse  zorg voor anderen. Door er gewoon te zijn voor anderen, zonder veel ophef of woorden. Door een taak op je te nemen, en die in jaren trouw en continuïteit en zonder veel ophef te vervullen.

 

Het verhaal laat ons zien, dat dit allemaal niet zo vanzelfsprekend is. Dat er op onze weg obstakels of moeilijkheden op de weg komen, die onoverwinnelijk lijken, zoals op het levenspad van Zacharias. Kinderen? Opdracht of uitdaging? Nee, dat kan niet, of dat wil ik niet, dat is je reactie als het op je weg komt. En dan is er dat vreemde visioen – noem het een inzicht, of het bezoek van een engel – waarop je het vertrouwen kunt krijgen dat het wél kan, dat je het wél wilt. En dat dit besef, waarvan je op dat moment doordrongen bent, moeilijk onder woorden te brengen is. Je bent met stomheid geslagen. Pas achteraf merk je hoe vruchtbaar je leven is, en is geweest, voor jezelf, voor anderen.

 

Misschien is wel het beste voorbeeld in onze tijd het zorg dragen voor iemand. Soms kies je er zelf voor. Soms loop je er tegen wil en dank tegen op. Of je verzet je, net als Zacharias, tegen de vruchtbaarheid die in het zorg dragen van mensen voor elkaar besloten ligt. Maar het gebeurt, op veel manier. Je doet het , steeds meer vanzelfsprekend. Vruchtbaarheid in het zorgen krijgt een naam, die je het van te voren niet kunt  geven. Dacht te kunnen geven. En je ziet er in  verwondering en dankbaarheid op terug.  Je erkent, dat God genadig is, toekomst geeft.  Zorg op je nemen als een verwevenheid met het eigen leven. Vruchtbaar leven.

 

Zacharias heft na de geboorte van zijn zoon een lied aan. Het bezingt de kern van de verwachting, de toekomst en de hoop van het joodse volk en de plaats van Johannes daarin.  Het geeft vruchtbaarheid een naam. We kunnen het laatste couplet in ons eigen leven herkennen.#

“Hij  (die wij de eeuwige en nabije God durven noemen) verscheen’ – zo staat er – “aan hen die in het duister en de schaduw van de dood zijn gezeten om onze voeten te richten op de weg van de vrede”. Dat ging over Johannes, dat gaat over ons.

 

Ren Lantman

 


Overweging 16 en 17 juni 2018 Ezechiël 17, 22-24; Marcus 4, 26-34

 

Over groeien gaat het in de lezingen. Over klein en groot, en over van klein naar groot. En over vogels gaat het. Over hun nestelen in takken; takken van fikse planten en bomen. En over dor en sappig gaat het, over verdorren en welig groeien. En misschien gaat het wel over verlangen. Ons verlangen naar geborgenheid en vrijheid, naar beschutting en vrijheid. En over vogels.
Vroeger, toen er nog brieven bestonden, bedachten we wonderlijke adressen. We adresseerden we denkbeeldige brieven aan bijvoorbeeld: Pietje Puk, Dorpsstraat, Guttecoven, Limburg, Holland, Europa, Wereld, Heelal. Kwestie van steeds groter denken. Globalisering avant-la-lettre. Groeiend wereldbeeld.


Vroeger woonden de mensen veilig op de aarde. De aarde was als een nest in Gods hand met daaroverheen de koepel van het heelal met zijn lichten voor ’s nachts en overdag. Nu is de aarde een nietige zwerfsteen, kwetsbaar balletje in een almaar exploderend heelal. De mensen wonen op de buitenste buitenkant. De zwaartekracht redt ze van een onmetelijke val in de ruimte. Wordt ons wereldbeeld groter of kleiner? Vroeger leefden we in het nest van ons dorp of onze stad. We hadden een overzichtelijk vaderland. Daarbuiten was de grote wereld. Nu zijn we Europeaan en voelen de hete adem van heel de wereld in onze nek. Wordt onze wereld groter of kleiner?


Tegenwoordig hebben we – nog onwennig – ons  nest in de oude boom die Europa heet. Een boom die nog wel groeit, maar tegelijk al geen sappige boom meer is. Hier en daar begint hij wat te verdorren. Geen sterke boom, wat wankel tussen omringende reuzen die de oude boom overschaduwen. Een veilig thuis? Biedt Europa nog een onderkomen waarin onze toekomst niet bedreigd is? Én een toevlucht voor vogels van elders?


‘Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu, wat unbidan we nu?’ Het is de oudst bekende tekst in het Oudnederlands, neergepend in de 11e eeuw door een Vlaamse monnik om een nieuwe pen te proberen. Het betekent:'Alle vogels zijn al aan het nestelen, behalve jij en ik; waar wachten we nog op?' Een zin uit een Vlaams liefdesliedje?


We leven in een wereldruim dat snel verandert. Zo snel en met zoveel rumoer dat we ons er niet altijd meer veilig of thuis in voelen. Grenzen verschuiven. Verdampen. Of grenzen worden muren. Gevangenismuren soms. Ontmoetingen tussen leiders worden spektakels. Overleggen wordt overbluffen. De aarde, ons thuis, wordt een speelbal van machten en machthebbers. Ze lopen stampend rond, de wereld trilt ervan.

 

Maar hebben we net niet gezongen: ‘De aarde is vervuld van goedertierenheid, van goddelijk geduld en goddelijk beleid’?Is het dezelfde aarde waar we het over hebben? Wat heeft het geloof ons meer of anders te bieden dan wat we via de wetenschap te geloven aangeboden en via de media voorgeschoteld krijgen? Wat we zien is een wereld vol politiek armpje drukken, verwaarlozing van mensenrechten en onmenselijk geweld. Waar is die wereld vol goedertierenheid, geduld en goddelijk beleid?


Is geloven wegkijken van de werkelijkheid?


Of is geloven anders naar de werkelijkheid kijken? Is geloven: in die werkelijkheid – dezelfde harde werkelijkheid van dezelfde wereld – oog hebben voor en vertrouwen hebben in de kracht van het kleine? De toekomst van het schijnbaar geringe? Hoe God in het kleinste van alles – een korrel, een mosterdzaadje, een mensenzaadje, een twijgje – zijn dromen verwezenlijkt ziet: een aarde die vruchten en specerijen voortbrengt; dalen vol golvend koren; bergen bekleed met machtige ceders, waarin vogels nesten bouwen en waar vanuit ze hun vlucht kiezen, de duizelingwekkende ruimte in; mensen die elkaar liefhebben en – waar wachten we nog op? – huizen bouwen voor nieuw leven.


Het Rijk Gods openbaart zich niet in het grote dat is. Het Rijk Gods is niet in het indrukwekkende, huiveringwekkende, verbazingwekkende dat zich manifesteert. Het Rijk Gods wordt in het ongeziene kiemen van het zaad, het opgroeien van het twijgje. In het worden, het botten, het zich ontvouwen openbaart zich Gods grootheid en goedheid. In het verborgene, verlorene ook; in het vinden, het ontdekken, niet in het hebben. Het vinden van de verloren drachme, het ontdekken van de schat in de akker, het redden van het verloren schaap.


Wat groot is is in Gods ogen niet belangrijk omdat het groot is. Wat telt is wat het leven koestert, beschermt en eerbiedigt. Dat geldt ook voor kerken, moskeeën en tempels. Zijn mensen er welkom, geëerbiedigd en thuis? Zijn het ceders waarin vogels – en hun jongen! – veilig zijn? Vogels van allerlei pluimage? Eens teméér geldt dat voor de kerken, moskeeën en tempels van vlees en bloed. Vormen ze een thuis waarin mensen kunnen groeien en kracht opdoen om uit te vliegen, de wereld in? Een veilige broedplaats voor vogels van allerlei pluimage?


Psalm 84 bezingt het visioen: een levend godshuis voor mussen, zwaluwen en mensen.
‘[..]
Machtige Heer, mijn koning, mijn God,
zelfs mussen wonen in uw tempel.
Zwaluwen maken een nest bij uw altaar,
ze zorgen er voor hun jongen.
Gelukkig zijn mensen die wonen in uw huis,
[..].’

 

Meindert Muller

 


TER OVERWEGING 2 en 3 juni 2018                       Ex. 24, 3-8    Mc. 14, 12-16.22-26
Sacramentsdag                  Thema: Dankbaar gedenken          

               

We vieren Sacramentsdag. Het boek Exodus verhaalt in dat kader over geboden en voorschriften die aanvaard worden, over het verbond dat gesloten wordt tussen het volk en God, en dat wordt bezegeld met bloed van offerdieren. Het evangelie spreekt over een zogenaamd nieuw - of in ieder geval vernieuwd - verbond: het eigen leven van Jezus, zijn lichaam en bloed. Een zelfgave, vanuit zijn diepste kern; liefde die hem zijn leven kost, een daad die geheiligd wordt, sacrament. Het sacrament van de eucharistie. Op deze feestdag - Sacramentsdag dus - gedenken wij dat, in dankbaarheid, ons afvragend wat daarvan de betekenis is voor ons eigen leven...

Als we zingen: ‘God, naar U blijf ik zoeken’ en ‘U zoekt mijn hart, Uw hand zal mij vast blijven houden’ laat de psalm ons zien, dat het tussen God en de mens van twee kanten moet komen: God zoekt de mens èn de mens zoekt God. En dat past bij wat een verbond is: een verdrag, een overeenkomst, een verbintenis die bezegeld wordt. Wederkerig, met verplichtingen. De Israëlieten in de eerste lezing (Ex. 24) bevestigen dat ze de woorden die God tot hen heeft gesproken ter harte zullen nemen. Dat ze die zullen doen.

Bij de tekst over het laatste avondmaal wordt ook gesproken over een verbond. Jezus staat op het punt zijn leven te geven. Niet omdat dat moet van God, zomaar. Nee, slechts als uiterste consequentie van de enig mogelijke manier van leven, die Jezus ziet, die hij niet wil verraden. Zijn leven geven zoals Jezus dat doet is de meest ultieme vorm van geven, is alles geven. Daartoe is Hij bereid. Als Hij ziet dat dat onvermijdbaar wordt, spreekt Jezus tijdens hun maaltijd het zegengebed uit over het brood, Hij breekt het, geeft het aan zijn leerlingen en verwijst daarbij naar het gebroken worden van zijn lichaam. Hij spreekt over de beker het dankgebed uit, Hij reikt die aan en duidt hem als verbond. Jezus viert eucharistie als verbondssluiting.

Wat betekent dit verbond voor ons leven...? Hoe zijn wij onderling door het samen delen van brood en het drinken van wijn verbonden en hoe verbinden deze ons met God of met Jezus Christus? Dankbaar gedenken is niet alleen terugkijken, herinneren of denken aan wat Jezus deed, maar ook integreren. Ons leven, onze idealen, onze inzet voor wat God wil, onze daden van liefde worden meegenomen in wat wij vieren in de eucharistie. Dat zou je offer kunnen noemen. Dáárin, in die daden, in wat we doen voor een ander - en dat kan van alles zijn - is Jezus tegenwoordig, is hij tastbaar onder ons. En omgekeerd krijgen wij kracht door de zelfgave van een ander die ons nabij is. Het gebeurt over en weer, in ons mensen, steeds weer, en zo vormen wij samen het lichaam van Christus. Het brood dat wij delen is daarvan het teken. Ons aardse brood wordt Brood uit de hemel.

De zo bekende consecratiewoorden die telkens weer klinken zijn helemaal niet zo vanzelfsprekend of gemakkelijk. Ze zijn concreet van toepassing op ons eigen leven. We moeten ze doen. En als we ze doen en ons leven delen naar Jezus’ voorbeeld dan is God erbij. Elke keer weer. Als we zorg hebben voor een ander hier dichtbij, als we ons inzetten voor mensen in nood in andere landen. Een sacrament. We worden aangeraakt door het heilige, door dat waar het om gaat in het leven. Daar zijn we dankbaar voor. Daar streven we naar. En dat gedenken we in dit feest: Sacramentsdag.

In woorden van Hein Stufkens (‘Een woord in de wind’, p. 66-67) vragen we:

          (...)‘Open mij voor jou,
kind van mensen, gezalfde, godenzoon,
die de duisternis, het licht onthulde,
die, voor hij stierf aan de levensboom,
de beker vulde en het brood brak (...)
Open mij voor jou,
die zich zo doende
mee laat delen, onomwonden, 
en vol mededogen leeft
in handen strelende, 
in voeten gaande,
in harten brekende, en die steeds weer wordt gevonden
in wie zichzelf gewonnen geeft.’(...)

Ja, open mij voor jou....

Elly Bus-Linssen

 


OVERWEGING ZONDAG DRIE-EENHEID 26- 27 mei 2018. Lezingen; Deut. 4,32-34.39-40; Mat.28,16-20


Vandaag is het de zondag van de Heilige Drie-Eenheid, of met een ander aanduiding zondag van de Drievuldigheid. Uit deze verschillende benamingen is het al duidelijk, dat het over een niet zo gemakkelijk thema gaat.  De benaming wil ons iets zeggen over God, en wel over Vader, Zoon en Heilige Geest. Hoe zit dat? Drie en toch Een God? Een God en toch Drie?  Iemand vertelde, dat zij als studente aan het studeren was op dit vraagstuk, toen een hooggeleerde binnenkwam en haar vroeg, wat ze aan het doen was. En toen hij dat hoorde zei hij, met een leven lang ervaring in de theologie; Fijn, dan kun je me dat eindelijk eens een keer uitleggen….


Laten we om te beginnen vaststellen dat het hier niet om een ingewikkeld wiskundig vraagstuk gaat, of een moeilijk op te lossen sudoki. De Heilige Drie-eenheid, dat wil iets aanduiden over God zelf en onze menselijke verhouding daartoe, en dat is de hartslag in het gelovig belijden en beleven. Maar het is niet zo gemakkelijk te duiden, wat we bedoelen als we ‘God’ zeggen, hem toezingen en tot hem bidden. Een lange geschiedenis is het van pogingen, om in tijdgebonden taal en voor de mensen begrijpbare woorden iets duidelijk te maken. Bij voorbaat dus al excuses voor de onbeholpenheid, waarmee ik dat probeer te doen. In ieder geval een poging van mijn kant, om dat te doen.


“Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig”, zo zongen we in het openingslied. Het is de moeite waard ons de tekst en de melodie nog eens in herinnering te roepen. In dat lied wordt geprobeerd de hoogte en de diepte van het Godsgeheim uit te zeggen en te zingen. Nog wel in een maat, die in drieën geteld moet worden, een dansmelodie. De melodie geeft deze woorden een diepere lading. Die God, zo zingen we, is aanwezig, hier en nu – hij zorgt voor ons met de vleugelslag van een moederdier. Hij is niet ver van ons, hij is nabij. En toch; onzichtbaar, niet met mensenogen gekend, een vermoeden, een dragende grond. God als het geheim, dat we niet kennen, maar diep verscholen ligt in deze wereld, in onszelf. Stof genoeg, dit simpele liedje, om het voor u zelf nog eens te overwegen in een stil moment. God in driekwartsmaat,een wonderlijk Geheim. En de musici onder u weten; je moet zingen in de maat, maar wie alleen op de maat let, maakt nog geen muziek.


Dat goddelijk geheim heeft ons aangeraakt in drie gestalten, zoals we uit onze bijbelse bronnen weten. We lazen een stukje uit het boek Deuteronomium, een stukje van de toespraak die Mozes houdt tot het Verbondsvolk. Het bekendste deel daarvan is de aansporing: “Hoor, Israel, Jahweh is onze God, Jahweh alleen. Gij moet Jahwe beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel, en met al uw krachten””.(Deut.6,4) Duidelijker  kan je het niet zeggen; er is maar één God. In de lezing van vandaag komt die gedachte terug: ‘De Heer is God, in de hemel boven en op de aarde beneden: er is geen ander’. (Deut.4, 39b). En van Jezus weten we en geloven we, dat hij met hart en ziel op God en de naaste gericht was. Zozeer, dat hij God zijn Vader noemde, als uitdrukking van zijn intieme relatie met dat Godsgeheim. En de heilige Geest – Zijn Geest - brengt ons steeds hier en nu steeds weer op creatieve wijze te binnen, hoe wij die boodschap kunnen verinnerlijken en uitdrukken.


Religieuze denkers uit onze tijd hebben er vooral de nadruk op gelegd, dat wij dit Goddelijk geheim moeten doen, steeds weer naar wegen moeten zoeken om de liefde van en tot God en tot de naaste te realiseren. Maar er zijn in onze traditie ook denkers geweest, en ze zijn er nog of weer, die niet tevreden zijn met dat doen, hoe onmisbaar dat ook is. Zij nemen geen genoegen met het ‘stukje’ dat wij dagdagelijks realiseren, en waarin wij God als het ware in ‘stukken’ uiteenleggen, maar zoeken – met heel hun hart, hun ziel en met al hun krachten, hun levensinzet - naar innige verbondenheid met Hem. Niet verwonderlijk – want het Godsgeheim zelf is de hartenklop van het geloven, stuwt het geloven in ons voort, de maat van onze geloofsmuziek, het werkt in ons, het inspireert ons, is grond onder onze voeten, en is – naar wij hopen en bidden - voltooiing van onze menselijke inspanningen. God is niet alleen uiteen te leggen in Vader, Zoon en Geest, maar is ook eenheid, volheid van zijn, vervulling van ons bestaan. Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig…


Hoe kun je die eenheid van en in God denken en ervaren? Wij mensen – als ik dat zo algemeen mag zeggen – leven bij stukjes en beetjes, bij de dag, en koesteren daarbij onze eigenheid. Het is de afgrenzing ten opzichte van de ander die wij bewaken – zeker in onze tijd waarin we gesteld zijn op onze autonomie, en onze privacy een heilig ding aan het worden is. En in veel opzichten zijn we in deze wereld ook aangewezen op onszelf, en dat is soms een hele opgave. Wij zijn zelf niet drie- vuldig, wij zijn om het dichterlijk te zeggen ‘menigvuldig’. En toch verlangen we met hart en ziel naar verbondenheid met anderen, een verbondenheid die meer is dan een hartelijke verstandhouding. Het is ons verlangen naar een innige verbondenheid, zoals die in de liefde van mens tot mens gestalte kan krijgen, en die duurzaam in het leven kan worden. Het is een verbondenheid, die de verdeeldheid in onszelf overstijgt; het is een verlangen, dat we koesteren, een diep menselijke trek naar de voltooiing van ons menselijk bestaan. Het verlangen naar de eenheid met de mens, die ons dierbaar was. Het verlangen naar die eenheid in God.


Is het een vreemde gedachte, dat dit verlangen naar geborgenheid, dit hartstochtelijk zoeken naar elkaar, naar die unieke mens die met jou gaat of ging,  te maken heeft met het verlangen naar een uiteindelijke eenheid in God? Naar de eenheid in God zelf? Dat wij uiteindelijk een zijn met God zelf? Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig….


Er zijn mensen uit onze traditie in verleden en heden, die ons dit hartstochtelijk zoeken naar de eenheid in God hebben voorgeleefd. Maar het gebeurt ook telkens als wij onze viering beginnen en afsluiten. Telkens als wij het kruisteken maken – of gezegend worden met het gebaar van het kruis – kunnen we ons dat geloofsgeheim in herinnering brengen. Kunnen we lichamelijk uitdrukken, wat  die innige verbondenheid met die uiteindelijke eenheid met God kan betekenen. Het kruisteken als uiting van verbonden (met Hem) te zijn – in – (Zijn) eenheid dus. De eenheid van Vader, Zoon en Geest. Zo nemen wij mensen op in onze gemeenschap – vanmiddag wordt weer een kind in die naam gedoopt. En het kan een troost zijn, als we dierbaren verliezen of zelf de dood onder ogen zien. Dat zij en wij opgenomen worden in Gods eenheid. Geborgen zijn in God. Maar dat blijft in ons aardse bestaan een verlangen, een aanhoudend zingen in ons.

“Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig, waar ook ter wereld mensen zijn;
Wees zo genadig met ons bezig, tot wij in U volkomen zijn”.

 

REN LANTMAN

 

(Deze overweging is tot stand gekomen in samenspraak met Gerard Beckers en Lieke Annegarn)

 


TER OVERWEGING 19/20 mei Hand. 2, 1-11    Gal 5, 22-25  Joh. 15, 26-27; 16, 12-15 Pinksteren           Thema: Aangeraakt door de Geest      

         

Pinksteren is het feest van de Geest. Pinksteren is het feest van het nieuwe elan, dat zorgt voor een frisse kijk en enthousiasme om iets van het leven te maken. Een nieuw begin, een positieve insteek om de toekomst in te gaan. Ieder voor zich, maar vooral ook allen samen, zoekend naar verbinding met elkaar, werkend aan eensgezindheid. Elkaar inspirerend in woord en daad... In Vrangendael, maar ook breder. Een mooi moment om na te denken over de toekomst van geloof en kerk in onze omgeving.


De Geest van God - zo las ik ergens - staat in de stroom die hemel en aarde verbindt. Eén en al beweging. Zij is als adem die ons levend houdt en wind die ons aanblaast, die kracht geeft, ons vurig maakt maar toch zachtmoedig; één van taal, elkaar begrijpend. Daardoor aangeraakt worden is een ideaalbeeld, iets om je als gemeenschap aan op te trekken... in navolging van die groep eerste leerlingen. Zij bleven vanaf die eerste Pinksterdag niet meer stilzitten. Ze trokken erop uit en vertelden overal wat hen bezielde... Er was sprake van een nieuwe start... Zoals dat éérste begin waarover wordt verteld in het eerste Bijbelboek, in Genesis, waar staat: de Geest van God zweefde over de wateren...

 

Wij vragen in deze dagen aangeraakt te worden door de zachte krachten van die Geest van God. Om ook zelf telkens weer een nieuw begin te kunnen maken. Elke dag. En dat geldt eveneens voor ons als parochiegemeenschap. In tijden van krimp en neergang, in een vergrijzende kerk waarin we zoeken naar hoe het verder kan, in processen van samenwerking met anderen, bij vergaande veranderingen... Kom o heil’ge Geest... Wij smeken om de vruchten van de Geest zoals Paulus die noemt: liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtheid en ingetogenheid.

 

Wij vragen om liefde: liefde naar elkaar toe, binnen bestaande relaties en in onze families, maar ook naar anderen toe die onze hulp nodig hebben. Liefde die ons uitnodigt om met hart en handen aan het werk te gaan. Liefde voor wie anders denkt en voelt, voor wie ons ten diepste vreemd is.

 

Om vreugde: vreugde van binnen, blijheid die vleugels geeft, die ons stimuleert om door te gaan en het leven aan te kunnen. Vreugde die je je misschien kunt herinneren als het tegenzit en die dan hoop geven kan.

 

Om vrede: vrede in onszelf en met onze eigen hebbelijkheden en onhebbelijkheden, vrede die ruimte geeft om in dialoog te gaan met wie andere ideeën heeft, die rust geeft en uitgangspunt kan zijn in een gesprek.

 

We vragen ook geduld: geduld dat ons in staat stelt te wachten. Gewoon te wachten op betere tijden. Om pas op de plaats te maken zolang dat nodig is. Of te wachten op anderen die meer tijd nodig hebben. Tijd om veranderingen te accepteren of moeilijkheden en verlies te verwerken.

 

We vragen om vriendelijkheid: echte vriendelijkheid, geen schone schijn, nee, vriendelijkheid die het leven aangenaam maakt, die ontmoetingen kleurt en sfeer brengt. Die mensen ontvankelijk maakt om verder te praten en samen te zoeken naar oplossingen.

 

Om goedheid: Wat is dat, goedheid? Zo’n vanzelfsprekend woord... Welwillendheid, zachtheid, menslievendheid... Goede mensen zijn een weldaad voor anderen... zo’n mensen zijn nodig. Goedheid... een gave van de Geest die we allemaal kunnen wensen.

 

We vragen om trouw: trouw is nodig om kunnen blijven als je eigenlijk weg wilt gaan... om niet weg te vluchten van een moeilijke situatie. Trouw is een kracht, een deugd die helpt om door te gaan.

 

We vragen zachtheid: wek mijn zachtheid weer, geef mij terug de ogen van een kind... Zo zingen we wel... Dat ik zie wat is en mij toevertrouw en het licht niet haat. Ook dit kunnen we nodig hebben. Zeker ook in moeilijke gesprekken of ontmoetingen...  

 

En ingetogenheid: kalm en bescheiden, waardig zoeken naar openingen van gesprek, naar mogelijkheden van samenwerking op allerlei terreinen.

 

Met al deze gaven van de Geest kunnen wij de toekomst aan... ieder van ons, als persoon, en samen, als gemeenschap. Daar mogen wij op vertrouwen, er is ons immers een Helper beloofd, de Geest der waarheid, zoals de evangelist Johannes dat zegt...

 

Elly Bus-Linssen

 


TER OVERWEGING zaterdag 12 mei 2018 Handelingen 1, 15-26; Johannes 17, 11b-19

 

Het valt mij op dat er de laatste jaren in de media steeds meer aandacht is voor rechtszaken. Spraakmakende zaken worden nauwgezet gevolgd. Legertjes advocaten, officieren van justitie, politiewoordvoerders, persrechters, rijdende rechters, misdaadjournalisten, nabestaanden en slachtoffers verdringen zich voor camera’s en microfoons. Dat zou in deze mate niet gebeuren als het niet beantwoordde aan een kennelijke behoefte aan sensatie, én aan het volksvermaak voor rechter te kunnen spelen. In veel zaken worden we door belanghebbenden – boef dan wel boevenvanger, officier van justitie dan wel advocaat  – ingezet om een publieke opinie te vormen ten faveure van de een of de ander. Wie weerstaat de kans om tegenover vrienden of collega’s het schuldig of onschuldig over de in de schijnwerpers geplaatste verdachte uit te spreken? Om even het gevoel te hebben dat ook mijn oordeel ertoe doet?

 

Ook de bijbel kent zijn boeven. Zijn schuldigen. Zijn personages over wie door de eeuwen heen een massief schuldig is uitgesproken. Kaïn. Goliath. De Sodomieten en Gommorezen. De farizeeënen schriftgeleerden. En – het meest misschien wel – Judas. Judas die Jezus heeft verraden. Voor dertig zilverlingen. Schuldig, zo luidt het eeuwenbrede oordeel. Zijn jammerlijk einde lijkt dit te bevestigen. Schenkt ook enige bevrediging. Dat laatste  hoort ook bij een bevredigende rechtsgang: de vergelding, de genoegdoening aan slachtoffers en nabestaanden. Wie wil deze Judas begrijpen? Wat dreef hem? Hij die bij Jezus’ trouwste en intiemste leerlingen hoorde? Die met de anderen van de twaalf Jezus door dik en dun gevolgd is? Zal zo iemand Jezus alleen om wat geld verraden? Wat spookte er door zijn hoofd?

 

Een van de scheldwoorden die iemand het meest hardhandig buiten de kring zet en tot een onbetrouwbaar non-iemand maakt is ‘Judas!’. Erger nog dan ‘farizeeër’. En dan valt er mij iets op in de evangelielezing van vandaag waar ik anders overheen lees of hoor. Als Jezus tot zijn Vader bidt voor zijn vrienden, staat daar: ‘Zolang ik bij hen was heb ik hen [..] bewaard en over hen gewaakt: geen van hen is verloren gegaan behalve hij die verloren moest gaan, opdat de Schrift in vervulling ging.’ En opeens valt onze rechterstoel om. Jezus zegt dat Judas als het ware door het noodlot, ja door bijbelse profetie was aangewezen om hem te verraden. ?  Hoezo schuldig? Wat of wie is schuld? Schuld of noodlot?

 

‘Broeders en zusters, het Schriftwoord waarin de Heilige Geest bij monde van David heeft gesproken over Judas, de gids van hen die Jezus gevangen hebben genomen, moest in vervulling gaan.’ Petrus aan het woord in de eerste lezing. Ook hier: in Judas moest de profetie bewaarheid worden. Ook hier geen veroordeling. Slechts de constatering van een feit: het Schriftwoord moest in vervulling gaan. En zo geschiedde. Het lijkt wel alsof Petrus noch Jezus zelf geïnteresseerd is in persoonlijke schuld. Het lijkt wel alsof het meer gaat om het begrijpen van Gods wil met de mensen, met de loop van de geschiedenis dan om het oordelen en veroordelen.

Uit de gebeurtenissen rond Judas en uit zijn lot maakt Petrus op dat het Gods wil is dat het gat dat de tragische dood van Judas heeft laten vallen in de gelederen van de apostelen wordt opgevuld. ‘Judas was een van ons en had deel aan onze dienende taak.’ In de oren van nu klinkt het bijna liefdevol. Maar het gaat Petrus om continuering van de dienende taak die de kerk op haar jonge schouders heeft genomen: ‘getuigen van zijn opstanding’.

 

Na de gruwelijke en vernederende liquidatie van Jezus moet het voor Petrus als een loodzware opdracht gevoeld hebben om in de voetsporen van Jezus te treden en zijn werk van getuigenis en barmhartigheid voort te zetten. In zijn eerste optreden – de lezing komt uit het allereerste hoofdstuk van de Handelingen van de Apostelen – treedt hij met zijn benadering van het ‘geval Judas’ wel heel letterlijk in het voetspoor van Jezus. Hij schildert de feiten zonder beschuldiging of verwijt. Hij laat het oordeel aan God. Hij neemt zijn verantwoordelijkheid en zoekt in het moment van nu naar de wil van God. Wat staat mij te doen?

 

Laten we er niet overheen lezen. Misschien dat de verhalen van vandaag wel heel erg van belang zijn voor  ons in deze tijd. In deze tijd van publieke tribunes en kliklijnen, waarin iedereen wordt uitgenodigd om afwijkend gedrag te melden en vreemden in de gaten te houden, waarin het spook van het volksgericht de rechtsgang onder druk zet.

 

Laten we als Jezus volgelingen extra nadenken over juist die woorden die ons vreemd in de oren klinken. In het bijbels spreken over Judas wordt concreet wat Matteüs uit Jezus’ mond heeft opgetekend: ‘Oordeel niet, opdat er niet over jullie geoordeeld wordt.’ Geen mens, geen Judas verdient het dat zijn naam een scheldwoord wordt. Immers, ieder mens iseen van ons” en heeft deel aan onze dienende taak. We kunnen niemand missen.

 

Meindert Muller

 


OVERWEGING:  Christus Hemelvaart 2018 Hand. 1, 1 – 11.     en Marcus 16, 15 – 20

 

Jezus gaf ons, juist voor zijn vertrek, nog 2 opmerkingen mee:

  1. ‘Trek heel de wereld door om aan elk schepsel de goede boodschap te verkondigen.
  2. Leg zieken de handen op en zij zullen gezond worden.

Deze twee opmerkingen wat doen we daarmee in deze tijd!
Staan wij ook nog steeds naar de hemel te kijken?
Of trekken wij er iedere dag, thuis of op ons werk, of waar we ook zijn met die blijde boodschap van Jezus de wereld in? Een boodschap van liefde om er te zijn voor anderen en voor elkaar.
Ervaren wij nog steeds dat de Heer met ons meetrekt en dat Jezus zijn woord kracht bijzet en door zijn begeleiding, door wonderlijke tekenen tot stand te brengen?  Zo ja . . . . dan nu even terug naar onze eigen parochie van vandaag.
Het is precies een maand geleden, dat het kerkbestuur ons uitnodigde voor de jaarvergadering van onze parochie!
Daar werden verschillende mooie suggesties gedaan om daadwerkelijk er te zijn voor elkaar. We hebben een mooi groot gebouw in ons midden,
wat wij onze kerk noemen.
Wat mij betreft de mooiste kerk van Sittard.
Dit omdat iedereen die komt kan met alle anderen het altaar zien.
Iedereen kan horen. En heel voornaam het gebouw kan om verschillende redenen gebruikt worden voor allerlei andere doeleinden, die mensen nodig vinden.
De nadelen zijn dat het gebouw duur is om warm te stoken.
En door de leeftijd duur begint te worden in onderhoud.

Maar over de jaren heen hebben we wel het feit - wat in het nieuwe testament heel duidelijk wordt aan gegeven - maar wat nu in deze tijd niet meer van  toepassing lijkt: namelijk het samen komen in gebed!
In het boek van de handelingen lezen we over het samen vieren bij iemand thuis.
Hoe het dan er precies aan toe gegaan daar lees je niet expliciet over.
Maar door mijn verblijf voor jaren in Kenia en het feit dat ik nogal wat getrokken heb door de wereld en daardoor overal en nergens de Eucharistie heb mogen vieren, kan ik U vertellen dat de mooiste en intensiefste vieringen die ik samen met een groep mensen heb  mogen vieren, als iets geweldigs voor hen heb mogen ervaren.
Niet in prachtig uitgeruste kerken met prachtige tafels als altaar en geweldig mooie gebouwen. Nee gewoon soms met een geweldig gammele tafel in het midden van de groep mensen.
Soms wel en soms – wat wij zouden zeggen – niet gelovigen.
Wel altijd in een taal, die de groep mensen sprak en met zang die de mensen aansprak. En de duur van het samenzijn was afgesteld NIET op de klok , maar een duur waarvan alle aanwezigen genoten.
Een paar punten in iedere viering waren heel duidelijk.
Beginnend met het in het reine komen met degene in wie je geloofd en de ander en jezelf.

 

Het luisteren naar de woorden uit de bijbel.
Het vragen aan Hem in wie je gelooft om naar je te luisteren.
Het brengen van je gaven.
Het vragen aan de Schepper om zichzelf weer aan ieder van de groep te geven in het Voedsel, dat Hij ons wil geven.
En uiteindelijk diezelfde Schepper te vragen om met allen aanwezig mee te gaan en bij ons te blijven om ons dan uiteindelijk op te nemen.
Wat mij betreft – zonder regeltjes, wat kleding en alles er omheen betreft.
Maar in het samenzijn te ervaren als een aanwezigheid van de Schepper en Jezus! 
Geloven we dat nog . . . . . durven wij nog aan te nemen, dat dit de blijde boodschap is, die Jezus ons ooit bracht.
Een boodschap die wij vandaag aan de dag nog in ons mee mogen dragen en aangepast uitdragen.
Als we dat durven aan te nemen, dan hoeven we niet meer omhoog te blijven kijken.
Dan moeten we om ons heen kijken, zoals Jezus het zelf ons heeft voorgedaan.

 

Piet Verhagen

 


OVERWEGING 4e zondag van Pasen, 21 en 22 april 2018. Lezingen: 1 Joh.3,1-2; Joh.10,11-18


“Als je niet kunt slapen
Tel dan niet je schapen
Maar praat met de herder….”

 

Deze zinnen trof ik onlangs aan in een folder van de Drenthse V.V.V., reclame om aandacht voor de schaapskudden die daar op de heidevelden te vinden zijn. Voor de moderne toerist met zijn e-bike of milieuzuinige auto een mooi relict uit vervlogen tijden, zo’n herder met zijn grazende kudde, goed voor een pauze met een drankje en een paar mooie foto’s voor later.

 

Het beeld van de Goede Herder uit het evangelie van vandaag is minder onschuldig, en zeker niet romantisch bedoeld. We lezen dit fragment uit het Johannesevangelie in de tijd tussen Pasen en Pinksteren, en dat is ook niet voor niets. Vroeger dacht ik wel eens, dat die tijd, wel vijftig dagen lang, wel erg lang duurde voordat de Geest besloot eindelijk eens te gaan waaien. Nu ik wat ouder ben begrijp ik het beter. Want het moet een intense tijd geweest zijn voor de apostelen, samen met de vrouwen en Maria. Een intense tijd van zoeken en hernemen, wat hun met Jezus, die zij in de marteldood verloren hadden, was overkomen. En wat hen blijvend met hem verbonden zou. In die tijd van zoeken hernamen zij hun herinneringen, maar zochten ook naar houvast in de bijbelse geschriften om zijn betekenis te duiden.

 

De goede of waarachtige herder, dat is in de bijbel de benaming van de echte leider van het volk, die betrouwbaar is en te vertrouwen. Alle goede leiders van het volk van Israel hebben daadwerkelijk een relatie met het hoeden van een kudde, zoals Abraham en Mozes. Als voorbeeld kunnen we David nemen, die door Samuel achter de kudde vandaan wordt gehaald om tot koning gezalfd te worden. In zijn hoeden van de kudde, zijn herderschap heeft David bewezen, dat hij weet van de gevaren van het leven; je moet als herder in het oude oosten een moedig mens zijn, want er liggen altijd roofdieren en ander ongemak op de loer, er op uit om jouw kostbare bezit te roven. Een herder is een moedig mens, die zijn leven geeft voor zijn schapen.

 

Het beeld van de goede herder wordt in de loop van de tijd overgedragen op God zelf. Hij is de betrouwbare begeleider van zijn volk, die het tegen alle gevaren zal beschermen en behoeden. In de psalm 23, die we zojuist zongen horen we dat; ‘al moet ik door het dal van de dood, ik vrees geen kwaad; uw staf en stok zijn bij me’. Dat herder en hoeder zijn van God, in psalmen en door de profeten telkens weer op andere wijze bezongen, heeft vele gelovigen getroost. Ik herinner mij uit het ziekenhuis een erg zieke mevrouw, die mij vroeg haar deze psalm voor te lezen. De kracht, die uit deze woorden sprak, waren voor haar genoeg om troost en hoop uit te putten. Vandaag hebben we in onze liturgie zoveel mogelijk liederen gekozen, die aansluiten bij dit positieve herder zijn van God.

 

De apostelen hebben tussen Pasen en Pinksteren dit beeld van de Goede Herder weer ontdekt uit het leven van Jezus, en het tot de hunne gemaakt. Jezus is voor hen voortaan het toonbeeld van de mens, die hen als een schaapskudde zal leiden door alle gevaren heen, naar ‘grazige weiden’.  Denk even in, wat dat voor moed dit betekende ten opzichte van hun joodse tijdgenoten. Jezus erkennen als de gekomen Messias, die in innige verbondenheid met de Vader optreedt – zo horen we als een constante ondertoon in het evangelie van Johannes – vraagt durf ten opzichte van hen, die hier nee opzeggen, het zelfs bestrijden. De uitspraken van Jezus over zijn herder zijn zelf lokken ook tegenspraak uit, maar vooral verdeeldheid bij zijn joodse toehoorders; is hij het niet, of – juist door de daden die hij verricht – is hij precies wel dat evenbeeld van God, die hij aangeeft te zijn? Is het de moeite waard hem te volgen op zijn levensweg?

 

Vandaag is het roepingenzondag, naar aanleiding van dit evangelie. Het beeld van de herder en zijn kudde heeft vaak geleid tot een heel specifieke invulling van dat herderschap; het zijn degenen, die over ons zijn aangesteld om ons, arme schapen, te hoeden en te beschermen. Maar in de laatste jaren herkennen we vooral onszelf in dat beeld van de Goede Herder, en worden we uitgedaagd om er over na te denken of wij – in het spoor van Jezus Messias – zo’n herder, zo’n hoeder willen wezen voor alles en iedereen die ons is toevertrouwd, op onze eigen plaats, op onze eigen weidegrond.

 

In het evangelie geeft Jezus ons weer te denken over de eigenschappen van zo’n herder. Hij wijst op de tegenstelling tussen herder en huurling. De herder is trouw en draagt verantwoordelijkheid. Ook het uitleiden uit de stal kan ons te denken geeft; het weiden en grazen gebeurt in het heen en weer tussen de geborgenheid in de stal en de wijde wereld – in het geheel van het evangelie een verwijt aan groepen uit het joodse volk, die hun schaapjes liever in hun eigen knusse beslotenheid houden. Maar vooral de verwijzing naar de stem kan ons inspireren;  de schapen luisteren naar zijn stem. De stem, waarmee hij roept, fluistert, aanmoedigt, in liederen, gebeden en in de stilte van ons hart. En onze stem inspireert, waaraan wij in deze gemeenschap onze roeping tot herder overwegen en in de wijze wereld – de psalm zingt van ‘grazige weiden’  - vorm geven. Geroepen zijn tot herder. Aangeraakt door zijn stem, die in ons zingt. Dat kan ons vandaag weer denken geven over onze eigen toonhoogte, onze eigen melodie, waarin we in de wereld staan, hoedend en behoedend.

 

De regels uit de VVV-folder blijven intrigerend, ik weet niet waar ze vandaan komen en wie ze geschreven heeft. Maar ik zou in dit vers een opdracht en een bemoediging tot geloven  kunnen zien. Zo luister ik naar het evangelie en samen schrijven we dit, in het spoor van de Goede Herder verder.

 

“Als je niet kunt slapen
Tel dan niet je schapen
Maar praat met de herder
En weet dan: Hij is er”
Met Hem ga ik verder.

 

Ren Lantman

 


TER OVERWEGING   14 en 15 april 2018          Hand. 3, 13-15.17-19  Lc. 24, 35-48
Thema: Wees niet ver        

            

Hoewel je meteen na 2e Paasdag geen gekleurd ei meer kunt kopen (alleen nog wat chocolade-eitjes voor de helft van de prijs): Pasen duurt voort... Nog tot Pinksteren. Er is tijd nodig om de Paasboodschap te laten doordringen. Zonder Pasen geen christendom, geen kerk. Het is ons belangrijkste feest. Toch is de Paastijd geen tijd met een gemakkelijke of met een vanzelfsprekende boodschap. Christus is verrezen, maar wat betekent dat mysterieuze gebeuren in ons leven?

 

Petrus preekt (zie Hnd. 3): de dood en de zonde zijn overwonnen, Jezus is opgestaan. En de apostelen - waaronder Petrus zelf - getuigen daarvan... Maar dat was niet vanaf het eerste begin het geval. Als we het Lucasevangelie (hfdst. 24) lezen, dan merken we dat er ook bij die leerlingen  eerst nog wel wat twijfel te overwinnen is. We staan op de grens van geloof en ongeloof... Want we lezen daar heel nadrukkelijk - misschien wel tè nadrukkelijk - enkele bewijzen, enkele punten die aangeven dat degene die ze zien echt Jezus is: hij is er, ze kunnen hem aanraken, zien zijn doorboorde handen en voeten en ze zien dat hij iets eet. En tenslotte legt hij hen uit wat er in de Schriften staat... Het moet Jezus zelf wel zijn, ook al denken ze eerst dat het inbeelding is, dat ze een geest zien.

 

Als het echt concreet zo was gebeurd als het nu beschreven wordt... als er geen aarzeling, geen twijfel was geweest... dan waren deze teksten niet nodig geweest... De stelligheid van de tekst spreekt juist van behoefte aan geloofszekerheid. Er is blijkbaar sprake van een traag proces, van groeiend inzicht, van langzame genezing van hun teleurstelling en desillusies. In de plaats daarvan blijkt er geleidelijk heel veel van Jezus’ leven weer steeds dichterbij te komen. Tenslotte beseffen ze dat Hij leeft...!

 

Hoe is het bij ons? Herkennen we daar iets van, of staat dit heel ver van ons vandaan? Hoe kunnen wij Jezus  op het spoor komen? Waar kunnen wij hem bijna aanraken? Het Paasverhaal past niet zo goed in onze wereld. Het lijkt zo zweverig. We verlangen naar iets grijpbaars, iets wat tegelijk past in ons leven.

 

Hoe worden we ontvankelijk gemaakt, geopend en geraakt?...

Er is sprake van een Verhaal. Als het ware met een hoofdletter. Een verhaal over Jezus van Nazareth, en over God die Hij zijn Vader noemt, neergeschreven door wie na hem kwamen en in hem geloofden. Dat verhaal komt in onze vieringen terug, telkens weer, elk jaar opnieuw,  wie dat wil trekt er een leven lang mee verder. Het komt terug in vier versies, en in de andere teksten van het Nieuwe Testament, vergezeld van teksten van vóór die tijd, die ook voor Jezus - als jood - met God te maken hebben, het Oude Testament. Het Verhaal komt naar ons toe, gaat met ons eigen leven mee, het krijgt een plek in gebeden, in de gemeenschap van gelovigen, in gebaar en teken, in religieuze kunst: beeld en  muziek, het dringt door in de stilte. Het Verhaal wordt geleefd: in daden van naastenliefde, barmhartigheid die handen en voeten krijgt. Het komt tot uiting in levensverhalen van mensen die we kennen. Het resoneert in ons hart. Ons eigen verhaal, onze levensgeschiedenis wordt in zekere zin ermee verweven. Het draagt de diepte van ons eigen bestaan. Het Verhaal - met een hoofdletter - leeft zo in ons... Jezus leeft in ons...! Dat is verrijzenis.

 

Soms zijn we het kwijt, soms komt de onzekerheid opzetten. Dat is niet erg. Want we hebben elkaar. Als geloofsgemeenschap kunnen we elkaar hierin ondersteunen, door samen te praten over alles wat ons bezighoudt en samen te zoeken... En we kunnen God telkens weer vragen.: wees niet ver van ons leven hier, van ons bestaan in deze wereld van 2018... Kom en ga met ons mee, net als toen.


Elly Bus-Linssen

 


TER OVERWEGING:   2de zond. Van Pasen 2018   Handelingen 4, 32 - 35  Johannes,  20, 19 - 31    

 

Het is heel erg moeilijk . . . . . maar ik heb het  toch geprobeerd . . . . . .  namelijk om mezelf te verplaatsen naar wat we juist hoorden:
“In de avond van die eerste dag van de week, toen de deuren van de verblijfplaats der leerlingen gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei:  “Vrede zij u.”
Een kort stukje van het hele verhaal met als einde:
Ik hoor Jezus dit iedere keer zeggen: “Vrede zij u!” 
Dit hoor ik Jezus nog iedere keer zeggen:
In mijn hoofd is dan iedere keer weer de reactie: “Wat vrede . . . . .
Dan denk ik terug aan het begin van 2003.
Ik had officieel de zending van Bisschop Wiertz gekregen om hier als pastoor de schapen van Jezus te gaan hoeden.
Ik had weer eens mijn zin gekregen.
De ontmoeting van de leiders van Jezus schapen in de parochie van de Vrangendael was geweldig naar mijn zin geweest.
De bisschop had de parochie en mij al snel op de hoogte gebracht dat hij het goed vond, dat ik hier pastoor zou worden.
Geweldig . . . .  maar naar een tijd bleken en toch addertjes in het gras te zitten.
In mijn ogen: Addertje een! Als je de 75 jarige leeftijd bereikt, wordt je verondersteld je biezen te pakken.
Maar dat was een “makkelijk” addertje, want zelfs het bisdom stapte daar vrij makkelijk overheen.
Officieel werden het twee jaar erbij gegeven! En nu is er de hoop. Hoop, omdat de deken het raar vond, dat ik juist dat jaar 50 jaar priester zou zijn weg zou moeten!
Dan werd het de vraag: wordt er feest gevierd, omdat ik 50 jaar priester ben, OF omdat ik te oud zou zijn om het werk als priester in deze parochie toch maar neer moest leggen?
Persoonlijk wil ik helemaal geen feest, zeker niet omdat juist zo’n feest geld zou gaan kosten.
Het is bij jullie allemaal bekend dat - als parochie:
“de parochie geen geld heeft om een feest te vieren. 
Het zou helemaal tegen het idee indruisen van wat we hoorden in de eerste lezing:
Er was geen enkele noodlijdende onder hen, omdat allen die landerijen of huizen bezaten, deze verkochten en de opbrengst ervan meebrachten om aan de voeten van de apostelen neer te leggen.
Aan ieder werd daarvan uitgedeeld naar zijn behoefte.
Dat dat idee ooit geleefd heeft onder de volgelingen van Jezus, daar twijfel ik toch aan !

 

Als ik zo rond kijk in de maatschappij van vandaag aan de dag en daar hoor ik ook bij  .  . . dan is het “normale” in deze tijd meer:
ikke en de rest kan . . . . .

Dan toch weer terug naar het evangelie verhaal:
Hoewel de deuren gesloten waren, kwam Jezus binnen,
ging in hun midden staan en zei: “Vrede zij u.”
Vervolgens zei Hij onder anderen tot Piet:
“Kom hier met je vinger en bezie mijn handen.
Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde, en
wees niet langer ongelovig, maar gelovig.”
Dan als klap op de vuurpijl durf ik toch samen met Tomas uit te roepen:
“Mijn Heer en mijn God!”
Maar Jezus kende zijn pappenheimers en dus ook mij en zei:
“Omdat ge Mij gezien hebt, gelooft ge?
Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben.”
En deze reactie van Jezus kunnen we – zoals we zeggen -  op zak steken.
Dus de vraag: HOE zit het met ons geloof?    

 

Piet Verhagen

 


Overweging paasmorgen 2018, Lezing Handelingen 10, 34-43;  Joh. 20, 1 – 18


Inleiding
Vandaag vieren we Pasen. Het belangrijkste feest in ons christelijk geloof, dat we vannacht hebben ingeluid met de Paaswake. Ons licht hebben we opnieuw ontstoken aan de Paaskaars, we hebben de schepping opnieuw beleefd in het lezen van het scheppingsverhaal en het verbond van God met ons gevierd in de uittocht uit Egypte. We hebben ons geloof waarin we gedoopt zijn, opnieuw uitgezegd. Dit alles hebben we gevierd in de taal van symbool, gebaar en lied – waarin we hebben verbeeld, wat zo moeilijk te bevatten is; leven ondanks de dood, Jezus als de levende in ons midden. Zo begint Pasen voor ons en deze morgen begint alles opnieuw. In de verhalen van de Paasmorgen begint ons geloof opnieuw te gloren, bij het lege graf. De schepping opnieuw, het verbond nieuw bezegeld.


‘Op de eerste dag van de week kwam Maria Magdalena vroeg in de morgen – het was nog donker – bij het graf ‘. (Joh. 20, 1a). Zo begint het Paasverhaal in de versie van de evangelist Johannes. Op de eerste dag van de week; de joodse maandag, het begin van de werkweek, de draad van het leven wordt weer opgepakt. Een vrouw gaat naar het graf van haar geliefde, waar zou ze anders met haar verdriet heen moeten? En dan gebeurt het wonderlijke, daar in die tuin, waar we straks over horen. Het bezoek zet een wonderlijke keten van gebeurtenissen in werking, die nog natrillen tot op vandaag in onze geloofsgemeenschap–  onderdeel van het dragend Paasgeloof van toen en nu. We gaan straks terug naar die tuin om te horen wat daar gebeurde.


In de eerste lezing zijn we al een stuk verder in de verwerking van die eerste Paasmorgen. De apostel Petrus houdt een bevlogen toespraak tot zijn omstanders, nadat hij in zijn contacten met de Romeinse hoofdman Cornelius tot het besef is gekomen, dat het geloof in de verrezen Heer voor alle mensen bestemd is, en daarom doorverteld, uitgedragen en beleefd moet worden.


En zo zijn wij als christenen door een lange geschiedenis van geloof, hoop en twijfel aangeland op vandaag. Deze morgen, deze nieuwe Paasdag, anno Domini 2018. Waarop we in verwondering terugkijken naar die eerste paasdag, naar de apostelen die naar het graf gaan, naar een vrouw in de tuin. Waarop we zelf – hoe we er ook aan toe zijn – ons verwonderen en verheugen, en – dat mag dan vandaag – een halleluja zingen, uitbundig of meer ingetogen. Want de Levende is in ons midden, en noemt ons bij onze Naam. En hij zegt tot ons; sta op, leef. Wees aangeraakt.

 

Overweging
De eerste Paasmorgen. Het evangelie volgens Johannes geeft ons een verrassende inkijk in de gebeurtenissen van die morgen, het beslissende scharnierpunt in de gebeurtenissen rond Jezus. Goede Vrijdag is voorbij, het Pesach door de joden gevierd, de stilte van het graf rond de dode Jezus betreurd,  er heerst verslagenheid en rouw. En het is een vrouw, die dicht bij Jezus geleefd heeft en onder zijn kruis heeft gestaan, die de aanzet geeft tot gebeurtenissen rond dat graf. Petrus en Paulus komen door haar toedoen in beweging, en het lege graf geeft hen te denken. Zij rennen heen en weer, misschien weerspiegelt de chaos in hun handelen de onrust in hun hoofd. Maar Maria loopt niet weg van het graf, ze blijft staan, ze huilt, ze is radeloos, ze rouwt om haar geliefde Jezus. Wat daar gebeurt in het verhaal is zo door en door menselijk, dat wij dat moeiteloos kunnen verstaan. Want wat gebeurt er anders aan rouw en verdriet rond een geliefde, die je verloren hebt, zoals wij allemaal onze eigen ervaringen hebben van verlies en verlorenheid. Grafbezoek, we kennen het, rond de dood staan we met lege handen.


En dan dat verrassende moment van herkenning. Maria spreekt iemand aan, waarvan ze denkt, dat die haar kan helpen het verdwenen lichaam van Jezus te vinden. De tuinman, zo’n man die alles van graven en hun geschiedenissen weet – je kent zulke mensen wel, die te vinden zijn op de kerkhoven. Onderzoekende blik, schoffel in de hand, dit is mijn terrein, Rembrandt tekent hem met een strooien hoed. Maar voor de hoorders van het evangelie van Johannes van toen is het onmiddellijk duidelijk, dat we ons in de tuin van het paradijs bevinden, die van de eerste schepping, die van de eerste liefdesverklaring tussen God en mens. En daar geschiedt de herkenning. Maria wordt aangesproken met haar eigen, onvervreemdbare naam. En in een flits herkent ze wat er gebeurt; opnieuw een liefdesverklaring, maar alles is nu anders.


De evangelist geeft ons geen enkele gelegenheid om stil te blijven staan bij dat paradijselijke tafereel. Houd me niet vast, zegt Jezus. Een woord, dat in de geschiedenis zeer tot de verbeelding heeft gesproken en in de kunst tot veel beelden van die ontmoeting in de tuin heeft geleid. Houd me niet vast. Het tekent de goddelijke nabijheid, en tegelijk de afstand. Pasen is niet de Goede Vrijdag voortzetten met andere middelen, er is onvermijdelijk een afstand tussen Jezus van Nazareth, de ten onrechte veroordeelde en gekruisigde, en de Levende Heer, die zo rakelings nabij en als levende aanwezig is. En ook dat – hoe verwarrend het ook is – kunnen wij ons wel indenken, als wij geliefden in de dood moeten achterlaten. Ook zij leven in ons voort, hoe dan ook. Hoe te meer dan Jezus, de kroongetuige van onze geschiedenis van God en de mensen. Niets van zijn leven gaat verloren, hij is bijna tastbaar aanwezig en toch zegt hij tegen Maria; ‘houd me niet vast’.  


Opnieuw neemt het verhaal dan een verrassende wending. Jezus zegt tot Maria. ‘Ik stijg op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en Uw God’. Opnieuw schiet er een vonk over bij de eerste hoorders van deze blijde boodschap. Want in het herhaaldelijk verspringen van ‘mijn’ en ‘uw’ wordt het verbond uitgedrukt tussen God en mensen, het onlosmakelijke verbond ooit van dat kleine volkje Israel, en nu met alle mensen, zonder onderscheid, zoals Petrus in zijn toespraak zegt (Hand. 10,34). Ondanks de afstand die er met de aardse Jezus wordt bevestigd, is er de onlosmakelijke nabijheid van het verbond tussen God en mensen, waarvan Jezus de Levende garant is. Tussen God en mens; het is en blijft een liefdesverhaal, zoals in het Hooglied bezongen wordt: ‘Draag mij als een zegel op uw hart, als een zegel aan uw arm; want sterk als de dood is de liefde’ (Hooglied 8,6).


Zoveel is duidelijk: dit verhaal van de ontmoeting in de tuin raakt aan de diepe wortels van het geloven – het paradijs wordt er in zichtbaar, en het verbond tussen God en mensen. En tegelijk is het – en dat  vind ik het meesterlijke – is het vertelde zo diep menselijk, dat wij er bij hadden kunnen zijn. En  vanuit onze eigen menselijke geschiedenis van bloei, loslaten, verliezen en doorleven – doorléven – kunnen aanvoelen wat er gebeurt. Ook met ons gebeurt, als we in onze eigen Goede Vrijdag verliezen moeten ervaren, het onschuldige leven van onze dierbaren, maar ook van onschuldig gemartelde en gedode mensen, daar in Syrië, of waar ter wereld ook. Leven dat verloren lijkt te gaan in de dood. Maar in de onaanraakbaarheid en tegelijk de nabijheid van de doden, wordt ons verbond met het leven bezegeld. Alles wat we moeten achterlaten in de dood krijgt een nieuwe glans. Nee, de pijn en het gemis worden niet weggenomen. Pasen is geen toverformule. Maar er is een nieuwe glans over het leven gekomen. Nieuw is het besef van onze gezamenlijke verwevenheid in de geschiedenis van God en mens, en van ons mensen onderling. We staan in het verbond, dat ons de geschiedenis in draagt en ons zegt: Mens, sta op en leef. Wees aangeraakt.


Aan het begin van de voorbereiding van de 40-dagen tijd las Elly Bus de vrijwilligers, die aan deze tijd vorm hebben gegeven – de zangers, bloemversierders, denkers, en doeners – en aan alles waaraan we aandacht en stem hebben gegeven  de volgende tekst voor, die mij heeft ontroerd, en die misschien iets van het Paasgeheim dichtbij voor ons verwoord;


Adem in mij*.
Gij die ondenkbaar
onzienbaar nabij zijt,
de wegen voorbij.
tot waar geen god
mij nog vasthoudt
dan Gij, Alleen Gij.
en geen ander dan Gij
mij zal dragen tot over
de diepte waarboven
de spanne mijns levens
zich waagt.

Naast mij gaat Gij:
tot waar de morgen
in  licht zich ontvouwt
weet ik dat Gij
mij niet loslaat
mijn naam in uw handen
geborgen houdt:

gaandeweg
zegent Gij mij.

Levende Naam diep in mij:
licht op in mij, adem in mij,
ik in U en Gij in mij.

Adem mij open, adem mij vrij.
Uit: A. Kortekaas, Reisgenoten, pag. 38. Met dank aan Elly Bus

 

Ren Lantman



Overweging Witte Donderdag 2018

 

Mooi zijn de verhalen van Witte Donderdag. Mooi, eenvoudig en overtuigend. Je kunt ze makkelijk begrijpen. Terwijl ze toch over diepe dingen gaan. Over de kern van ons geloof. De Voetwassing. Het Laatste Avondmaal. We hoeven ons voorhoofd niet te fronsen. Je ziet het voor je wat je hoort. Je weet wat de verteller bedoelt. Je weet waar het Jezus om ging. Om wie het hem ging. Daar hoef je geen theoloog voor te zijn. Je mag er als het ware bij zijn. Verhalen als uitnodigingen om te geloven.


Daarom is het zo’n mooi feest, Witte Donderdag. Een stil en ernstig feest. Er is het weten wat gaat komen: verraad, lijden en dood. Weten dat diepte geeft aan wat vandaag gebeurt. Aan het rollenspel van de voetwassing. Jezus als de knecht die de stoffige voeten van de gasten wast. Nee, niet van de gasten. Van zijn vrienden. Hij speelt de rol met grote ernst. Paulus zal zeggen: ‘Hij nam de gestalte aan van een slaaf..’. Eén sputtert tegen, wil niet meespelen. Ziet dan hoezeer het Jezus ernst. Snapt wat Jezus bedoelt. Geeft zich over. ‘Heer, dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd!’


En ieder die het hoort weet dat het over liefde gaat. Over liefde en vriendschap en overgave. Over dienstbaarheid die tot vertrouwen leidt. Tot ‘doe met mij wat je wilt’. Het is het testament dat Jezus achterlaat. Een nieuw testament. Een laatste, vurige wil. Het is een vuur dat Jezus in ieder van ons wil zien branden. Zoals elders uit Jezus mond staat opgetekend: ‘Ik ben gekomen om op aarde een vuur te ontsteken, en wat zou ik graag willen dat het al brandde!’ En wat hij vanavond zijn leerlingen zegt: ‘Ik heb een voorbeeld gegeven; wat ik voor jullie heb gedaan, moeten jullie ook doen.’ Zijn leerlingen. Zijn wij niet zijn leerlingen?


Laten we onszelf niet wijsmaken dat het evangelie moeilijk is. Moeilijk te begrijpen. En dat je van alles moet geloven wat meer goedgelovigheid dan gezond verstand vraagt. Nu, op deze avond, komt het er op aan.  Jezus voorvoelt het einde. En hij vat in twee heldere voorbeelden samen wat hij ons wil nalaten. Het eerste: het voorbeeld van de voetwassing. En iedereen snapt wat hij bedoelt. Heb elkaar lief. Maak je dienstbaar. Help elkaar en maak de wereld een betere plaats voor iedereen. Hij vraagt ons niet in wonderen te geloven. Slechts één wonder doet ertoe: het wonder dat liefde heet; het wonder dat liefde doet.


En het tweede voorbeeld. Het Laatste Avondmaal. Het laatste samenzijn van Jezus met zijn leerlingen. Een samenzijn waarbij elk woord, elk gebaar telt. Buiten wordt het net gespannen. Spannen de vijandelijke krachten samen. En ook binnen, in de zaal, sluimert het verraad. Wat Jezus dan doet is op zich niet iets ongewoons. Het krijgt lading door het moment, door het afscheid. En door de woorden die Jezus erbij zegt. Als een goed gastheer laat Jezus brood en wijn rondgaan. Hij zegt: ‘Tast toe. Eet en drink. Zo zal ik me geven. Voor jullie. Voor alle mensen. Zo ben ik bij jullie. In jullie. Zo zal ik bij jullie blijven zolang jullie mij in dit gebaar gedenken.’


Een duidelijk gebaar. Een heldere boodschap. Wat er door de eeuwen ook allemaal aan leerstelligs en diepzinnigs rond de eucharistieviering gedacht, bedacht en gezegd is, hier gaat het om. Het is door de eeuwen heen, en door het groeiend aantal gelovigen, misschien wat erg ritueel en symbolisch geworden. Maar lees in het Nieuwe Testament de teksten die erover gaan en je weet wat eucharistie vieren in de kern is: Jezus gedenken in het zegenen en delen van brood en wijn.


Misschien zijn in de loop der tijd brood en wijn – vooral het brood – teveel losgemaakt van het verhaal, het gebaar. Zijn het dingen op zich geworden. Het sacrament bestaat niet zozeer in het gewijde brood en de geheiligde wijn op zich. Het gaat om het hele verhaal van het Laatste Avondmaal: het samenkomen als vrienden rond de tafel; rond Jezus; de woorden waarmee Jezus zijn Vader dankt en diens zegen vraagt over brood en wijn; het ronddelen van deze gaven als gebaar van zelfgave en belofte van onvoorwaardelijke trouw. Het sacrament zit niet in de dingen maar in het doen: samenkomen, danken, gedenken, delen. Doe dit en denk aan mij.’


Het uur was zwaar van afscheid. Van verdriet ook. Zelfs van verraad; Judas verdwijnt in de nacht. Maar het is ook een glorieus uur. Er was een liefde, een vriendschap, sterker dan afscheid, sterker dan de dood. Die is er nog steeds. Nog zoveel eeuwen later brengt Jezus’ smeekbede ‘Doe dit en denk aan mij’ nog altijd mensen samen. Ook ons hier.


Het zijn geen moeilijke woorden waarmee de kernverhalen van ons geloof zijn opgetekend. Eenvoud is het kenmerk van het ware. Van het heilige.  Zelfs van het diepste mysterie.

 

Meindert Muller

 


TER OVERWEGING       25 maart 2018                    Palmzondag
40-dagentijdthema:  Opstaan en leven

“De vrienden lopen met een grote groep mensen achter zich aan door de poort van Jeruzalem. De ezel met Jezus erop tussen hen in. De mensen langs de kant van de weg beginnen te juichen. Ze snijden palmtakken van de bomen en gaan ermee zwaaien. ‘Hosanna! Hoera voor de nieuwe koning,’ wordt er geroepen. ‘Hosanna, de zoon van David!’”
(Uit kinderbijbel: ‘Om te beginnen’)

Maar zo vrolijk blijft het niet in Jeruzalem... Palmpasen is een feest van tegenstellingen... Tenslotte eindigt het anders:

“Want op de heuvel Golgota slaan de soldaten Jezus aan het kruis.
Zijn kleren verdelen ze door erom te dobbelen.


Links en rechts van Jezus worden twee rovers gekruisigd.
Er zijn mensen die hem zelfs dan nog durven te bespotten. ‘Anderen heeft hij gered, maar zichzelf kan hij niet redden’ roepen ze, en: ‘Als je de zoon van God bent, kom dan van dat kruis af!’


Maar zijn leerlingen, zijn moeder en andere mensen die veel van hem hielden, huilen.
Tegen de middag laat God het helemaal donker worden op de aarde.
Jezus roept: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten!?’
Dan sterft Jezus.
Op dat moment beeft de aarde. De rotsen splijten open.
En in de tempel scheurt het grote gordijn voor de heilige ruimte van boven naar beneden in tweeën.” (Naar een verhaal uit: Bijbelse verhalen voor kinderen NT Cramer-Schaap)

Waarom...?
Waarom moet het zo eindigen?
Het is toch een geweldige en goede man, die Jezus?
Waarom is hij ook zo dom om naar Jeruzalem te gaan
als hij toch weet dat het daar niet veilig is?
Maar hij kan niet anders. Hij kiest er toch voor.
Wat hij doet maakt juist duidelijk wat het betekent als je echt leeft.
Want als hij vlucht verraadt hij zichzelf en zijn levensopdracht.
Jezus is zich bewust van wat er kan komen. De dood is niet te ontwijken.
Maar er is leven dat groter is dan de dood...!
Zijn weg naar Jeruzalem is ondanks alles een weg naar bevrijding, een weg naar ‘Opstaan en leven’.

En wij dan...? Staan wij achter Jezus...? Snappen wij zijn boodschap...?
Doen we mee en willen we mensen hoop geven en vrede brengen?

Welke mens willen we zelf zijn? Waar staan we zelf?


Hoe groot is ons enthousiasme voor Jezus? Wat hebben we er voor over om zijn idealen vorm te geven in ons leven? En hoe gemakkelijk worden die ook weer verloochend?
Ook wij kunnen kiezen...! 

 

We zijn op weg naar Pasen. Het is het begin van de Goede week.
Wie een palmtakje meeneemt naar huis, heeft de opdracht tot volgeling zijn aanvaard.
Houden we vol, of is de weg langs het kruis te moeilijk?

 

Elly Bus-Linssen

 


TER OVERWEGING       3 en 4 maart 2018                            Int. Vrouwendag               Joh. 4
Thema: Gelijkwaardig                    40-dagentijdthema:  Opstaan en leven

 

Op 8 maart is het Internationale Vrouwendag. Hier willen wij deze week aandacht aan besteden...  In 2030 moeten vrouwen evenveel kansen krijgen als mannen, om mee te beslissen binnen de politiek, de eaconomie en het openbare leven. Landen moeten specifiek beleid maken en wetten aannemen die vrouwen en meisjes gelijke rechten geven op alle gebieden. Ook moet er een einde komen aan al het geweld tegen vrouwen en meisjes. Het verhaal van Azza uit Egypte dat Amnesty International ons aanreikt laat zien dat dit ideaal nog lang niet is bereikt. Azza komt op voor vrouwen die slachtoffer zijn van marteling, huiselijk geweld of verkrachting. Ze richtte twee organisaties op om de rechten van vrouwen te verdedigen. Door haar vreedzame activiteiten is ze nu een van de ‘verdachten’ in een rechtszaak. Ze kan tot 15 jaar gevangenisstraf veroordeeld worden. Bovendien heeft ze een reisverbod. Desondanks zet Azza haar vreedzame mensenrechtenwerk voort.

 

Wat betekent haar situatie voor ons? Wij zijn in heel andere omstandigheden. Ook de vrouwen hier. Een luxe positie. Wat kunnen we doen voor Azza en andere vrouwen die strijden tegen onrecht?


In de media afgelopen week ook aandacht voor seksueel grensoverschrijdend gedrag binnen hulporganisaties. Voedselhulp in ruil voor seks. Misbruik blijkt, waar wereldwijd noodsituaties zijn, zelfs door hulpverleners te gebeuren, ondanks het besef bij de hulporganisaties dat dit echt niet kan.


We worden bijna immuun voor de berichten. Het toelaten, emotioneel binnenlaten komen, van wat er gebeurt met kwetsbare mensen, overal, nog steeds, is moeilijk. En lijkt zinloos. Je wordt er verdrietig van en boos, en het lost ogenschijnlijk niks op. Toch kun je door gevoelens toe te laten beter solidair worden en aan acties meedoen. Want als er geen aandacht voor is, als slachtoffers worden doodgezwegen, als het ons onverschillig laat, dan verandert er zeker niets.

 

Maar er is meer te doen, ook in eigen land. Hoe beschermen we onze eigen samenleving tegen onvrijheid, tegen schending van mensenrechten, tegen discriminatie van mensen omdat ze vrouw zijn. (En ook tegen discriminatie van mensen om vele andere redenen, al krijgen die vandaag geen bijzondere aandacht.)


Vrouwen zijn ook in ons land nog niet in dezelfde situatie als mannen. Ze krijgen vaak nog niet evenveel betaald voor hetzelfde werk. En hoewel meisjes het al decennia erg goed doen op school zijn er nog steeds minder vrouwen in topposities dan mannen. Ze zouden het wel kunnen. Willen ze niet of worden ze niet gekozen? Zijn vrouwen net zo vrij als mannen op dit punt? Wat houdt die vrijheid in? Of is het zo dat sommige Nederlandse vrouwen juist hun vrijheid nemen om meer voor kinderen te zorgen en minder naar carrière te streven?


Er zijn ook nog steeds mannen die misbruik maken van hun macht en vrouwen iets afdwingen wat die eigenlijk niet willen. Via #metoo (#ikook) zijn afgelopen najaar ook in onze samenleving weer misstanden naar buiten gekomen. Die misstanden moeten stoppen!

 

En in onze rooms-katholieke kerk kunnen vrouwen nog altijd niet gewijd worden tot priester of diaken, waardoor er taken buiten hun (buiten ons, buiten mijn) bereik blijven, die in sommige andere kerken wel door vrouwen gedaan worden. De discussie hierover lijkt wel voorbij, het zal er in mijn tijd denk ik niet meer van komen... Niet over zeuren, wel noodzakelijk even benoemen. Een pijnlijke kwestie.

 

Op de Internationale Vrouwendag benadrukken we niet alleen de problemen, maar laten zien dat er ook overal ter wereld vrouwen opstaan en hun kracht laten zien. Vrouwen die opstaan omdat ze willen leven. Vrouwen als Azza. Als Malala. En vele anderen, die niet bij naam bekend zijn. Die opstaan, omdat ze dat leven ook willen voor andere vrouwen die worden uitgebuit of onderdrukt. Het zijn sterke vrouwen die bedrijfjes starten, die in actie komen tegen vrouwenbesnijdenis, die hun verantwoordelijkheid nemen en zoeken naar manieren zelf baas over hun eigen leven te worden. Zij verdienen onze aandacht en steun.

 

We maken een overstapje naar het evangelie van Johannes. In Jezus tijd waren vrouwen minder in tel dan mannen. De leerlingen zijn dan ook verbaasd als ze Jezus aantreffen terwijl hij bij een bron in gesprek is met een vrouw. Een Samaritaanse nog wel. Het is een bijzondere ontmoeting met een vrouw uit de marge van de samenleving. Een vrouw uit een door de joodse mensen van toen geminacht volk. Het loopt er op uit dat er heel veel mensen daar in Jezus gaan geloven. Jezus is als levend water. Hij is er voor alle mensen. Vrouwen en mannen volgen hem en stichten na zijn dood her en der gemeenschappen die op zijn weg verder gaan.

 

Op weg naar Pasen staan we stil bij de dorst van ons allen... van elke mens, vrouw of man, naar recht en gerechtigheid. Jezus zelf kan hierbij onze bron zijn. Hij wordt water dat alle dorst verdrijft. Mensen die zich aan die bron laven, die krijgen leven voorgoed.


Meer nog: zij worden zelf bron van leven. Ze geven door van wat er ten diepste in hen is aangeboord en tot leven gekomen. Mogen mede via ons ook anderen, vrouwen en natuurlijk ook mannen, ‘Opstaan en leven’.

 

Elly Bus-Linssen

 


TER OVERWEGING     18 februari 2018     Genesis 9, 8-15   en   Marcus 1, 12-15

 

Carnaval is voorbij: dus gaan we richting Pasen. Op weg daar naar toe denken we na over het thema ‘opstaan en leven’. Dat lijkt een typisch paasthema want Pasen is toch het feest van de opstanding, van het nieuwe leven. Een lied uit ‘als de graankorrel sterft’, een oratorium voor de veertigdagentijd wijst ons de richting. Daar zingen we: Veertig dagen, weken, jaren wachten, weten en ervaren dat iets nieuws, verandering met vreugde en moeite samenging.” We weten het allemaal. Nieuwe wegen inslaan, iets nieuws opbouwen gaat niet zonder moeite. Het moet langzaam groeien, zoals de natuur dat doet om met Pasen de mooie nieuwe lente te laten zien.

Vasten!  Dat is niet alleen minder eten, maar vooral ook ruimte maken voor bezinning. Dat zou wel wat meer mogen gebeuren, want als je om je heen kijkt dan lijkt de mens steeds egoïstischer te worden, steeds meer ik en minder de ander. Kijk naar de toename van bewegingen en politieke partijen met populistische en nationalistische trekken. ‘America first’, het eigen belang voorop ten kosten van anderen? We zien slachtoffers van geweld, machtsmisbruik en seksueel misbruik
zelfs bij hulporganisaties die toch paden van gerechtigheid en vrede zouden moeten banen.


Kijk naar de migratie problemen, de oorlogen in het Midden Oosten en Centraal Afrika, de problemen met Noord-Korea, de geopolitieke spanningen aan de grenzen van Europa. De kille dreiging van koude oorlogswaanzin doemt weer op.


Onlangs heeft Jan Timmer, oud-topman van Philips, een boek geschreven, waarin hij een somber beeld schetst van de markteconomie en de grote bedrijven. Wat enkel nog telt is de winst van de activistische aandeelhouders. Goede bedrijven worden om zeep geholpen, de belangen van werknemers, van klanten en van de samenleving worden gewetenloos opzij geschoven.
Opstaan en leven: een ongrijpbaar ideaal ?

 

Vasten. Dat is ruimte maken voor wat werkelijk belangrijks is, voor de waarden die recht doen aan alle mensen. De wereld is toe aan een bezinning, of beter nog: het wordt tijd dat mensen tot bezinning komen.


Al twintig eeuwen nodigt Jezus ons uit om op te breken, om nieuwe wegen te gaan. Hij heeft ons de weg gewezen naar vrede en is die weg zelf gegaan. Wie door hem geïnspireerd wordt zal opstaan en leven zoals hij dat deed. Dan pas zal leven gloren zoals de Schepper dat bedoeld heeft. 

 

Het verhaal uit Genesis over Noach en de zondvloed geeft een kinderlijke maar tegelijk ook prachtige illustratie. “Toen God zag hoezeer de slechtheid van de mensen op aarde was toegenomen en hoezeer de begeerte van hun hart de hele dag naar het kwade uitging, (…) was Hij zeer verdrietig (…) en zei: Ik ga de mens die ik geschapen heb van de aarde wegvagen.”


Noach zag hoe mensen leefden en voorzag wat er zou gaan gebeuren. Hij ging niet mee in de leefwijze van mensen. Met geduld bouwde hij aan zijn boot, hij wachtte af tot het droog was en kwam weer tot leven.


Aan het begin van zijn ‘openbare’ worstelt Jezus met een knellende vraag welke richting hij in zijn leven moet kiezen. Hij trekt zich terug in de woestijn, veertig dagen om daarover na te denken.


Duivels en engelen spoken er door zijn hoofd. Maar na die veertig dagen staat zijn besluit vast.
Hij staat op, letterlijk en figuurlijk, en verkondigt leven: “Vervuld is de tijd, het Rijk Gods is nabij,
bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap”.

 

En hoe ziet ons vasten er uit ? Natuurlijk kan dat door te minderen, minder eten en drinken,
minder TV, minder in de weer met iPhone en iPad. Maar het kan ook door meer: meer tijd voor anderen, meer tijd voor contacten, meer oog voor medemens. Door anders naar die mensen te kijken, niet meteen een oordeel klaar hebben, de ander ruimte geven, meer geduld opbrengen. Ieder kan het voor zichzelf wel verder invullen.

 

Vasten. Je bezinnen op wat wezenlijk is. Jezus ging naar de woestijn om God te ontmoeten, om te bidden, om na te denken over zijn taak in het nabij brengen van het Rijk van God.
Op weg naar Pasen hopen wij na een poosje woestijn net als Jezus te zullen opstaan, naar buiten te treden en te laten zien wat ons bezielt, ja, om te laten zien wie ons bezielt.

 

Jac Peeters

 


TER OVERWEGING  10 en 11 febr. 2018      Carnaval                         2 Kor. 3, 1b-6   Mc. 2, 18-22
Thema: Voel je vrij

 

Kiezen voor wat mag, wat kan, wat past bij de omstandigheden van het moment... Je daarin vrij voelen... Is dat niet wat Carnaval ons wil leren? Daarom is dat nu het motto...

Paulus schrijft in zijn tweede brief aan de inwoners van Korinte (3, 1b-6) over:
-Een verbond niet van de letter, maar van de Geest.
-Een brief van Christus, geschreven met de Geest van de levende God, in de harten van levende mensen - als aanbeveling in plaats van getuigschriften.

 

Het evangelie volgens Marcus (2, 18-22) spreekt over de betekenis die Jezus geeft aan vasten en andere voorschriften. Deze worden door Hem in de tijd ingepast, zoals de situatie vraagt. Ook al vasten anderen wel, de leerlingen van Johannes bijvoorbeeld, als de zgn. ‘bruidegom’ er nog is, Jezus in dit geval, hoeft er onder zijn leerlingen niet gevast te worden, dat kan wel weer als hij er niet meer is...


Jezus kijkt naar de uitwerking van voorschriften, naar het belang ervan ten opzichte van wat er gebeurt in het leven van de mensen. Waar gaat het ten diepste om, wat was er oorspronkelijk het doel van deze voorschriften en schieten ze als ze star worden gehandhaafd hun doel niet voorbij? Is het niet belangrijker om elk moment echt te leven?

 

Wij allen worden bepaald door allerlei regels, geschreven of ongeschreven. Door van alles wat ‘moet’, van anderen of van onszelf. Om allerlei redenen. We doen iets omdat het moet volgens de wet. Maar zeker ook omdat we ons ergens door gedwongen voelen... Het komt tevens voor dat we iets niet doen, niet kunnen doen, omdat we beperkt worden door omstandigheden. Gezondheid bijvoorbeeld, of werk, of mantelzorg, of welke andere verplichting dan ook. Ook als we iets doen om erbij te horen, om gewaardeerd te worden, om te passen in de maatschappij, in een familie of vriendenkring, of zelfs omdat ons eigen geweten ons dat ingeeft, zijn we niet vrij... Het kan ook als je je vanuit je idealen - christelijke idealen misschien wel - enorm inzet voor andere mensen, toch goed zijn om dat even los te laten, eens voor jezelf te kiezen en zo de accu eens op te laden... Al is het maar, om daarna weer met volle kracht ertegenaan te gaan...

 

Als de reden waarom je iets doet helemaal uit jezelf komt en je bent je daar van bewust, dan geeft dat een vrij gevoel, je doet iets gewoon omdat het kan... Ik hoor het mensen ook wel vaker zo zeggen: ik schrijf me in voor de marathon, omdat het kan, omdat ik er de tijd voor kan nemen en omdat mijn lichaam mij dat toelaat. Of, ik kies een vakantiebestemming of een hobby omdat ik dat graag wil en me dat nu eindelijk financieel kan permitteren. Of, ik voel me bevrijd nu ik na een lange periode weer kan autorijden, weer kan lopen of zelf naar iemand toe kan gaan...

 

Ook Carnaval is bij uitstek een feest dat in vrijheid mag gevierd worden. Je neemt de ruimte en de tijd om je te verkleden, je te schmincken, mee te zingen en te dansen en helemaal uit je bol te gaan. Een manier om los te komen van het alledaagse ‘moeten’. Je vrij te voelen...

Herman Veugelers schrijft er in 1985 zo over in één van zijn liedjes (Laeve, uit: Welteröste leef Limburg p.36):

Wae hie es minsj wilt laeve, zo lieërt os de profieët
Dae mót d’r good aan dènke, dat d’r zich neet bènje lieët

Wat hulp dich prakkezere
en maore óm bezit
Es doe hie moos vertrèkke
dan nums te toch niks mit
Dat sjtiekeme verlange
nao ieërekruus of lintj
applaus en carrière
‘t Is jage nao de wèndj.

Want wae es minsj wilt laeve, zo lieërt ós de profieët
Dae mót d’r good aan dènke, dat er zich neet bènje lieët

Mer laps te willekeurig
mer alles aan dien sjoon
En fladders te mer doelloos
zo wie de vlinders doon
Zeen al dien laeves-dage
gevöld mit laege sjleur
Dien laeve zal verdampe
‘t sjtelt geine bliksem veur

Want wae es minsj wilt laeve, zo lieërt ós de profieët
Dae mót d’r waal óm dènke, dat d’r zich neet drieve lieët

Wae aaf en toe kènt lache
óm wat d’r is en zaet
En weigert óm te gluive
dat niks mieë zin hie haet
Zal neet es damp vervlege
of hel zeen wie ‘ne sjtein
De humor van ‘t laeve
dae hilt ‘m op de bein

Dae zal zich neet versjäöre, is neet zien eige proeëj
Dae minsj zit neet gevange, in zien zelf gemaakde koeëj.

Voel je vrij!! Hoe u deze dagen ook doorbrengt, hopelijk met datzelfde vrije gevoel... Als een levende mens. Om met Paulus te spreken: ‘met de Geest van de levende God in je hart’. 

 

Elly Bus-Linssen

 


Ter Overweging weekeinde 27 en 28 januari 2018
1 Korintiërs 7, 32-35; Marcus 1, 21-18

 

De tweede lezing staat bijna aan het begin van het evangelie van Marcus. Bij hem geen kindeke Jezus, geen herders en wijzen. Zijn verhaal begint met het optreden van Johannes de Doper. Dan loopt Jezus het verhaal binnen en laat zich door hem dopen in de Jordaan. Vervolgens trekt Jezus zich veertig dagen terug in de woestijn als om zich voor te bereiden op zijn taak. Als Johannes gevangen zit, neemt Jezus het stokje over. In Galilea begint hij het ‘goede nieuws’ te verkondigen en verzamelt hij zijn eerste volgelingen.


Na deze summiere inleiding, waarin Jezus als ’t ware uit het niets verschijnt, klinkt als een klaroenstoot uit de hemel: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde,’ en volgt het eerste  meer gedetailleerde verslag: Jezus’ optreden in de synagoge van Kafarnaüm. Zijn visitekaartje, kun je zeggen; zijn eerste proeve van bekwaamheid. Deze nog onbekende rabbi bewijst zich als begiftigd spreker, en als een doortastend heelmeester wanneer een onreine geest hem uitdaagt. Er is een nieuwheid in zijn woorden die diepe indruk maakt. Hij straalt gezag uit; verbaast zijn toehoorders: ‘Wat is dit allemaal? Een nieuwe leer met groot gezag!’


Wat is dat gezag? In ieder geval geen macht. Jezus is nog een onbekende timmermanszoon uit Nazareth, met nog slechts vier volgelingen – Simon, Andreas, Jakobus en Johannes – , mannen met nog de vislucht in hun kleren. Dat kan je moeilijk een machtsbasis noemen. Daar kan zijn gezag niet op gebaseerd zijn. Waarop dan wel? Het antwoord komt uit de meest onverwachte hoek, wanneer de bezetene Jezus toeschreeuwt: ‘Ik weet wel wie je bent, de heilige van God.’ Kinderen en dwazen… Vanuit zijn duistere, gekwelde gemoed herkent de bezetene de helderheid van het licht; het heilige, helende, goddelijke licht. Waar dit gezien wordt en herkend, wordt met gezag gesproken.


En het is deze door het kwaad geketende die Jezus vanuit de tenen van zijn onmacht de vraag toeschreeuwt die al twee eeuwen doorklinkt in alle godshuizen, de kernvraag van ons geloof: ‘Wat hebben wij met jou te maken, Jezus van Nazareth?’ Godvrezend leven vraagt om bekering. Geloven gaat om zuivering van onreinheid, loutering, heling van bezetenheid, bevrijding van ketenen, hunkering naar het heilige – dat is van alle tijden. Maar wat heeft dat met jou te maken, Jezus van Nazareth?


Het is deze vraag waar we een antwoord op zoeken als we hier samenzijn. Het is de vraag naar de menswording van het Woord. Het is de vraag naar God in ons midden. Wanneer beleven we de sensatie van die jonge rabbi die een nieuwe leer verkondigt? Waar herkennen we het heilige dat woorden gezag geeft?


Het heilige zit niet opgesloten in heilige huisjes. Niet in kerken, tempels en synagogen. In kerken en tempels en synagogen verworden gezagswoorden vaak tot machtswoorden. Wordt het blijde licht vaak afgedekt met dwingende uitspraken. Wordt oprechte verbazing omgebogen tot valse jubel.


Het heilige wacht ons overal, op de straten en markten van de stad, in de huizen van de mensen. Zo gaat het verhaal van Marcus onmiddellijk verder met de zin: ‘Toen ze uit de synagoge kwamen, gingen ze rechtstreeks naar het huis van Simon en Andreas [..]. Simons schoonmoeder lag met koorts in bed [..].’  Er is zoveel te doen. Er moet genezen en getroost en gezorgd worden. Tot ’s avonds laat ‘brachten de mensen alle zieken en bezetenen naar hem toe.’ In adembenemend tempo schildert Marcus de hectiek van de hoop die de mensen bezielt en die Jezus geen moment rust gunt. Het heilige wordt afgebeden in het rumoer van verwachtingsvolle ongelukkigen.
‘Wat hebben wij met jou te maken, Jezus van Nazareth?’ Deze indringende vraag houdt ook Paulus bezig in die eerste lezing. Maar wat Paulus wil zeggen wordt verminkt tot een flauw moraallesje door de wijze waarop de tekst door de kerkelijke liturgieautoriteit is ingekort.

 

Weggelaten is dat hij de Korintiërs voorhoudt ‘dat er maar weinig tijd rest’. Immers, de christenen van toen leefden in de stellige verwachting van het einde der tijden en de wederkomst van hun Heer. Dus, jongens en meisjes, mannen en vrouwen, doe wat je moet doen en wat er van je verwacht mag worden, maar laat je zo min mogelijk beheersen door wereldse zaken en je hormonen. Letterlijk schrijft hij: ‘Laat daarom [..] ieder die in deze wereld leeft [zo leven] alsof ze voor hem niet meer van belang is.’


Wij kennen die dwingende verwachting niet. Wij kunnen ons als aartsbisschop Eijk misschien druk maken over de vraag of “hertrouwd gescheidenen” ja dan nee de communie mogen ontvangen. Maar wie van ons ligt wakker over het einde der tijden? Het zal onze tijd wel duren. Jezus leefde tweeduizend jaar geleden. Wat hebben wij met hem te maken? Kennen wij nog de haast die Paulus deed aandringen op een ‘onverminderde toewijding aan de Heer’? Ja, kennen wij nog de verbazing over die ‘nieuwe leer met groot gezag’?
‘Wat hebben wij met jou te maken, Jezus van Nazareth?’ Zullen we het antwoord blijven zoeken?

 

Meindert Muller

 


OVERWEGING 3e zondag dhj, 20-21 januari 2018. Lezingen: Jona 2, 1`-11; Marcus 1, 14-20

 

Inleiding
Vandaag de 2e zondag op rij, waarop het evangelie verhaalt van de roeping van de apostelen. Zij geven gehoor aan de oproep van Jezus om hem te volgen om het nabije Koninkrijk Gods te helpen realiseren. Vandaag de versie van Marcus, kort en bondig. Jezus roept, zij gaan mee. Mensenvisser wil Jezus van hen maken, en dat woord is een overweging waard, daar kunnen we bij stil staan.


Tegenover de apostelen staat een stukje van het  verhaal van de profeet Jona (of Jonas, die s is uit het Grieks). Hij wordt in een heel leuk en beknopt bijbelboek afgeschilderd als de anti-held; hij wordt geroepen om de heidenen van Ninivé te bekeren, maar hij vlucht. Het is u bekend, dat daar een grote vis aan te pas komt. En Jona zingt in die vis een lied, een psalm nog wel – een keerpunt in zijn leven. Dat stukje zullen we straks dan ook lezen, aangevuld met de tussenzang, die er helemaal bij past.


Jona zingt een lied. En dat is meteen een bruggetje naar de oecumene,  die we de afgelopen week in herinnering hebben willen roepen. Bidweek voor de eenheid van de christenen, zoals deze week heet. Zoals u weet geven wij aan dat bidden en zingen over een paar weken samen met de Johanneskerk weer gestalte door een viering in onze kerk. Maar vandaag toch ook een speciaal accent, en wel op het lied. Want de liederen die wij elke zondag zingen, hebben meerdere bronnen,  In onze volkszang putten we wat de melodieën betreft uit heel verschillende vaatjes, zoals de melodieën, die we ontlenen aan de Reformatie. Om die grote variatie eens te laten zien, hebben we vandaag op uw blaadje bij de liederen vermeld, waar de melodie vandaan komt – u zult zien, een grote verscheidenheid aan bronnen en componisten. Twee ervan, het openingslied en het slotlied, komen uit de Lutherse traditie, dus heeft de Reformatie ons ook weer een beetje zingen geleerd. Straks zal Klaas Remerie, organist van de St. Jan in Maastricht, aan degenen, die tijd en zin hebben, daarover nader willen vertellen, het is het thema van zijn orgelbespeling.


Maar eerst gaan we vieren, bidden, zingen en luisteren – en wij bidden een ogenblik in de stilte van ons hart, dat wij gemeenschap mogen vormen. En bidden dat God in dit uur aanwezig mag zijn.


Overweging
De oproep van Jezus is duidelijk; ‘het koninkrijk is nabij, keer je om, geloof in het evangelie’. Even kort en krachtig is de roeping van de eerste apostelen; eerst Andreas en Simon, dan Johannes en Jacobus. Ze laten hun vissersbedrijf in de steek, en volgen Jezus. We weten niets over de omstandigheden, de bijbel is geen roman; we weten evenmin hoe deze vier mannen aangeraakt werden, innerlijk geroerd werden door de uitnodiging van Jezus. Maar stel je eens die vader voor, die twee van zijn zonen, die een goedlopend vissersbedrijf runnen, zomaar ziet vertrekken, achter een rabbi aan, die op dat moment nog helemaal geen bekendheid heeft. We weten het niet. Bovendien komen  we komen straks in het evangelie van Marcus nog heel wat situaties tegen, waarin het schuurt tussen de meester en zijn leerlingen, wanneer ze bijvoorbeeld strijden om de eerste plek in het Koninkrijk. U kent die woordenstrijd; ‘Wie van ons is de grootste in het koninkrijk?’  Maar hier, op de derde zondag van het jaar, gaan ze achter Jezus aan, zonder enig voorbehoud. Misschien toch wel omdat ze werden aangeraakt door Jezus ‘woord; mensenvissers zal ik van je maken. In een buitenbijbelse spreuk staat wat daarmee bedoeld kan zijn: Vissers van mensen, dat zijn zij, die hen uit het water van de nood en dood halen, opdelven, verzorgen, zoiets.


De profeet Jona wordt afgeschilderd als het tegenbeeld van de apostelen. Waarschijnlijk kent u het verhaal goed, het is een klein en toegankelijk Bijbelboekje, en ook nogal humoristisch. Jonas krijgt de opdracht naar NInivé te gaan, hij moet die heidense stad bekering aanzeggen. Maar Jona vlucht op een schip, precies de andere kant op. Het schip komt in een storm terecht, en dreigt te vergaan. Iemand moet de schuld krijgen, want in het geloof van toen heeft alles een oorzaak. Jona bekent zijn vlucht en wordt uiteindelijk overboord gegooid, gejonast zoals in een spel met kinderen gedaan wordt. Hij komt in de buik van een grote vis, en daar tot inkeer. In het stikdonker. Daar bid hij, of liever zingt hij een lied, een roep om uitredding uit de situatie, om een nieuw begin, een houvast.


Dat lied is niet alleen een uiting van die arme Jona, maar kan opkomen in ieder van ons, die zich verlaten voelt, die letterlijk opgesloten zit in zijn of haar levenslot, en geen hand voor ogen meer kan zien. Het is een lied, aangeheven in de diepste duisternis, die iemand treffen kan. Door ziekte, ongeluk, of gewoon kopje onder gegaan in het leven. En het uitzingen heeft niet alleen de functie van het verwoorden van de situatie of gehoor vinden voor de eigen ellende, het is meer. Het lied gaat naar binnen, het zingt in onszelf rond, het is – om het modern te zeggen – een totaalervaring. En ergens – niet duidelijk waar vandaan – is er dan het omslagpunt;  van de realistische beschrijving van de ellende naar het punt, waarop licht in de tunnel verschijnt. Voor Jona is dat het verlangen naar de tempel, om weer tussen de mensen te zijn, die plek weer te vinden waar hij kan ademen en waar hij gezamenlijk kan zingen. Verlangen naar een plek, waar het weer licht voor hem wordt om te leven.


Na drie dagen en drie nachten in de duisternis vindt God het dan ook genoeg. Jona krijgt grond onder de voet. Goede liturgische liederen – en we hopen er een heleboel te zingen – kunnen hetzelfde effect op ons hebben als op Jona.  “ik heb vandaag heerlijk  gezongen, en mijn hart weer opgehaald’ zegt iemand. Vandaag mag daar dan bij gedacht en gezongen worden ; ons oecumenisch gezind hart.


Maar goed, Jona staat weer op de pootjes en gaat nu vol zelfbewustzijn naar Ninivé. En roept luide’: ‘bekeert u’. Eind goed, al goed, zou je zeggen, maar dan gebeurt er iets wonderlijks. Nauwelijks heeft Jonas geroepen, of de koning van Ninivé neemt zelf het heft in handen, en roept vanaf zijn troon veel doordringender dan Jona op tot een andere wijze van leven. Ja, we weten het Jona, wil de koning zeggen, we moeten onze medemens beter behandelen, zorgen voor dierenwelzijn, voor een beter milieu, natuurlijk. En hij kondigt maatregelen af om een eventueel ingrijpen van de God van Israel voor te zijn. En onze profeet? Die is hier helemaal niet blij mee; het was toch aan hem, om grootse daden in werking te zetten, en nu doen de mensen het zelf.  Waar halen ze het vandaan!


En zo zit Jona mokkend op een afstand naar de afloop te kijken, en Jahwe God leert hem zo een lesje. Welke les? Misschien deze. Aan de apostelen werd toegezegd, dat ze vissers van mensen zouden worden. Het begin van een lang leerproces om dat te leren, zoals we in de volgende zondagen zullen horen. Maar Jona?  Hij was er na zijn bekering in de vis van overtuigd een goede mensenvisser te zijn, heel erg overtuigd van zijn eigen kunnen en eigen gelijk. Misschien  had Jona nog niet begrepen, dat je – om zelf een goede mensenvisser te zijn –  de ervaring moet hebben gehad ondergedompeld te zijn in die grote oceaan van het leven. Dat je zelf of met anderen die aan jouw zorg zijn toevertrouwd of in jouw leven een rol van betekenis spelen, soms kopje moet gaan.  Om zo zelf gevangen te worden in de genadevolle werking van God in ons leven. Pas dan kun je het lied begrijpen, en in ons en boven ons tot klinken brengen.  Mensenvisser, dat wordt je heel langzaam.


REN LANTMAN, 13 – 1 - 2018

 


TER OVERWEGING  6 en 7 jan. 2018        Openbaring van de Heer                 Jes. 60, 1-6  Mt. 2, 1-12
Thema: Licht voor alle volken

 

Jeruzalem, 1Sta op en schitter, want uw licht is gekomen, de glorie van de HEER komt over u. Zo staat er bij Jesaja...Waarom is haar licht gekomen? Waarom was het licht niet in haar? Omdat Jeruzalem in duisternis verkeerde... En de Eeuwige zelf komt als licht naar haar toe, niet omdat Jeruzalem dat heeft verdiend, maar omdat God dat wil. De ballingen komen van ver weer terug naar de stad. En alle volken komen naar dat licht van God, dat licht dat bevrijdt.  Licht is hier ook recht, gerechtigheid.

Dit thema sluit aan bij het verhaal van de wijzen uit het oosten dat Matteüs schrijft. Het is zijn versie van het kerstverhaal. De wijzen zijn sterrenwichelaars uit omliggende heidense volken. Ze zoeken het licht door een ster te volgen. De ster brengt hen bij een kind. Bij de pasgeboren koning van de Joden, die echter niet in Jeruzalem te vinden is, waar koning Herodes zetelt, maar in Bethlehem.

 

Het licht is er dus voor àlle volken, zo melden ons zowel Jesaja als Matteüs, en dat mogen we doortrekken naar onze tijd: voor Koerden en Turken, Tibetanen en Chinezen, Palestijnen en Israëliers.  En ook voor Eritreërs en Syriërs op de vlucht die een goede plek zoeken in Europa. Het licht sluit niemand uit. Het is van wereldwijd belang. Het is er voor alle mensen, ongeacht hun geloofsovertuiging: moslims, christenen of atheïsten.

Hoe krijgt dit voor ons betekenis?  God komt naar ons toe, in het donker van onze wereld.
Maar hoe dan? Vanuit de nieuwsberichten zie je hoe onrecht de wereld beheerst. Hoe kunnen we dit dan met elkaar rijmen...

 

Toevallig las ik deze dagen een tekst van Hein Stufkens, die ik in dit kader graag met u wil delen... Een hedendaagse psalm die enerzijds de situatie in de wereld typeert, maar die het anderzijds niet daarbij laat. Ik zie in de slotverzen een handreiking voor ons allen, een uitnodiging om ons niet bij de toestand neer te leggen...

Hij schrijft ‘Een lied in de nacht’ (en dat staat o.a. in het boekje: ‘Geef het licht eens door’), een tekst bij een psalmregel uit psalm 94: Hoe lang nog zullen de wettelozen juichen, de onrechtvaardigen het hoogste woord voeren?

            Vervloekte wapens leggen hun wet op,
aan kinderen leert men ze dragen.
Het martelen en moorden kent geen einde.
Jammer en rouwklacht klinkt op
uit alle hoeken der aarde.

Hoogtij viert het onrecht,
verkrachters en graaiers hebben vrij spel.
Verbijsterd kijkt de zachtmoedige toe,
ziet machteloos hoe geen mens wordt gespaard.

Vrede en liefde, zeggen hun heilige boeken.
Maar in handen van bandieten
worden ze een vrijbrief voor het kwaad.

Waar is nog asiel voor ontheemden,
een schuilplaats voor wie wordt vervolgd?

Gelukkig de mens die zijn hart niet sluit,
zich niet in verbittering afkeert
van het onnoemelijke leed.
Gelukkig de mens die recht doet
en het uithoudt in de nacht.

Zijn geloof verzet bergen,
zijn mededogen wekt het morgenlicht.

Open dus je hart... keer je niet af van het leed, en doe recht...! God wil zich vandaag ook aan jou bekendmaken. Geloof in het goede, in liefde en in gerechtigheid verzet bergen; mededogen wekt het morgenlicht...

 

Beste mensen, op kerstavond, in de viering van het ‘Kindje wiegen’, lezen we ook altijd al over het bezoek van de koningen aan het kindje Jezus. Alle kinderen krijgen bij binnenkomst een koningskroon. En ze worden in de viering allemaal uitgenodigd om koning te zijn en hun geschenk te brengen (bv. een kleurplaat). Zo hebben ze deel aan het verhaal. Maar dit is niet alleen bedoeld voor kinderen. Het is een spel dat ook werkelijkheid kan worden voor volwassenen als ze zich inleven in deze rol. Wij allen behoren ook tot de koningen... en ook wij hebben geschenken die we het kerstkind zouden kunnen brengen: aan ieder van ons nu de vraag wat wij hem cadeau willen doen...


En het verhaal zegt dat de koningen, de wijzen, vervuld werden van grote vreugde toen ze de ster zagen stil staan bij het kind. Het bezoek aan dit kindje Jezus verandert hen van binnen. Ze worden in een droom gewaarschuwd niet naar Herodes terug te keren: het kwaad laten ze links liggen... Ze vertrekken en gaan langs een andere weg terug naar hun land.
Laten we doen zoals zij...

 

Elly Bus-Linssen

 


Preek Eerste Kerstdag 25 december 2017-12-22
Jesaja 52, 7-10; Hebreeën 1, 1-6; Johannes 1, 1-5, 9-14

 

Wat een verschil tussen de evangelielezing van Kerstavond en Kerstdag. In de avondviering het vertrouwde verhaal van Lucas, de geboorte van Jezus in de stal met het extatisch engelenkoor, de verbaasde herders, de eerbiedige drukte rond de kribbe. Het verhaal dat je eigenlijk ook vandaag zou verwachten; wellicht ook hoopte te horen. Maar niets daarvan. Vandaag het begin van het Johannes-evangelie: diepzinnig, theologisch, filosofisch, mystiek. Prachtig, maar moeilijk te begrijpen. Dit in contrast met het levendig vertelde kerstverhaal van Lucas.


‘In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God.’ Een van de beroemdste beginzinnen uit de wereldliteratuur. Een van de moeilijkste ook. Begin van de passage die zijn hoogtepunt vindt in de zin: ‘Het Woord is vlees geworden [..]’. In de Nieuwe Bijbelvertaling wordt deze zin, voor hedendaagse oren meer acceptabel, vertaald als: ‘Het Woord is mens geworden [..]’. En dan zijn we toch bij Kerstmis: de stille morgen na de hectische nacht, de stal, Maria en Jozef en het Kind in de kribbe, de warme adem van de dieren. Maar niks daarover bij Johannes.


Toch wou Johannes hetzelfde wonder vertellen als Lucas. Of misschien wel een groter. Lucas gebruikt de taal van het sprookje, van de geboorteverhalen van koningszonen en andere grootheden uit die tijd, maar dan op z’n kop gezet door de geboorte in een stal te laten plaatsvinden. Johannes schrijft een getuigenis en gebruikt daarbij begrippen uit de Griekse filosofie. Ook vierhonderd jaar na zijn dood drukte de grote Griekse filosoof Plato zijn stempel op het denken van die tijd. Aan het begin van alle denken en weten, ja aan het begin van alles, staat het Woord. Zonder het Woord bestaat er niets. De echo van deze opvatting horen we bij Johannes: ‘Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat.’


Woord. Woorden. Taal. Al in de allereerste zinnen van die hele dikke bijbel lees je het: ‘God zei: “Er moet licht komen,” en er was licht.’ Scheppende woorden; je kunt zeggen: woorden brengen de schepping aan het licht. Ofwel – zoals hedendaagse wetenschap duidelijk maakt – : zonder taal blijft alles onbenoemd en kun je niks onderscheiden, niks begrijpen, niks weten, niet denken, niks bedenken, niks fantaseren, niks plannen.. Leef je in duisternis.
Woorden. Als God alles geschapen heeft en orde in de chaos heeft gebracht, is de beurt aan de mens. Immers, ‘alles’ is ‘niets’ als het geen naam heeft. ‘Alles’ is chaos, één grote brei, als er geen woorden voor zijn. Daarom brengt God alle dieren bij de mens ‘om te zien welke namen de mens ze zou geven’. En, zo staat geschreven: ‘De mens gaf namen aan al het vee, aan alle vogels en alle wilde dieren [..].’ De tweede schepping. Nu alles een woord, een naam heeft kan de mens Gods opdracht uitvoeren: de opdracht om ‘heerschappij [te] voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.’


Woord en mens, taal en menswording, ze hebben alles met elkaar te maken.. ‘Mama. Zeg eens mama,’ blijft de moeder aandringen. ‘Zeg eens papa,’ bedelt de vader. En wat een vreugde als de baby ‘mama’ zegt; uit al die gezichten boven de wieg ‘mama’ kent. Wanneer het kind ‘mama’, ‘papa’ zegt, maakt het als het ware deze vrouw, die man tot moeder of vader. En als het wat later zijn eigen naam noemt, schept het een eigen ik. Menswording.


Als ik lees: ‘Het Woord is mens geworden [..],’ buig ik voor een diep mysterie, waarover in de eerste eeuwen na Christus talloze verhitte debatten zijn gevoerd. Was Jezus God? Gods Zoon? Hoe kan de Zoon van God God zelf zijn? Was Jezus mens? Of middelaar tussen God en mens?.. Debatten die ik niet meer begrijp, maar waarvan ik de ernst en de inzet om Jezus geboorte recht te doen respecteer. Ik ben bereid het mysterie te accepteren. Maar ook ik wil begrijpen, al is het maar een stukje; want proberen te begrijpen hoort ook bij mijn opdracht als mens.


Ja, Jezus is het Woord van God. Scheppend Woord. Hij spreekt de taal, is de taal waarin God zichzelf aan mij openbaart. Kenbaar maakt. Er zijn ontelbare ideeën over God. Megabibliotheken volgeschreven. Godshuizen en godsdiensten tot barstens gevuld met woorden over God. Jezus’  leven maakt mij duidelijk hoe ik God mag noemen: Abba, Vader. Zegt mij dat God liefde is. Leert mij mijn medemensen te zien met de ogen van broeder- en zusterschap, en te noemen met de taal van de liefde.


Het Woord van God is vlees en bloed geworden in Jezus: mens als wij; hij heeft onder ons gewoond, met ons gegeten en gesproken, gevierd en geleden. Hij laat ons woorden achter waarmee wij zijn voorbeeld kunnen duiden en volgen. Jezus laat zich lezen als het boek van Gods bedoeling met ons mensen. Jezus’ geboorte betekent dat ook in jou en jou en mij het Woord van God vlees en bloed wil worden.

 

Meindert Muller

 


OVERWEGING 2e zondag van de Advent 9-10 december 2017. Lezingen: Petrus 3, 8-14; Marcus 1,1-8

 

Aangeraakt worden, op weg gaan. In de mooie bloemschikking van deze Advent kun je die weg zien liggen, uitgebeeld door een aantal losse stenen, die samen de weg vormen. Op weg naar het licht. Het is goed om daar even bij stil te staan. Wij zijn vertrouwd met het uitbeelden van de weg als een aanduiding van ons gelovig bestaan in de wereld. Het is voor ons de levensweg die we moeten gaan – en de Advent is een goede tijd om daar weer wat uitgebreider bij stil te staan.


Een weg die we zelf banen door het leven, dat is het eerste wat te binnen schiet. Een weg, die niet altijd gemakkelijk is, vol hobbels en gaten kan zitten. Als je wat ouder wordt, en afhankelijk wordt van allerlei hulpstukken, zoals een rollator, dan weet je wat dat betekent. Weet je wel, hoeveel losliggende en ongelijke stoeptegels er zijn, zei me laatst iemand in een gesprek, toen we het hadden over het wandelen in je eigen omgeving.  Nee, tot mijn schande wist ik dat niet. Als oudere moet je voorzichtig, en steeds voorzichtiger en met geduld je een weg banen door alle obstakels op je pad Misschien gaat al je energie wel zitten in het vermijden en omzeilen van al die obstakels.


Vandaag krijgen we een nieuw zicht op de weg, onze levensweg aangereikt. Johannes de Doper wordt met een citaat uit de profeet Jesaja aangekondigd als de wegbereider, iemand die de stenen zo op hun plaats legt, dat wij er niet over struikelen, maar een nieuw perspectief ontwaren, een rechte weg, een open venster op onze werkelijkheid. Johannes treedt op in de woestijn, daar waar het leven dor is en de wegen onduidelijk. En hij trekt mensen naar de Jordaan, grensrivier tussen de woestijn en het land, tussen de onherbergzame woestijn, en het land waar je in ieder geval kunt lopen en je weg kunt vinden. En die richting van woestijn naar land stelt opnieuw vragen aan onze eigen levensweg. Hoe maak je zelf die omslag van ongeborgenheid in het niemandsland naar een land waar je kunt ademen, leven en een eigen thuis hebt? Wat is daar voor nodig? Keer je om, zegt Johannes, kies een ander perspectief, ga anders kijken, laat je onderdompelen in de rivier.


In onze tijd hebben heel wat mensen opnieuw ‘de weg’ ontdekt. Ik doel dan op allerlei vormen van pelgrimage, van bedevaart – de bekendste is die naar Santiago de Compostela. U kent vast wel mensen in uw omgeving die lopend, fietsend of op een andere manier die route gegaan zijn; een route die steevast wordt aangeduid met ‘El Camino’, weg in het Spaans. En heel veel van deze mensen hebben hun ervaringen vastgelegd op film, in een dagboek, via de sociale media gedeeld. Vaak is deze tocht voor mensen een onderdompeling in een onverwachte ervaring, die een ommekeer betekent in het eigen leven, of die ommekeer markeert. Een tocht die voor velen een uitweg betekent uit de woestijn naar de overkant , van een hobbelig en struikelig pad in het leven naar een begaanbare weg, of bijbels gezien: naar een ander, goed land om te leven..


Laatst wees mij iemand op een bijzondere wandelaar op de weg. Het gaat om een jonge vrouw, die vanuit Brabant vertrokken is, samen met een ezel. Haar verhaal is eenvoudig en toch weer bijzonder, en ze brengt me heel dicht bij de ervaring van Johannes de Doper. Deze jonge vrouw, heeft gestudeerd, een baan in het bedrijfsleven, veel hobby’s, vrienden en van alles wat het leven interessant maakt, en vooral vol, heel vol. Een burn- out is het gevolg. Door het verblijf op een boerderij neemt ze het  besluit om samen met een ezel als tochtgenoot (dus niet: op de ezel) de tocht naar Santiago te wagen. En op de vraag van de reporter van de nieuwsgierige krant, hoelang ze er over zou doen, zegt ze luchtigjes; o, vier maanden ongeveer, en we zien wel wat we onderweg tegen komen. Wees maar niet bang,  de ezel kan trouwens ook goed voor zichzelf zorgen.


Gezien met bijbelse ogen is dit een verhaal van ‘ommekeer’, je afwenden van een manier van leven, die voor jou heilloos is, en een andere weg zoeken,een ander perspectief ook. Voor deze jonge vrouw betekent dit:  jezelf hervinden, ontdekken hoe je leven in elkaar zit, en een nieuwe weg vinden. Voor haar is dat om na deze tocht andere mensen met een burn-out van dienst te zijn. En die ezel, die kennen we als een bijbels dier, dat de lasten van het koninkrijk van God draagt, zie zijn rol met Palmzondag, zie zijn aanwezigheid bij de kribbe van de pasgeborene. Maar dat dier brengt ons misschien ook  dichter bij de manier waarop we de weg zouden moeten gaan; zachtmoedig en geduldig, in harmonie met de voetstappen van onze metgezellen en bondgenoten, en vooral met enig geduld. De weg zelf wordt dan symbool en teken van ons geduld met het leven. De weg zelf gaat ons dat geduld leren. Vier maanden, dat kan; soms heb je er een heel mensenleven voor nodig.


Aangeraakt worden. Jezelf omkeren, een andere blikrichting op de weg kiezen. De levensweg als een leerweg, als een weg van geduldig gaan. We weten, hoe mensen zich getroffen voelde door de oproep van Johannes en zich lieten onderdompelen in de Jordaan, zich omdraaiden van de woestijn naar het land. Johannes stond daar, stoer, met weinig om het lijf, zonder luxe en comfort. Hoe werd hij zelf aangeraakt, en zo getroffen, dat hij deze functie van vreugde- bode ging vertolken? Wij weten er niet veel van. Wel dat hij in familieverband dicht bij Jezus stond. En dat hij in die woelige wereld van de eerste eeuw niet koos voor de rol van een onheilsprofeet, donderend over slechtheid en ondergang. Maar het voorbeeld van Jesaja volgde en de nadruk legde op toekomst, vervulling en belofte. En op het geduld, dat de weg zelf ons leert.


Zo kan hij ook onze inspiratiebron worden om anders over de weg met hobbelkeien te gaan. En met nieuwsgierigheid jonge en oude mensen te volgen, die hun weg van ommekeer vorm geven.  En daarmee onszelf geduld te leren. De gaten en hobbels in het leven verdwijnen niet – ik heb geen oplossing om alle wegen even rollator – vriendelijk te maken. Maar kijk! er staan wel bloemen aan de kant van de weg. Blijf ze vooral zien, op weg naar Kerstmis.
(Het verhaal van de weg van Carmen Coolen is te volgen op www.travelswithadonkey.nl )


REN LANTMAN

 


TER OVERWEGING     2/3 dec. 2017  1e Advent B    Jes. 63, 16b-17.19b; 64, 3b-8     Mc. 13, 33-37
Thema: Scheur toch de wolken...

 

Een donkere tijd, toen bij Jesaja: ellende van teruggekeerde ballingen, gevoelens van schuld, puinhopen in Jeruzalem...
Een donkere tijd, nu in 2017:  een bloedige aanslag in een moskee in Egypte, een spookrijder op de A73, Nederland in de top 3 van de online drugshandel, Noord-Korea de beschikking over een raket waarmee ze Amerika kunnen bereiken...

 

Het lied ‘Scheur toch de wolken’ is op de tekst van Jesaja gebaseerd. Niet vrolijk.... Schuldbewust, ook klagend, zwaar en droevig maar toch met hoop op hulp van God. In een beeldspraak die er vanuit gaat dat we God boven ons achter de wolken in de hemel situeren: Scheur toch de wolken en daal af... kom toch naar ons toe... blijf niet zitten in die hoge hemel. En daar kunnen wij ons in zekere zin misschien wel in herkennen...


Want God, waar je je ook bevindt... we hebben je nodig, ook in deze tijd. Deze tijd van politieke verwarring, van terroristische moorden, van noodlottige ongevallen, van tragedies in het persoonlijke leven, van dagdagelijks terugkerende eigen zorgen...

 

Het is ook letterlijk een donkere tijd, de periode voor kerstmis. Het zijn korte dagen. Al weken brandt de feestverlichting langs de wegen in de stad. In steeds meer voortuinen en achter ramen branden lichtjes zie ik. Mensen hebben behoefte aan licht. Wat doen de lichtjes met ons? Waar dromen we dan van? Is het alleen wat sfeer – Wèntjerdruim...? Of leeft er breed een groot verlangen naar warmte, naar iets goeds, naar voorspoed? We zijn op weg naar Kerstmis... Wat betekent dat? Enigszins verbijsterd keek ik afgelopen week op internet naar de foto’s van het Witte huis in kerstsfeer: 5500m met kerstlampjes. Maar wat zegt ons dat... Hoe leven we naar Kerstmis toe?


We wachten... Waarop wachten we? Dat ligt natuurlijk ook aan onze eigen omstandigheden... Wachten op herstel, genezing? Wachten op vrije dagen? Wachten op geschenken? Ook, misschien... Maar het woord Advent zegt dat we wachten op de komst, de komst van God, van het kind Jezus. Dat wachten kan niet alleen passief zijn, waar de wereld, de maatschappij, vraagt om inzicht en initiatief.

 

Wees waakzaam, let op de tekens, tekens zoals de kleine knoppen van de tak hier in de liturgische schikking, knopjes die een belofte inhouden van bloei... Zien we ook de tekens in onze wereld? Als we echt kijken worden we wakker... Hoe leven we hier op aarde als mensen met elkaar, hoe gaan we met elkaar om? We worden hoe dan ook geraakt door de wereld, aangeraakt door het leven van alledag: het goede maar ook het moeilijke, het bedreigende, het beangstigende. In het persoonlijke leven van mensen, maar ook op het vlak van de samenleving. 


Waakzaam zijn, dat vraagt ook dat je iets doet....  God komt via ons, als wij doen wat nodig is... God komt als het ware in elke kleine gave voor de voedselbank. Maar ook: in de gedaante van de mens in nood. God is hier, in al die gezinnen die niet genoeg te eten hebben. Zoals we vorige week in het evangelie hoorden: alles wat je voor één van deze minste broeders van Mij hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan. Als God zo komt, ons raakt, aanraakt, herkennen we hem misschien niet, maar dat is niet erg, als we er maar naar handelen.

 

We wachten... waakzaam, alert op wat er gebeurt... we doen wat kan, maar machteloosheid overvalt ons, we kunnen het niet alleen. We vragen God - zoals in het lied ‘Scheur toch de wolken’ - :
            ‘Mochten wij zien dat Gij bevrijdt,
            Dat Gij geen God van doden zijt.
            Breek door de blinde muur en kom.
            Scheur toch de wolken weg en kom.’


Moge Gods koninkrijk doorbreken, juist waar mensen elkaar bijstaan in hun kwetsbaarheid.
Daar worden we aangeraakt door zijn licht...

 

Elly Bus-Linssen

 


TER OVERWEGING 32e zdhj 12 nov. 2017. 1e lezing boek van de Wijsheid, 6,12-16;

2e lezing: Mattheus 25, 1-13

 

Laatst zei een vriend tegen mij; ik luister wel eens naar de radio en hoor dan een stukje evangelie. Dat vind ik eigenlijk wel rustgevend. Nu was ik net bezig met na te denken over dat verhaal van die tien meisjes, vijf dom, vijf verstandig, en schrok een beetje van zijn opmerking. Rustgevend?  Eerder onrustig makend, zou ik denken. Want ook dit evangelieverhaal heeft allerlei elementen, die eerder vragen oproepen dan geruststellen. Eerder oproepen tot wakker worden, dan dat het ons in slaap sust.

 

Het is namelijk een heel merkwaardige gelijkenis Tien bruidsmeisjes wachten op de bruidegom. Logische vraag; waar is de bruid? Ze moeten erg lang wachten, tot in de nacht. Logische vraag; waarom begint dat feest zo laat. En als het dan begint, en die domme meisjes hebben hun tekorten aangevuld, en kloppen aan voor het feest, dan vinden ze de deur gesloten – ‘ik ken u niet’ zegt de bruidegom. Logische vraag: waarom wordt de deur zo hard dichtgehouden? Maar het ergste is nog, dat die verstandige meisjes niet willen delen van hun voorraad, ze hadden toch over? Logische vraag; kennen ze dan het gebod van de naastenliefde niet?

 

Maar misschien vergissen we ons, zit er wel een andere logica in het verhaal dan we vermoeden. Misschien leiden die vragen ons af van de kern van wat Jezus ons hier wil zeggen: hou je lampen van je geloof brandend, zorg voor genoeg reservevoorraad. En wat belangrijk is; denk er goed over na, het is jouw zaak, jouw verantwoordelijkheid, en dat kun je aan niemand overdragen. Het is jouw eigen, niet te delen licht, dat je met je mee draagt.

 

Hou de lamp van je geloof brandend. Dat is de kern waar het hier om gaat, en waarover we kunnen nadenken. En dwars door alle lastige vragen, die je bij dit verhaal kunt hebben, wordt dan meteen iets anders duidelijk. De lamp van je geloof brandend houden, dat vraagt om uithoudings-vermogen, zegt het verhaal. Bestand zijn tegen de lange duur, waarin je – menselijkerwijs gesproken – ook wel eens in slaap kunt dommelen, wegdromen van wat er om je heen, en in de wereld gebeurt. De lamp van je geloof brandend houden, vraagt ook om aandacht, om oplettendheid, om attent zijn op het moment waarop je een keuze wordt gevraagd. ‘Wordt wakker, de bruidegom komt eraan’. Een moment van wakker worden, wanneer tien jonge mensen – allemaal verstandig? - voor je staan, en je wakker zingen, en vragen om de deur van je hart te openen voor wat zij je aanreiken. Zoals in dat prachtige lied van daarnet, waarover we het hadden. En waarover ze verder nog zullen zingen.

 

Hou de lamp van je geloof brandend. Dan gaat het natuurlijk niet om olielampen, al is olie ook een krachtig symbool voor wat lenig en zacht kan maken. Dan gaat het om de innerlijke lenigheid en zachtheid, die je – als het nodig is- in jezelf wakker kan schudden. Want ook als we trouwe kerkgangers zijn, en brave burgers, dan vallen we onvermijdelijk wel eens in slaap, zelfs onder de preek. We weten het wel, we geloven het wel. Het duurt al zo lang, we horen het zo vaak. Maar soms worden we wakker geschud, wordt het innerlijk licht in ons wakker, en daarmee de vreugde, de vrede en de liefde, zoals we in het lied van daarnet zongen..

 

Tot slot moet ik eerlijk bekennen, dat ik niet met alle elementen uit deze gelijkenis goed raad weet. Waarom de nacht? Waar is de bruid? Waarom die hermetisch gesloten deur? Ik wil slechts een enkele element noemen, dat mij deze week duidelijk is geworden bij het bezoek aan een ernstig zieke vriend, die priester is in het westen van het land. Hij heeft weet van de duisternis, waarin iemand kan komen te verkeren, als hij het levenseinde onder ogen moet zien. Vaak brandt daar maar een enkel lichtje, dat je zelf brandend moet houden met jouw olie. En zijn ontdekking, met de bijbel in de hand, was de volgende: Ook daar woont God, in die duisternis is Hij, de eeuwige en trouwe, aanwezig.

 

REN LANTMAN

 


Preek weekeinde 4 en 5 november 2017
Maleachi 1, 14b – 2, 2b.8-10; Matteüs 23, 1-12

 

Hij gaat er met gestrekt been in, de profeet Maleachi. En hij schroomt daarbij niet God nietsontziende  bewoordingen in de mond te leggen. Een aanklacht tegen de priesterkaste. Bittere verwijten. Beschuldigingen van ontrouw aan het Verbond en een onwaardige, op eigenbelang en zelfverrijking gerichte levenshouding. Een woedende aanklacht. Dreigementen: ‘Ik zal jullie nageslacht treffen en jullie de mest van de offerdieren in het gezicht gooien. Jullie zullen uiteindelijk zelf op de mesthoop belanden.”


Het lijkt wel duidelijk dat Maleachi zijn eigen woede verwart met de toorn van Jahweh. Dat hij zich in de aloude controverse tussen de profeten, voorvechters van rechtvaardigheid en zuivere waarheid, en de priesters, behoeders van voorschriften en traditie, door God gedekt weet. Of waant. Maleachi, profeet van God. Profeet van de ongezouten waarheid. Hij kent de zwakke plek, de achilleshiel van de tempelelite: aanzien, status. ‘Daarom zal ik zorgen dat heel het volk jullie minacht en op je neerkijkt, want jullie volgen de weg niet die ik je wijs en jullie hechten geen waarde aan mijn wetten.’

 

Maleachi, de laatste in de rij van oudtestamentische profeten. Hij roept veel te hard. Hij schoffeert, zoals het kind in het sprookje dat roept: ‘De keizer is bloot, de keizer is helemaal bloot!’ Het kind schoffeert, maar met de waarheid, zonder enige boosaardigheid. Want een kind ziet wat is. Een kind vertrouwt zich toe aan de waarheid – ook de waarheid van het sprookje. Wek mijn zachtheid weer / geef mij terug de ogen van een kind / dat ik zie wat is / en mij toevertrouw / en het licht niet haat.’

 

Enige zachtheid kan Maleachi wel gebruiken. Zeker waar hij zijn woorden God in de mond legt. Maar zijn profetenogen zijn de ogen van een kind. Hij ziet wat is: het zelfbedrog van wie zich vroom en verheven achten. Ze eren God met de mond maar offeren gestolen, kreupele en zieke dieren terwijl ze de gezonde voor zichzelf houden. Ze zijn hun vrouw ontrouw en verstoten haar. Ze plegen meineden, buiten hun dagloners uit, onderdrukken weduwen en wezen en houden vreemdelingen buiten. Maleachi ziet het. Hij zegt het. Hij schreeuwt het over de daken. Een gevaarlijke waarheid. Hij daagt de macht van de tempel uit. En, hij vertrouwt zich toe. Aan de waarheid. Aan het licht. – ‘..dat ik zie wat is / en mij toevertrouw / en het licht niet haat.’

En dan die andere profeet. Eerste onder de profeten. Jezus. Eerste ook van een nieuwe keten van profeten, waaronder mensen als Augustinus, Franciscus, Maarten Luther, Simone Weil… Mensen die zien wat is en zeggen wat is. Elk met haar en zijn kenmerkende opmerkingsgave en met een eigen stemgeluid: Luther hard, soms ruw; Simone Weil intellectueel, haast fluisterend. Jezus met luider stem want, zo staat er, hij sprak ‘tot de menigte en tot zijn leerlingen’.

 

Jezus ontmaskert de onoprechtheid en het zelfbedrog van de religieuze rolmodellen van zijn tijd: schriftgeleerden, Farizeeën. Zij hechtten aan de uiterlijke tekenen van hun positie in de joodse samenleving. Zij willen gezien en gegroet worden op straat. Zij eisen de eerste plaatsen op en willen aangesproken worden met de naam die hun status onderstreept: ‘Rabbi’, ‘mijn Meester’. Maar deze uiterlijke zwaarwichtigheid maskeert het innerlijk lichtgewicht. Hun hart is niet bij het volk dat zij geacht worden te verlichten. Verlichten met het licht van verlossende inzichten uit de heilige boeken. Verlichten ook al die levens die door een woud aan voorschriften belast is. Zij leggen daarentegen juist zware lasten op, die ze zelf niet dragen. Ze haten het licht.

 

Zelfbedrog.
Wegdrijven van jezelf, je kern, je eerlijke ik.
De spiegel vrezen die je laat zien in al je potsierlijkheid .
De dromen vrezen die de angst onthullen.
De angst voor de ontmaskering.
De angst voor het kind in je dat roept: ‘De keizer heeft geen kleren aan. De keizer is bloot.’
Laat niemand zich rabbi noemen, zegt Jezus. Je hebt maar één Meester.
Noem je geen leraar. We hebben maar één Leraar en je hebt nog zoveel te leren.
Verhef je niet boven de ander. Je zult vallen.
Laat je voeten de aarde trouw blijven. Je zult worden opgetild. Gedragen.
Blijf jezelf. Word jezelf. Wees niet wat je niet bent.
Dien niet de maskerade, het recht van de sterken. Buig niet voor de angst.

 

Er zijn mensen met de ogen van een kind.
Mensen als Maleachi. Mensen als Jezus. Vooral Jezus. Mensen dicht bij God. Profeten.
Zij kijken achter de dingen. Zij kijken door de dingen heen.
Zij zien wat is.  Ze zeggen wat is. Hard soms, maar altijd bevrijdend en troostend.
Wie hun blik niet ontwijkt, niet vlucht voor hun woorden, zullen bevrijd en getroost worden.
Niet groter dan je kleinheid. Niet kleiner dan je bedoeld bent. Zo ben je goed.

 

Meindert Muller 

 


TER OVERWEGING :    22 – 10 - 2017 Jesaja  45, 1 + 4 - 6          Mat. 22, 15 – 21       

    

Laten we eens proberen ons te verplaatsen in de tijd van Jezus,
die te midden  van een groep mensen de
boodschap van zijn Vader aan de mensen wil overbrengen.

Vandaag zijn wij onder die toehoorders.
Wij die van allerlei pluimage zijn.
De grote vraag is: op welke plaats zouden wij ons thuis voelen?

Bij de toehoorders van Jezus op die dag of beter gezegd op de dag van vandaag zijn allerlei mensen vertegenwoordigd.
Jezus heeft een grote groep mensen om zich heen van Farizeeën,
die helemaal geen aanhangers waren van Jezus
dan een groepje Herodianen,
waarvan mensen niet precies wisten waarvoor ze stonden.
Allen hebben ze een vraag aan Jezus!
Maar die vraag stellen ze heel slim met de woorden; :  
“Meester, wij weten dat Gij oprecht zijt en
de weg van God in oprechtheid leert;
en Gij stoort U aan niemand,
want Gij ziet de mensen niet naar de ogen.
Jezus moet door die opmerking gevleid zijn.
Maar  juist daar zit er een addertje in het gras.
Jezus keert zich, want hij heeft de mensen meteen door en zegt:
“Waarom probeert gij Mij te vangen, gij huichelaars?
Even tussen door:
Praat Jezus misschien nu tegen enkele van ons?
Jezus geeft hierbij meteen aan aanwijzing aan ons en zegt:  
“Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt,
en aan God wat God toekomt.”
Jezus wordt niet kwaad;
hij legt niemand iets op maar laat de keuze is aan ons.
Maar wat is dan ons persoonlijke antwoord?
In de eerste lezing hoorden we,
dat God zelf geheime schatten aan ons geeft ,
uit de voorraden die verborgen zijn.
God wil ook hebben, dat  wij een keuze maken,
gewoon omdat God zelf vraagt. 
God schaamt zich niet te vragen, maar wat doen wij?

 

Piet Verhagen

 


TER  OVERWEGING Matteüs 22, 1-14, 15 oktober 2017

 

Het bruiloftskleed

 

Anders dan bij Lucas eindigt de parabel van het bruiloftsfeest bij Matteüs niet in een happy end. De aanvankelijke hoopvolle boodschap dat iedereen, zowel slechten als goeden, welkom zijn in het Rijk der Hemelen krijgt bij Matteüs een onvoorstelbare wending als de Koning de gasten zonder bruiloftskleed met geweld uit de feestzaal laat zetten. Dat roep vragen op, onder andere hoe je gekleed moet zijn om de feestzaal te mogen binnengaan. Hoe moet het bruiloftskleed er uit zien en wat moeten we ons daar bij voorstellen?


Gelukkig laat de Bijbel ons niet helemaal met lege handen zitten. In het laatste boek van de Bijbel in het boek Openbaring van Johannes zegt deze evangelist: “Laat ons verheug zijn en juichen en God eer bewijzen: de tijd is gekomen voor de bruiloft van het lam, zijn bruid heeft zich al klaargemaakt. Haar is het vergund zich te kleden in linnen, wit en smetteloos, want het linnen symboliseert de goede daden van de heiligen. (Apo. 19, 7-8)


Het bedoelde bruiloftskleed staat dus voor de goede daden van de heiligen. Als je goed gekleed in het Rijk der Hemelen wilt binnen gaan, bekleed je dan met goede daden, zoals de heiligen die hebben laten zien. Daarmee is natuurlijk nog niet meteen duidelijk wat dat inhoudt, maar het geeft wel een richting aan. Als voorbeeld kan de heilige Teresa van Avila gelden, wier feestdag op 15 oktober gevierd wordt.


Teresa leefde bijna 500 jaar geleden als Karmelietes. Zij is vooral bekend als mystica en kloosterhervormster. Centraal stond bij haar de vraag: waar gaat het in het leven om, met name ook als kloosterling? Wat is er echt belangrijk? Welke weg moet ik gaan om mij spiritueel te ontwikkelen? Hier schreef zij enkele beroemde boeken over. Maar ook voerde zij aan de hand van deze  vragen hervormingen door in bestaande kloosters en stichtte nieuwe kloosters.
Teresa was allesbehalve een saaie en wereldvreemde zuster. Zij was vriendelijk, betrouwbaar en had humor. Een voorbeeld mag dat verduidelijken.


Op zekere dag is Teresa weer eens op reis, zoals dat toen ging met paard en wagen. Het heeft langdurig geregend. De wegen in het bergachtig gebied zijn modderig. Plotseling begint de wagen te schuiven en kantelt. De zuster belandt met heel haar hebben en houden in de modder. Op dat moment klinkt er een stem uit de hemel: “Zo doet God met al zijn vrienden om hun op de proef te stellen”, waarop de zuster snibbig antwoordt: “Daarom hebt u er ook zo weinig!”

 

Wat Jezus in de parabel van het bruiloftsfeest aanreikt is dat het Rijk der Hemelen voor iedereen open staat. Maar zorg er wel voor dat je er gepast gekleed binnen gaat. Wat ‘gepast’ is is doorheen het hele evangelie te vinden. Daar waar dat niet meteen duidelijk is, kunnen heiligen de weg wijzen.

 

Jac Peeters

 


TER OVERWEGING 26e zondag dhj, 30 sept-1 oct. Lezingen: Ezechiel 18,25-28; Mat.21, 28-32


Ter inleiding
Vandaag horen we in het evangelie van Mattheus, hoe Jezus zijn omstanders en tegenstanders een eenvoudige wijsheid voorlegt: over ja zeggen en nee doen, en omgekeerd.  Het is het begin van een lange discussie, die met medestanders en tegenstanders van Jezus wordt gevoerd. Het is ook het vervolg van de parabel in de wijngaard, die we de vorige week hoorden. Opnieuw geeft Jezus ons te denken over wat betekent; de wil van de Vader te doen.


In de eerste lezing horen we een fragment uit de profeet Ezechiël, dat bij dit evangelie gekozen is, en daar ook een bepaald licht op werpt. De profeet schrijft ten tijde van de ballingschap en hij doet een dringende beroep op de joden om hun geloof trouw te blijven. Ook hier gaat het in zware bewoordingen over het ja en het nee. Ook in de ballingschap is de centrale vraag: wat wil God van ons in deze situatie?


Als een rode draad door deze liturgie lopen de gezangen, die we gekozen hebben, en die aansluit bij deze vraag: wat wil God van ons?  Daarin staat het zoeken naar God centraal. En daarmee de vraag naar het doel van ons leven. En naar onze situatie, waarin we kunnen kiezen tussen ja en nee.


OVERWEGING
Het evangelie van vandaag begint eigenlijk heel gewoontjes. Iemand wordt gevraagd iets te doen, hij zegt daar ja op, maar doet het uiteindelijk niet. En de ander zegt eerst nee, maar doet dan toch wat hem gevraagd wordt. Het is een keuzemoment, die Jezus hier aan zijn omstanders voorhoudt. Een keuze, die kennelijk kan verschuiven; een Ja wordt Nee, een Nee wordt Ja.


Wie op een of andere manier vertrouwd is met de opvoeding van kinderen, zal dit meteen herkennen. De tweejarigen hebben er een handje van overal nee op te zeggen. Zoals bekend is bij opvoeders: twee is nee. Zullen we gaan eten? Nee of toch maar ja. Slapen? Ja of toch maar nee.

 

Spelen? De voorbeelden zijn eindeloos. En dan getuigt het van enige stuurmanskunst om een nee dan in een ja te veranderen. En omgekeerd. En naarmate de kinderen ouder worden, is het vaak ingewikkelder. Zo las ik over een moeder, die haar puberzoon vroeg te helpen met de vaat. Ze kreeg een nee. Maar toen hij toch naar de keuken slofte, zag zij op t- shirt de spreuk van de winkel waar hij werkte: wij staan altijd tot uw dienst. Altijd ja dus. En zo kunt u waarschijnlijk nog wel de nodige voorbeelden geven.   


Maar laten we als volwassenen vooral eerst eens naar onszelf kijken. Kunnen we in ons eigen leven situaties herkennen, waarin er op deze manier sprake was van ja en nee? Dat we ergens tussen ja en nee verzeild raakten? Ik voor mezelf herken het wel. En geef u een persoonlijk voorbeeld.

 

Enkele jaren geleden sprak een onbekend iemand mij op een winkelcentrum aan:  of ik collectant wilde worden voor het goede doel, rondgaan in de wijk met een collectebus. De eerste spontane reactie was; natuurlijk,ik heb wel wat over voor de medemens. Dus zei ik er ja tegen, en schrok toen geweldig voor de consequenties terug. Het werd in dat eerste gesprekje toch een nee. Maar toen ik er later over nadacht, en voor mezelf mijn mogelijkheden nog eens op een rijtje zette, werd het toch een ja. Na dat aanvankelijk nee – ik heb hier geen tijd voor enz. – werd het beroep dat op me gedaan wordt toch te sterk. Het nee werd een ja. Het was echt een heel goed doel, waarvoor ik gevraagd werd. Dit geslingerd worden tussen ja en nee kunt u waarschijnlijk wel toepassen in uw eigen leven. In het concrete beroep dat op ons gedaan wordt, voor de keuzemogelijkheden die we zelf hebben  in de grote maatschappelijke discussies van dit moment – hoe gaan we om met vluchtelingen, integratie, milieu (dat laatste deze maand centraal in de ‘season of creation’) – dan hebben we dagelijks met deze momenten te maken, waarop we de keuze moeten maken tussen ja en nee.


Het gaat Jezus natuurlijk niet om pedagogisch advies, of om voor ieder geldende afwegingen te maken over maatschappelijke vraagstukken; het gaat hem om de keuze voor zijn boodschap. En die gaat, zoals in meerdere gevallen, over het doen van gerechtigheid. Dat is het oriëntatiepunt, en Jezus houdt zijn omstanders voor, dat sommige mensen – hij noemt, ongetwijfeld om te choqueren daarbij tollenaars en hoeren als voorbeeld – kennelijk eerder ja zeggen tegen zijn boodschap. Maar waarom zou je jezelf inspannen om iets van gerechtigheid te realiseren, als er zoveel onrecht om je heen , en op de wereld is? En nog dringender: kan uw, kan mijn inspanning – mijn rondsjouwen met de collectebus - iets bijdragen aan de wijngaard des Heren, die betere wereld, waarover Jezus het heeft -  en die hij in de volgende verhalen zal verduidelijken?  Waar zeggen we ja tegen, en waartegen nee?


Zelf ben ik Jezus wel dankbaar voor dat onschuldige verhaal over ja en nee – want we zitten er maar al te vaak tussen. We kunnen er lering uit trekken voor onze persoonlijke situatie. Wat meer maatschappelijk gekleurd is de situatie, waarin de profeet Ezechiel ons de keuze tussen ja en nee voorhoudt. Het zijn harde woorden, ze spreken over leven en dood. Dat is de ene kant van de profeet; die andere is het hartstochtelijk zoeken naar God, zoals uit de tussenzang (psalm 63) bllijkt. Denkt u de situatie maar eens in. De joden zitten in ballingschap, in een vreemd land, tussen een overheersend vreemd volk. Om het populair te schetsen: hun kerken (synagogen en de tempel) zijn platgebrand, zij worden om hun godsdienst gewantrouwd, in de supermarkt van de vreemde heersers telt de macht, het geld en het geweld, en de goden van welzijn en geluk bevestigen deze situatie. En het is natuurlijk aantrekkelijk om met de hoofdstroom mee te gaan, lippendienst te bewijzen aan de supergoden, je geen moeilijke vragen te stellen, en God, nou ja, die red zichzelf wel.


In deze situatie houdt de profeet het volk zijn centrale keuze voor. Ook in deze situatie kunnen ze kiezen voor de God van Israel, voor zijn geschiedenis met mensen. Het is gemakkelijk – zegt de profeet -  met de hoofdstroom mee te gaan, je niet meer te verdiepen in de geschiedenis van bevrijding, de belofte van een goed land om te leven. Wanneer de uiterlijke tekens en manifestaties van je godsdienst verdwijnen, dan heeft het zoeken naar God weinig zichtbaar houvast. Het moet dan iets van jezelf worden, als van levensbelang, dat troost en uitzicht biedt. Je voedsel voor onderweg is dan dit verhaal van bevrijding en het zingen van liederen, geboren in de ballingschap. ”Steeds weer zoeken mijn ogen naar u”, zo zongen we.


Het is niet zo moeilijk om ons als westerse christenen heden ten dage in die beelden en  dezelfde gemoedstoestand van de ballingschap van toen te verplaatsen.  Het is niet zo, dat het doen van gerechtigheid is voorbehouden aan christenen. Er zijn velen in onze samenleving die ook dat spoor willen volgen, en aan mensen recht willen doen. Maar er is moed voor nodig om het doen van gerechtigheid vol te houden. En dat heeft in een situatie van ballingschap alles te maken met het geloven en de kern ervan; het zoeken naar God, het speuren van zijn bedoelingen met ons.

 

Daarvoor te bidden, daarover te zingen, samen het brood te breken,  het te blijven doen tot Zijn gedachtenis. En in dat zoeken, zingen en bidden kan soms ons ja een nee, maar ook een nee een ja worden.


REN LANTMAN, 26 – 9 - 2017

 


TER OVERWEGING 23 en 24 september 2019 Jesaja 55, 6-9; Matteüs 20, 1-16a

 

Wat leren we in het praktische leven van het evangelie van vandaag? Op het eerste gezicht weinig. En niet omdat de kloof tussen ideaal en realiteit onoverbrugbaar lijkt. Niet omdat de parabel ons voor een schier te zware opgave stelt. Maar omdat de parabel ons iets voorhoudt dat moeilijk verenigbaar lijkt met bijbels handelen in de praktijk. Waar heb ik het over?

 

  1. Door heel de bijbel klinkt de oproep tot gerechtigheid. Minder bijbels gezegd: rechtvaardigheid, eerlijkheid. Dit ideaal proberen we o.a. concreet te vertalen in eerlijke beloningen. Rechtvaardig belonen is het in praktijk brengen van een centrale karakteristiek van het Rijk Gods: gerechtigheid. Dat staat niet vrijgevigheid en hulpvaardigheid in de weg. Maar als werkgevers en werknemers proberen tot goede en eerlijke loonafspraken te komen zijn ze weinig geholpen met de parabel die we vandaag hoorden.
  2. Ook valt er zo op het eerste gezicht, en vanuit bijbelse principes gedacht, een en ander af te dingen op de uitspraak: ‘Mag ik met mijn geld niet doen wat ik wil?’ Op grond van het evangelie mag het antwoord luiden: Dat is niet erg bijbels; bezit is je toevertrouwd opdat je er als een rechtvaardig rentmeester mee omgaat. Bezit betekent ook maatschappelijke verantwoordelijkheid. Maatschappelijk ondernemen is een moderne vertaling van bijbels handelen.

 

Het hoeven niet de slechtsten te zijn die met het evangelie van vandaag niet uit de voeten kunnen. Want wie zich inzetten voor loon naar werk – zowel van werknemerskant als van de kant van werkgevers – bouwen aan een betere wereld. Structureel eerlijke verhoudingen zijn te verkiezen boven weldadigheid.


Ik moet nog even doorbijten, de parabel vraagt erom. De arbeiders die de hele dag gewerkt hebben protesteren bij de landheer omdat zij die één uur gewerkt hebben evenveel betaald krijgen als zij. Dan vraagt de landheer hen: ‘Zet het kwaad bloed dat ik goed ben?’ Het eerlijke antwoord zou zijn: ‘Ja. Want het is niet eerlijk. Het toont de macht van het geld.’ Goed zijn binnen de maatschappelijke  verhoudingen – én, durf ik te zeggen, in de geest van het evangelie – heeft meer te maken met eerlijke en transparante loonafspraken dan met Sinterklaas spelen.


Dit gezegd zijnde, mag u mij vragen wat volgens mij dan de betekenis van de parabel is. Een moeilijke vraag. Maar ik ga hem niet uit de weg, al weet ik niet of ik u op het goede spoor zet.
Ik zoek het spoor in de lezing uit Jesaja. Daarin wordt de goddeloze aangespoord zijn plannen op te geven en terug te keren naar God, ‘die hem ruimhartig zal vergeven’. God zegt dan:


‘Mijn plannen zijn niet jullie plannen [gedachten],
en jullie wegen zijn niet mijn wegen – spreekt de Heer.
Want zo hoog als de hemel is boven de aarde,
zo ver gaan mijn wegen jullie wegen te boven,
en mijn plannen [gedachten] jullie plannen [gedachten].’


Er is, zegt God, een verschil van dag en nacht tussen de logica van het rijk van de hemel  en de logica van de aarde, de mensensamenleving.


En met de parabel geeft Jezus als het ware een inkijkje in het Rijk der Hemelen. Via een verhaal probeert hij zijn leerlingen, met wie hij alleen is nadat de rijke jongeling gefrustreerd is weggegaan, iets te laten zien van het totaal andere van Rijk Gods. Dat Rijk is een rijk van volmaakte vrede en goedheid, van liefde zonder voorbehoud.


Als de rijke jongeman, die naar eigen zeggen een voorbeeldig leven leidt, bij Jezus een garantie zoekt van eeuwig leven in het Rijk Gods en aandringt, gaat Jezus ook die grens tussen aarde en hemel over: ‘Als je volmaakt wilt zijn, ga dan naar huis, verkoop alles wat je bezit en geef de opbrengst aan de armen; dan zul je een schat in de hemel bezitten. Kom daarna terug en volg mij.’ Nergens staat dat Jezus de rijke jongeling veroordeelt. Maar deze man zoekt een volmaaktheid die niet van deze wereld is en krijgt een antwoord op de maat van die volmaaktheid. Zo maakt hij zichzelf ongelukkig.


Ik denk niet dat de maatschappij is gediend met volmaaktheid en dat God de mensenmaatschappij de maatstaf van volmaaktheid oplegt. Mensen zijn onvolmaakt – niet alleen uit zwakte of kwade wil, maar omdat mensen zo zijn. Om als onvolmaakte mensen zo goed mogelijk samen te leven maken mensen wetten, normen, regels; en afspraken over bijvoorbeeld loon en geldtransacties. En als dat op een open en eerlijke manier gebeurt, rekening houdend met de armen, mag je dat evangelisch handelen noemen.


Maar, er zijn ook altijd dwazen nodig – mensen die wél al hun bezit aan de armen geven; al hun tijd, al hun talent en energie inzetten voor een verheven ideaal; ja, hun leven geven voor een ander – dwazen die het visioen van het Rijk Gods zichtbaar maken. Dwazen als Jezus die vertelt over een goedheid, een liefde die onvoorwaardelijk is en die ons wacht voorbij de wetten en normen, ja voorbij recht en gerechtigheid. Over een dwaze landheer die, als God, de zon van zijn goedheid laat schijnen over goeden en kwaden, over eersten en laatsten.

 

Meindert Muller

 


TER OVERWEGING: 24ste ZONDAG A  P.Verhagen 16-09-2017 SEASON OF CREATION


Paus Franciscus heeft weer eens een "geweldige knuppel" in het hoenderhok
gegooid. Hij vond het nodig, omdat wij zijn "hoenders" weer eens order op
zaken moeten stellen.
Ooit was de wereld, die God de Vader aan ons gaf . .. Heel gaaf. Alles was goed
op elkaar afgestemd, het paste allemaal bij elkaar! Het liep gesmeerd. Alles in
en op die schepping was goed . . . . heel goed.
Wij mensen van nu kunnen ons daar niets meer bij voorstellen, maar we kunnen
ons wel voorstellen; hoe mooi het eens moet zijn geweest en wat zouden we
maar al te graag hebben, dat die schepping weer gesmeerd en ordelijk verliep.
Dit zodat alle bloemen en planten, alle beesten in de lucht en op het land weer
allemaal tot hun recht kwamen.
Als start heeft de paus Franciscus ons allemaal gevraagd, ieder ons steentje bij te
dragen. En ik vermoed, dat de paus zelf het voorbeeld wilde geven hoe hij dacht;
hoe kunnen we zoiets het beste aanpakken;
Heel ïangzaam maar wel heel grondig door gebed.
Door eerst en vooral toe te geven, dat ieder van ons persoonlijk
verantwoordelijk is op z4n of haar eigen gedrag. Niet eerst naar de ander kijken
. . . . nee eerst onszelf afvragen:
wat kan ik persoonlijk bijdragen in gebed en handelen, zodathet grote
hoenderhok weer mooi zal zljn, waar ieder zich thuis voelt.
Jezus geeft in het evangelie van vandaag een heel mooi, maar wel moeilijk na te
volgen voorbeeld! Petrus heeft een vraag aan Jezus! Hebben we dat niet
allemaal; hoe vaak moet ik mijn naaste vergeven? Het zij manen of vrouw.
Petrus, zoals wij bijna allemaal, geeft al meteen zijn eigen gedachten:
tot zeven maal toe? Dat vond Petrus en ik vermoed ieder van ons, zoals we hier
nu bij elkaar zitten, al heel wat! Jezus geeft meteen een duidelijk antwoord: niet
tot zevenmaal toe, maar tot zeventigmaal zevenmaal. Of wel anders gezegd, met
dat vergeven moet te doorgaan.
Als je dat niet van plan bent, voegt Jezus er meteen aan toe: ben jij een lelijke
knecht, die zelf geen schuld kwijtscheld, als de ander erom gesmeekt.
Wel lezen we: Heer, heb geduld met mij en ik zal u alles betalen. Dat is
makkelijk praten! Toch krügt de Heer medelijden met die dienaar en liet hem
gaan en schold hem het geleende kwijt.
Zo zal ook mijn hemelse Vader met ieder van u handelen, die niet zijn broeder
van harte vergiffenis schenkt.
Zo staat het al geschreven in het boek van Jezus Sirach:
God zal onze zonden nooit uit het oog verliezen. Maar God zegt ook: vergeef
uw naaste zijn onrecht: dan \l,orden, wanneer gij erom bidt, wanneer gij erom
bidt, wanneer gij erom bidt... uw eigen zonden kwijtgescholden worden.
Verder staat er ook heel duidelijk: denk aan de geboden en wrok niet tegen uw
naaste: {J zult het met mij eens ztjn, dat we ons niet kunnen verschuilen achter
onwetendheid; heel het sucçes voor ons allemaal is in deze "season of creation"
die helemaal afhangt van ieders totale inzet.
Dan op 4 oktober- op het feest van sint Franciscus, kunnen we \,veer eens met
een nieuwe lei beginnen om rust en vrede te brengen in het "hoenderhok" onze
katholieke kerk.

 

Piet Verhagen

 


TER OVERWEGING  10 september 2017   Romeinen 13, 8-10   en   ‘Season of Creation’


Johan was een veelbelovende student milieuwetenschappen. Hij doorliep de studie vlot en sloot ze cum laude af. Maar toen kwam de vraag “Wat nu?” Een wetenschappelijke carrière lag voor de hand, onderzoek doen, promoveren en later misschien doceren. Maar hij twijfelde. Zou hij dan niet te afstandelijk en te theoretisch met milieu bezig zijn, zo vroeg hij zich af. Toen de gelegenheid zich voordeed om een half jaar in het regenwouden van Brazilië te gaan werken greep hij die kans graag aan.


Groot was de teleurstellen toen hij daar van dichtbij ontdekte dat wetenschappers niet vanzelfsprekend aan de kant staan van de natuur, het milieu en de mens. Integendeel, vaak werken ze voor de belangen van grote ondernemingen, voor een corrupte overheid, voor het grote geld ten koste van natuur en mensen. Na terugkeer in Nederland wist Johan zeker dat hij geen wetenschappelijke carrière ambieerde. Hij wilde zich gewoon daadwerkelijk inzetten voor de natuur, voor het behoud van de zo prachtige schepping.


De ervaring in Brazilië had hem nog meer de ogen geopend voor hoe wij hier in Nederland met de schepping omgaan. Hij zag de verkwisting: nog bruikbaar materiaal vernietigd, eten weggegooid, natuur te gemakkelijk opgeofferd voor wegen en industrie. Hij zag de onverschilligheid van mensen: het achteloos weggooien van plastic, het lozen van verontreinigd afvalwater.


Min of meer op de vlucht vertrok hij naar Australië om er voor de bedreigde inheemse diersoorten te zorgen. Geldgebrek dwong hem terug naar Nederland. Hij nam het eerste het beste baantje en keek uit naar de tijd dat hij weer ergens voor dier of natuur kon zorgen. Hier verzamelde hij spullen die mensen weggooiden, meubilair, kleding maar ook voedsel. Hij repareerde het gevondene en gaf ze aan mensen die ze goed konden gebruiken of bracht ze in het gebruikte- spullen-circuit. In de winter haalde hij in winkels overtollige etenswaar op, maakte soep en deelde die uit aan daklozen. Vond hij op straat of in de natuur plastic of batterijen dan raapte hij dat op en  bracht het naar inleverpunten. Reizen deed hij per fiets of openbaar vervoer en bij hoge uitzondering meeliftend in een auto.


Als hij  weer wat geld had vertrok hij naar het buitenland. Zo zorgde hij voor gieren in de Pyreneeën, wolven in Midden-Amerika en beren in Rusland. De eens zo briljante student voelde er zich goed mij, ook al moest hij steeds een grote weerstand overwinnen om een vliegtuig te nemen.

 

Het is verheugend dat de kerken van 1 september tot 4 oktober aandacht vraagt voor de schepping met ‘Season of Creation’. Maar na die maand? Laat Johan de spiegel zijn die ons uitdaagt. Wat doe jij voor het behoud van de Schepping?


Volgens de bijbel is de mens niet de bezitter van de schepping, waar hij mee kan doen en laten wat hij wil. God heeft ons de schepping in bruikleen gegeven.  De mens is de beheerder. Wanneer hij zich de absolute bezitter waant, kan het heel erg fout gaan. Denk aan totalitaire regimes, waarin de ene mens voor de andere niet telt, aan mogelijke gevolgen van het pokerspel met kernwapens door de presidenten Trump en Kim Jong-un, aan de ongelijke verdeling van de rijkdommen van de schepping, aan ongecontroleerde genetische manipulatie, aan onze eigen achteloze verkwisting. Heel de Schrift roept de christen op om permanent respectvol met de schepping om te gaan en dat is wat anders dan heel berekend de kantjes er van af lopen.


Paulus houdt de Romeinen voor dat alle wetjes en regeltjes overboord kunnen als de mens als levenshouding de liefde heeft: “Liefde vervult de gehele wet” (Rom. 13, 10). Heel wat milieu-regeltjes en -wetjes kunnen overboord als  de mens leeft vanuit liefde voor de Schepping. Leven is liefde doen!

 

Jac Peeters

 


2017-08-15                 

 

TER OVERWEGING 15 aug 2017 Maria ten hemelopneming

 

Vandaag hier in onze kerk een Maria feest. Misschien zelfs het oudste Maria feest dat we van Maria kennen in onze kerk. 
Al vanaf de eerste eeuwen was er een Maria feest op 15 Augustus.
Toen werd het feest anders genoemd, namelijk: Maria, Moeder van God!
Pas later is die naam veranderd in: Maria Ten hemel opneming.
In dat feest drukten de  gelovigen hun verlangen uit – dat alle gelovigen op een gegeven moment allemaal weer samen met Christus zouden zijn! De gelovigen vonden het niet meer dan normaal, dat eerst en vooral de vrouw, die Jezus baarde, bij hem was in zijn leven en ook bij zijn sterven en verrijzenis, dat die vrouw ook bij Jezus zou zijn, waar Jezus was na zijn verrijzenis en hemelvaart. 
Maar hoe zat dat dan precies??? 
Johannus probeerde in zijn boek Openbaring dit te verwoorden.
Het herhaal van Johannus hebben  we zojuist gehoord, maar met dat verhaal hebben we misschien toch ook grote moeite.
Laten we daarom even wat dieper ingaan op die beschrijving van Johannus.
We horen over een vrouw, die gedragen wordt door twaalf sterren. Het getal twaalf , zoals vele andere getallen in de bijbel is een getal van grote betekenis. De twaalf zonen en stammen van Jacob. Twaalf het getal van gerechtigheid, dat staat tegenover de draak met zeven gezichten, die al het mogelijk kwaad voorstellen.
De vrouw brengt voort. Er wordt een kind, maar als het ware, ook een vrouw geboren. De vrouw wordt moeder en lijkt daardoor symbolisch op het volk Gods onderweg, dat is de kerk. De vrouw moet vluchten; vluchten naar de woestijn.
Het idee van woestijn speelt een grote rol in de bijbel. Het uitverkoren volk trekt er 40 jaar doorheen om gelouterd te worden en te groeien.
Ook de kerk . . . Gods volk is onderweg en trekt door een woestijn en groeit tegen de verdrukking in. De kerk is op weg naar het rijk Gods.
Toen de Joden door de woestijn trokken – naar hun beloofde land, deden ze dat met de ARK van het verbond.
Nu hebben wij een nieuw verbond . . .een nieuwe ark . . . Maria.
Zij trekt met ons mee en is steeds bij ons, zoals de ark van het oude verbond. Maria vond het geweldig om die nieuwe ark te mogen zijn. Eerst verdwijnt Maria als het ware van het toneel. Ze gaat werken bij haar nicht Elisabeth. Drie maanden . . . is dat niet heel toevallig ook precies de tijd dat vrouwen in verwachting – althans naar de buiten wereld – hun in verwachting zijn vrij gemakkelijk verborgen kunnen houden??? Maar voor Maria stond het al vast, want daarom zingt ze bij de ontmoeting van haar nicht al meteen alle lof toe aan God in het Magnificat.
In datzelfde Magnificat zingt Maria ook meteen, dat niet alleen zijzelf God bejubelt, maar dat alle geslachten NA haar   ditzelfde zullen doen, samen met haar.

 

Daarom is het zo goed, dat wij hier nu samen dit feest vieren, als kunnen we misschien niet meer zo gemakkelijk handen en voeten geven aan die tenhemelopneming. Maar dat laatste wordt dan een bijkomstigheid. Het voornaamste is, dat we samen op weg zijn naar dit nieuwe koninkrijk, zij het door een woestijn, groeiend tegen de verdrukking in, want God blijft trouw aan ons zoals Hij dat door de hele geschiedenis, bijbel is.
Amen.

 

Piet Verhagen

 


TER OVERWEGING 19e zondag door het jaar. Lezingen; 1 Koningen 19.9a-11-13a; Mat. 14.14,22-33


Inleiding
Vanmorgen twee heel verschillende  zaken ter inleiding. In ons midden vandaag een muzikaal trio, te weten Annalies Havelaar (traverso/fluit), Ad Gijzels (orgel ) en Lars Hansson (altviool). Zij spelen vandaag een sonate van Telemann. Hij was een tijdgenoot van Bach, 250 jaar geleden gestorven, en in die tijd veel beroemder. Hij heeft ongeveer 3000 muzikale werken geschreven, een klein deel daarvan is bewaard. Het trio heeft voor deze dienst al een eerste deel van deze sonate laten horen, onder de collecte het tweede deel, onder de communie het derde. En na het slotlied zal het vierde deel klinken en een reprise van een van de andere delen. Dus u wordt gevraagd dan even te blijven luisteren om de muziek uit te laten klinken.


In de lezingen van vandaag gaat het over een godsontmoeting, en wel op twee heel verschillende manieren. In het oude of eerste testament heeft Elia een godservaring, als hij op de vlucht is voor de heersende machten van zijn tijd. Hij verbergt zich, zijn menselijk bestaan is in het geding. En dan gebeuren er wonderlijke dingen. Laten we er goed naar luisteren. In het evangelie verschijnt Jezus aan de leerlingen, als ze op het meer tobben met wind en tegenwind. Ook dat is een wonderlijke ontmoeting. Laten we ook daar goed naar luisteren.


Wat hebben muziek en die godsontmoeting met elkaar te maken? Laten we om te beginnen onze oren spitsen, maar in het begin van deze viering vooral luisteren naar de stem van ons hart, en ons in de stilte richten tot de God van ons leven.


OVERWEGING
Wat hebben muziek van Telemann en de Godsontmoeting van Elia en de apostelen met elkaar te maken?  Natuurlijk kun je zeggen, dat muziek ons in andere sferen kan brengen, misschien zelfs in hogere sferen, zodat je kunt zeggen; het klinkt goddelijk in onze oren. En er zijn heel veel soorten muziek, maar wat mij betreft heeft de barokmuziek, zoals die hier vanmorgen klinkt, iets meer in klank en kleur, waarvan je kunt zeggen; dat brengt mij in andere sferen. Maar de hardrockers onder u, of de operaliefhebbers zullen zo hun eigen goddelijke ervaring hebben.
Maar als we de wederwaardigheden van Elia nader bekijken, dan is er misschien meer te overwegen. Laten we even teruggaan naar de geschiedenis, waarin Elia verstrikt is. Hij is – als we alle details even weglaten – op de vlucht voor de koning van Israel, die hem wil vermoorden. Want er is – zoals wel vaker in de geschiedenis van het joodse volk toen – een felle discussie uitgebroken over het Godsgeloof. Op wie kunnen we vertrouwen en op wie kunnen we bouwen? De grootste en koningsgezinde partij en de priesters vertrouwt op Baal, de vruchtbaarheidsgod. Die God garandeert vruchtbaarheid van land en volk, hem moet geofferd worden. Alles moet daarom gedaan worden om hem gunstig te stemmen.  Jahwe, die oer- God van het Verbond vraagt het volk om zich aan de eens gegeven geboden te houden, hun bevrijding uit Egypte van de machten en goden in herinnering te houden, en vooral: om gerechtigheid te doen. Dat schuurt en wringt aan alle kanten. Elia lijkt met zijn optreden te winnen, maar moet toch vluchten. De koning heeft de opdracht gegeven dat hij moet worden vermoord, en wel binnen vierentwintig uur. Elia  verbergt zich in de rotsen. Hij zal zich ongetwijfeld hebben afgevraagd: waar is nu mijn God, wanneer ik hem zo hard nodig heb? Het leidt tot de twijfelende vraag: ‘Elia, wat doe je hier? ‘ Elia verbergt zich voor zijn vijanden, in het gebergte, in een grot. En dan staat er geschreven: God toont zich, niet in de storm, niet in het schokken van de aarde, niet in het vuur, maar in ‘het suizen van een zachte bries.’.Laat dit even tot je doordringen. God, de Eeuwige, verschijnt hier als de nabije – als het stil wordt. Dat is geen romantische stilte, maar een diep besef van zijn aanwezigheid als een zachtheid, als  een niet te vatten stilte om je heen, in je eigen hart. Dat is de ervaring van Elia. Maar tegelijk is het een ervaring, die niet blijvend is, maar die voorbijgaat. God kun je niet zien, Elia slaat de profetenmantel voor zijn gezicht – hij luistert naar die stilte. Dan klinkt opnieuw de vraag ‘Elia, wat doe je hier?’. Maar nu is alles anders. Hij weet weer wat hem te doen staat, welke opdracht hij te vervullen heeft. De machten, waarvoor hij op de vlucht slaat, blijven de machten, maar nu is er moed en vertrouwen. De stilte heeft hem toegesproken.
En dan die situatie op het meer, waarin leerlingen zich voorttobben met wind en tegenwind. Jezus verschijnt hen – ze denken een spook te zien, ze schreeuwen het uit, zo staat er, maar hij stelt hen gerust; ‘ik ben het, vrees niet’. Petrus wil daar wel antwoord opgeven, en laten we hem maar als voorbeeld nemen van al onze antwoorden. Maar de afstand tussen hem en Jezus is te groot, hij zakt door de grond. En Jezus reikt hem de hand en vraagt hem; heb je er dan zo weinig vertrouwen in? (Want geloof en vertrouwen, dat is in het Grieks hetzelfde woord).. Jezus reikt hem de hand, en in die ontmoeting keert de rust en de stilte terug.


Tweemaal een Godsontmoeting in een omgeving van vlucht en benardheid, tweemaal een mogelijkheid om ons eigen geloven te spiegelen aan deze verhalen. Het kan zijn, dat we ons meer in Elia herkennen. Dat er momenten in ons leven zijn, die ons herinneren aan het ‘suizen van een zachte bries’. Onverwachte momenten, die ons overkomen als we de stilte zoeken, in een kerk, of in de natuur of in de stad tussen de mensen of in een ontmoeting met een vreemde. Dat zijn de momenten waarop het even stil valt in onszelf. Momenten die ons ineens  bevestigen in ons geloven en influisteren; Heb vertrouwen. Het kan ook zijn, dat we ons herkennen in die arme Petrus, die wel graag wil geloven, maar de grond onder zijn voeten voelt wegzinken – en dan is er die hand (welke hand?), die jou optilt, en jou opnieuw en opnieuw doet weten – Heb vertrouwen.
In de liederen die we vandaag zingen, proberen we die ervaring op te roepen, en misschien even ons eigen te maken. En de muziek van Telemann kan ons daarbij helpen. Want in de beweging van de muziek wordt het allemaal opgeroepen; in stormachtige bewegingen, het snelle en langzame tempi, in vurige noten, en in de stilte. In de muziek kunnen we soms ‘het suizen van een zachte bries’ ervaren. Een wonder, die muzikale taal. Een bijzonderheid van muziek is bovendien, dat je die niet kunt zien. Maar wel kunt horen, en soms doe je je ogen dicht om dat nog intenser te beleven.
En tenslotte: we weten – ook muziek gaat voorbij, en als de musici de laatste noten gespeeld hebben, dan kunnen we ons – dank zij de spelers die ons hierin zijn voorgegaan -  verkwikt en gesterkt voelen en geïnspireerd verder gaan.
‘Elia, wat doe je hier?’.


REN LANTMAN

 


TER OVERWEGING   30 juli 2017    Koningen 3, 5. 7-12    Matteüs 13, 44-46  

 

Als koning Salomo nu geleefd zou hebben, zou hij waarschijnlijk vreselijk jaloers geweest zijn op koningin Elisabeth van Engeland, die oude en wijze dame met haar enorme ervaring van 65 jaar als koningin. Salomo is nog maar een onervaren jongeman als hij de zware last van het koningschap op zijn schouders krijgt. En ook nog moet hij opboksen tegen de roem van zijn vader en voorganger David. Graag zou Salomo van de wijze vorstin wat lessen gehad willen hebben in hoe word ik een goed koning. Maar Salomo staat er helemaal alleen voor, zo lijkt het.


Toch krijgt hij onverwacht hulp, als hij op een dag in de tempel een offer gebracht heeft en God hem in een droom verschijnt. Hij vraagt Salomo wat hij graag zou willen hebben. Deze hoeft niet lang na te denken. Hij vraagt God om een opmerkzame geest om recht te kunnen spreken voor het volk en onderscheid te kunnen maken tussen goed en kwaad. Hij vraagt om een luisterend hart. God is blij met dit antwoord. Hij prijst hem en schenkt hem inderdaad een geest vol wijsheid. Om die wijsheid is Salomo zelfs beroemd geworden.


Met Salomo gaat het goed zolang hij zich laat leiden door de opmerkzame geest die Jahweh hem geschonken heeft. Maar de geschiedenis leert ons dat hij na verloop van tijd toch bezweken is voor de lokroep van de macht. Hij luistert niet meer naar zijn hart, maar naar de stem van de begeerte. De laatste verhalen over hem laten zien hoe hij de voorschriften van Jahweh God aan zijn laars lapt, hoe hij er veel vrouwen op na houdt en een schat aan goud en zilver vergaart. Hij gaat zelfs andere goden dienen, zodat profeten later ook zullen zeggen dat hij veel deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh.


Hoe herkenbaar voor mensen in deze tijd! Velen beginnen een baan of taak met een luisterend hart. De arts luistert met interesse naar zijn patiënt. De voorzitter van de vereniging stelt het belang van de leden voorop. De directeur van de wooncorporatie is gericht op het welzijn van de bewoners. Maar hoe vaak horen we niet hoe het na verloop van tijd mis gaat. Mensen krijgen dollartekens in hun ogen, de publiciteit gaat tellen en de eigen carrière wordt steeds meer gekoesterd. Het luisterend hart wordt ingeruild voor geld, macht en roem.
Maar het is makkelijk om naar anderen te wijzen. Hoe staat het met onze eigen goede voornemens en bedoelingen? Geven wij ruimte aan ons hart, om te luisteren naar wat diep in ons leeft? 


Luisteren naar de stem van het hart is ook een rode draad van Matteüs 13, 44-46. In deze gelijkenissen zijn mensen opzoek naar een schat, naar de allerbelangrijkste schat in hun leven. En volgens Jezus is dat het Rijk der Hemelen of met andere woorden het Rijk van God. De komst van dat Rijk staat centraal in de hele verkondiging van Jezus. Toehoorders en ook de leerlingen van Jezus denken aan een concreet rijk dat een einde zal maken aan de bezetting door de Romeinen en dat het oude rijk van Israël in ere zal herstellen. Maar dat is niet waar Jezus het over heeft. Een discussie met de Farizeeën mag dat verduidelijken: “De komst van het koninkrijk van God laat zich niet aanwijzen en men kan ook niet zeggen: ‘Kijk, hier is het, of daar is het. Maar weet wel: het koninkrijk van God is binnen u (Lucas 17,21).” De mens zelf is de akker waarin de schat verborgen ligt. De mens zelf heeft een kostbare parel in zich. Het is God die in het diepste van de mens aanwezig is. Wie Jezus wil volgen zal naar zijn hart luisteren.

 

Jac Peeters

 


TER OVERWEGING 16e z.d.h.j, 22-23 juli 2017. Boek der Wijsheid 12.13.16-19; Matt. 13, 24-30.36-43

 

Inleiding


Drie weken achter elkaar horen we in het evangelie een aantal parabels uit het evangelie van Mattheus (Hoofdstuk 13). De langste en voornaamste van deze parabels gaan over  lotgevallen in de natuur; het zaad dat gezaaid wordt, waarmee van alles gebeurt. Vorige week hoorden we over de zaaier, die zaait – en wat er van zijn zaad terecht komt. Jezus wil daarmee iets duidelijk maken over het verstaan van zijn boodschap door verschillende soorten toehoorders. Volgende week  horen we het einde van het hoofdstuk en de reactie van de joodse toehoorders daarop.


Vandaag het middenstuk; de parabel van het kruid en het onkruid, waarover Jezus vertelt. Hij legt de bedoeling daarvan ook nu weer aan zijn leerlingen uit. Maar dat maakt onze vragen er iets minder om. “Wat nu, met het onkruid?” zou onze ongeruste vraag kunnen zijn. In de eerste lezing – uit het boek der Wijsheid – wordt gewezen op Gods goedheid, mildheid en geduld. Een vingerwijzing naar de manier, waarop we het evangelie kunnen verstaan. Maar stelt ons dat gerust? Laten we straks eerst de lezingen en de boodschap die ze bevatten op ons inwerken.


OVERWEGING
De overweging van vandaag kan kort zijn. Want Jezus zelf legt op verzoek van zijn leerlingen deze parabel uit, zodat het glashelder is, wat hij bedoeld duidelijk te maken. In een zomers beeld van de natuur, waar je het gewas uit de grond ziet komen en tot rijpheid, maakt Jezus duidelijk hoe het er in de wereld aan toegaat. Hijzelf ziet zich als de zaaier van het goede zaad, maar er is de duivel, die onkruid tussen de tarwe mengt. En van degenen, die het onkruid willen verwijderen, wordt om geduld gevraagd. Jezus wil hen en ons duidelijk maken, dat er pas op het einde van de wereld klaarheid komt, en een duidelijke scheiding tussen het onkruid en degenen, die gezaaid zijn als het goede graan. Of – zoals Jezus zelf uitlegt – een scheiding tussen de kinderen van het kwaad en de kinderen van het Rijk van God.


De leerlingen reageren niet direct op deze uitleg, maar ik heb de neiging wat tegen te sputteren. Moeten wij, die proberen iets van het Rijk van God in ons leven te realiseren, echt in die tussentijd maar wachten en maar niets doen – zo van; stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw? Wat nu met het onkruid? Het lijkt me een heel realistische vraag. Maar ook een lastige – want was is precies in deze wereld het onkruid. Jezus zegt ons: het onkruid is het duivelse, het kwaad. Mag je dat  zomaar zijn gang laten gaan?  Als meelevend burger en als lid van de gelovige Christusgemeenschap word ik er wat opstandig van.


De vraag naar het omgaan van kruid met onkruid (om het zomaar kernachtig samen te vatten) hield me bezig, toen ik eens langs de randen van Sittard door het open veld fietste, waar op sommige plekken het graan opschiet en rijpt. Ik geniet altijd van dat golvende landschap, speciaal als het beschenen wordt door een niet te warm zonnetje. Maar met de parabel in het achterhoofd viel me iets op. Tussen het graan was geen sprietje onkruid te bekennen, alleen aan de randen wat slordig ingroeiend gras en een paar hele mooie klaprozen. Natuurlijk, die gang van zaken is begrijpelijk, kijkend met de ogen van een 21e eeuwse mens; de landbouwer van nu  wil een maximale oogst, en we hebben de technieken om daarvoor te zorgen; geen onkruid tussen de tarwe dus. Maar kijkend met de ogen van de parabel kun je jezelf afvragen; kun je de wereld denken als is zo’n mooi graanveld, is het mogelijk al het kwade in deze wereld in die ‘tussentijd’ waarin we leven,te verdelgen, uit te roeien?


Misschien – zo houd ik mezelf voor – is dat wel onze natuurlijke neiging. We kunnen ons de vraag van de dienaren van de landeigenaar goed voorstellen. Ze willen het onkruid meteen verwijderen, het kwaad uitroeien. En dan maant de parabel ons ongemeen duidelijk tot voorzichtigheid. Het uiteindelijke oordeel over deze wereld is niet aan ons, maar aan God. Zo wil ons voorgehouden worden. Wel is het aan ons de keuze of we zelf het goede graan zijn, daarop zullen we geoordeeld worden, zo maakt de uitleg van Jezus duidelijk.


Maar wat, in de tussentijd? Kunnen we dan helemaal niets doen om het onkruid terug te dringen? De parabel scherpt ons denken door onszelf af te vragen, wat het kwaad is, hoe het zich manifesteert en hoe wij ons er toe verhouden. Want wat is dat kwaad dan precies? In de parabel dat aan het volk wordt verteld, is het een persoon, aangeduid als de vijand. De uitleg van Jezus algemener en duidelijker. Het is de duivel, en die kun je – in de woorden van Jezus – altijd zien als de tegen- strever, de dwars- ligger. Maar merk op, hoezeer wij zelf in de liturgie steeds wisselen tussen de meer persoonlijke benoeming van de kwade (de vijand, de duivel), en het kwaad als een bijna niet te grijpen onpersoonlijk verschijnsel. In het Onze Vader bidden wij ; verlos ons van het kwade; terwijl onze oecumenische broeders en zusters het kwaad aanduiden als ‘de Boze’ (met een hoofdletter).


Hoe komen we er dan achter, hoe wij in de tussentijd het kwade , of de boze minstens kunnen herkennen? In het oordeel op het einde van de tijden, waarin de oogst van de wereld definitief wordt binnengehaald, gaat het heel duidelijk over de specifieke zaken, die met  het onkruid in verband worden gebracht. Het gaat om mensen die schandalen veroorzaken (scandala in het Grieks) en die bewust tegen de wet (bedoeld is: Gods geboden) ingaan. In de nieuwe Bijbelvertaling (NBV) wordt dit laatste zelfs vertaald als: mensen, die de wet hebben verkracht. Wat moet je daarbij denken? Het kwade of de kwade is daar te vinden, zegt Augustinus, waar het goede op een gewelddadige manier geroofd wordt, van zijn goedheid ontdaan. In parabeltermen: waar het opkomende graan, wetens en willens vertrapt en vernietigd wordt. Daar is het kwade, of de kwade, aan het  werk.


Dit is geen gemakkelijke kost, als we zo naar onszelf als minstens goedwillende mensen willen kijken en naar deze wereld, die….vult u maar in. De parabel kan onze aandacht scherpen voor goed en kwaad. Nee, ook niet ‘stil maar wacht maar…..’ Maar misschien kunnen we dan ook iets van de wijsheid en het goddelijk geduld opbrengen – om minstens ons definitieve oordeel over goed en kwaad uit te stellen. Die les uit de parabel kan ons ook helpen om  het goede te helpen uitzaaien, het kwade terug te dringen, en zo iets van het Rijk Gods op deze wereld zichtbaar te maken.
Hierover verder mijmerend viel ik in slaap en droomde dat met Jezus langs de velden van Sittard liep. En hem voorzichtig vroeg: ‘Zou je die parabel van u ook niet een andere wending kunnen geven’. ‘Hoe bedoel je’, vroeg hij nieuwsgierig. ‘Nou, dat graan dat opgroeit, draagt vrucht in mensen, dat hebt u vorige week zondag al gezegd (en is ons door Elly uitgelegd)’. ‘Klopt’, zei hij, ‘en verder…’Nou, dat graan hoeft niet alleen geoogst te worden, maar kan ook opnieuw als zaad gebruikt worden, en zo steeds meer het onkruid terugdringen. Ik bedoel – zei ik onbeholpen – ook het goede kan zich toch uitzaaien?’. ‘Niet slecht voor een beginneling’, zei Jezus vriendelijk tegen me; ‘maar je moet er niet te lang over preken’. Toen werd ik wakker.

 

Ren Lantman



TER OVERWEGING       16 juli 2017  15e d h j  A  Jes 55, 1-9  Matt. 13, 1-9

 

Thema: Een stukje goede grond               

       

Het is zomer... Groeiseizoen... Zon en ook regen op zijn tijd zorgen ervoor dat het gewas op het land groeien kan. En dan komt de tijd van de oogst...
Ook Jezus spreekt vandaag over zaaien en oogsten. Het zaad dat in goede aarde valt heeft de meeste kansen om voorspoedig op te schieten en veel vrucht te dragen.
Jezus was echter geen docent aan een agrarische opleiding...
Zijn woorden gaan over het rijk Gods...


Gods woord wordt in ons gezaaid, in de hoop dat het zal kiemen, opgroeien en vrucht zal dragen. Dat wij in woord en daad naar dat Woord (met een hoofdletter) zullen leven...

Zaaien en oogsten is een populaire zaak. Denk maar aan de moestuintjes actie van de bekende supermarkt. De tijd van zaaien is in het voorjaar begonnen en nu wordt er overal ook een en ander geoogst. En in deze tijd, de zomer, de vakantietijd, als we meer dan anders buiten zijn, is er vanzelf meer oog voor en besef van wat er allemaal groeit. We leven ervan, ons voedsel komt er vandaan... Ook onze eigen groentetuin staat vol kool, courgettes en komkommer. Zaaien en oogsten is iets wat dichtbij de mensen staat. Wat eigenlijk iedereen wel kent of wil kennen. En niks is zo lekker als boontjes uit de eigen tuin...

 

Jezus vertelt in het evangelie daarom de gelijkenis van de zaaier. Hij spreekt over bekende verschijnselen en problemen: zaad dat op rotsen valt, door vogels opgegeten wordt of tussen de distels raakt zal geen vrucht dragen... Daarvoor is goede aarde nodig. Zijn toehoorders weten daar alles van. Een overbodige les, die gelijkenis, zou je dus zeggen. Maar misschien is er iets anders te leren... De lezing van Jesaja helpt ons op weg: die spreekt over Gods woord. Dat, zegt God,  ‘komt voort uit mijn mond; het keert niet vruchteloos naar Mij terug, maar pas wanneer het heeft gedaan wat Mij behaagt, en alles heeft volvoerd, waartoe Ik het heb gezonden. Wat is er nodig om Gods woord te laten groeien?

 

Een stukje goede grond... Dat is waar we naar op zoek zijn. Niet buiten op de velden van Galilea of in de volkstuintjes van Sittard, maar in ons eigen hart. Wat maakt dat Gods woord groeien kan? Ik denk dat je Gods woord niet alleen moet horen met je oren, maar met je hele wezen...

 

Van de week stuitte ik in de krant op een ingezonden stuk van een docent levensbeschouwelijke vorming. Hij schrijft dat hij de laatste jaren steeds meer middelbare scholieren ziet die al tegen een burn-out aanlopen. Die in ons onderwijssysteem van meten en presteren steeds op hun tenen moeten lopen. En hij stelt de vraag: Als presteren, weten en meten allesbepalend is geworden, waar is dan de ruimte voor wie en wat je bent en voor wat je wilt met je leven? Hij geeft aan, dat structureel tijd nemen voor deze trage vragen van zin en betekenis van het leven, zinvol en verrijkend kan werken. Aandacht hebben voor de ziel, dus.

 

In het verlengde hiervan denk ik dat ook Gods woord alleen groeien kan als we het na het zaaien voldoende tijd geven en zo de kans geven om diep genoeg te wortelen. Rust en reflectie zijn als voldoende mest, wat warmte en zachte regen en bevorderen de vruchtbaarheid van de bodem in ons. Zo ontstaat er een stukje goede grond. De zomervakantietijd is niet alleen een uitgesproken groeiseizoen, maar ook een periode waarin veel mensen het minder druk hebben met school, werk of verenigingen. Een tijd waarin rust nemen en nadenken over het eigen leven misschien wat meer mogelijk zijn.

 

Ben ik op de goede weg? Heb ik teveel werk of vrijwilligerstaken? Heb ik aandacht genoeg voor mijn partner of kinderen, voor familie en vrienden? Word ik geleefd en opgejaagd door alles wat er in de agenda staat, door facebook,  computerspelletjes of whatsapp berichtjes? Wat vind ik echt belangrijk in het leven? Gaat het om meer hebben en krijgen, of om welzijn en geluk van mensen om me heen?

 

Wat zouden de vruchten van Gods koninkrijk zijn, in deze tijd...? Wat zou Jezus ons te vertellen hebben, welke gelijkenis zou hij ons voorhouden als hij bekend was met ons leven...? Laten we het Woord van God toelaten in ons eigen leven van alledag. Laten we het als basis voor onze woorden en daden een plek geven, en zaaien op een stukje goede grond in ons zelf....

 

Elly Bus-Linssen

 


TER OVERWEGING weekeinde 8 en 9 juli 2017-07-08  Zacharia 9, 9-10; Matteüs 11, 25-30

 

Wat een ontzettend troostrijk evangelie.

‘Ik loof u, Vader, [..] omdat u deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt gehouden, maar ze aan eenvoudige mensen [in andere vertalingen ‘kinderen’] hebt onthuld.’ En natuurlijk scharen wij ons graag onder de eenvoudigen of kinderen. Maar wat zijn ‘deze dingen’? En wie zijn die ‘wijzen en verstandigen’ dan? Het zal toch niet zo zijn dat Jezus met een al te makkelijk, haast populistisch trucje de wijsheid en redelijkheid aan de kant zet om op een goedkope en onbijbelse manier zijn gelijk te halen? Om zichzelf wijs te maken dat zijn zending toch succes heeft? Wat heeft God tegen wijsheid en verstand?

 

De bijbel kent in het boek Wijsheid zelfs een uitvoerige, indrukwekkende ode aan de wijsheid. Een ode die zo begint:

‘De wijsheid zoekt geen onderkomen in een ziel die sluw is, ze woont niet in een lichaam dat door zonde wordt beheerst. Als Gods heilige geest onderwijst ze mensen. Bedrog ontvlucht ze, onverstandig denken gaat ze uit de weg, waar onrecht opdoemt trekt ze zich terug. De wijsheid is een geest die mensen liefheeft.’

Misschien is het laatste zinnetje wel de sleutelzin om Jezus’ woorden van vandaag te begrijpen. ‘De wijsheid is een geest die mensen liefheeft.’ Wijsheid volgens de Schrift heeft weinig te maken met een geest van zelfgenoegzaamheid, eigenliefde, sluwheid, betweterigheid, eigenwijsheid, achterdocht. Wijsheid heeft weinig te maken met het cynisme van ‘mij maken ze niks wijs’, van ‘ik ben gekke Henkie niet’, van ‘het is niet goed of het deugt niet’. Tegen deze wijsheid van de achterdocht heeft Jezus voortdurend moeten opboksen. Vlak vóór de passage die we vandaag hoorden geeft Jezus daar twee voorbeelden van.

 

Het eerste haakt in op een straattafereel: Twee groepjes kinderen op een plein. Samen spelen lukte niet echt. Ze geven elkaar de schuld. Er wordt naar elkaar geroepen: ‘Eerst spelen we op de fluit en willen jullie niet dansen. Dan doen we maar begrafenisje en blijven jullie lachen.’ Jezus vergelijkt daarmee de reactie van de mensen op eerst Johannes en vervolgens op hem. Johannes was een asceet, die amper at of dronk, en men zei: ‘Die is van Lotje getikt.’ ‘En toen,’ zegt Jezus, ‘kwam ik, en ik eet en drink gewoon; en dan zeggen ze weer: “Wat een veelvraat, wat een dronkaard!”’

 

Het tweede voorbeeld is de afwijzende reactie van steden als Chorazin, Betsaïda en Kafarnaüm, plaatsen waar veel van Jezus wonderen hadden plaatsgevonden – wonderen van lichamelijke en geestelijke heling. ’Zelfs Sodom zou zich bekeerd hebben,’ zegt Jezus. Maar Jezus stuit daar op ongeloof, achterdocht en cynisme. ‘Daar trappen wij niet in. Ons maakt hij niks wijs. Wie denkt hij wel dat hij is.’

 

Dan keert Jezus deze afwijzing door al die waanwijzen en eigenwijzen om in een lofzang op zijn hemelse Vader. Hij dankt hem voor het geloof dat hij heeft gevonden bij degenen die zich wel openstelden voor zijn boodschap van bevrijding en voor de wonderen die daar getuigenis van aflegden. Want ware wijsheid kenmerkt zich door openheid naar het onbekende, de onbekende, de vonk van het goddelijke in elke ontmoeting, de overgave aan het mysterie. Wat had Jezus ook weer gezegd in de Bergrede? ‘Gelukkig wie zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien.’

Jezus prijst God niet om de onnozelen. Hij dankt hem om de mensen met een open geest en een zuiver hart; om degenen die hun ramen en deuren niet hebben dichtgetimmerd met beter weten en eigen gelijk; de kinderen die openstaan voor het wonder. De eenvoudigen met een geest die mensen liefheeft.

 

Wie herkent dit evangelie niet in onze tijd? De afwijzing en ridiculisering van religie en geloof, het christelijk geloof en ieder geloof. De zelfgenoegzame of ook neerbuigend welwillende wijsheid waarmee gelovigen als onwijzen worden weggezet. Het zij zo. Er zijn tijden geweest waarin het omgekeerde de norm was. Het in onbruik, ja in diskrediet  raken van religie en geloof kan frustreren, onzeker maken, moe en moedeloos. Maar dan zijn daar die woorden van Jezus: ‘Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven.’

Het is alsof Jezus over zijn eigen teleurstelling en verwijten heenstapt; zijn blik wendt naar de mensen die wel willen horen, zien en geloven. Naar al degenen die weten dat ze genezing en bekering nodig hebben. Naar de armen en de ongelukkigen die uitzien naar een bevrijder. En zijn hart stroomt vol vreugde en mededogen. En uit zijn mond komen enkele van de meest tedere Jezuswoorden die zijn opgetekend.  

 

Het is alsof Jezus zichzelf dwingt met de ogen van de hoop te kijken. Zo zouden ook wij moeten doen. Dan is er ook voor ons veel meer gedeeld geloof te zien dan met de ogen van frustratie en verongelijktheid. Zoals het geloof dat in de lezingen van vandaag, maar ook in veel woorden van zoveel anders- en niet-gelovigen is uitgedrukt, zoals heel indrukwekkend door Henriëtte Roland Holst:

De zachte krachten zullen zeker winnen
in ’t eind -- dit hoor ik als een innig fluistren
in mij: zoo ’t zweeg zou alle licht verduistren
alle warmte zou verstarren van binnen.

De zachte krachten zullen zeker winnen.

 

Meindert Muller

 


OVERWEGING:    13DE ZOND  A 1/2 juli 2017   2 Koningen  4, 8 – 11 + 14 – 16a   Mattheus   10,37 -42  

 

Het was niet moeilijk om een thema te bedenken voor dit weekeinde.

Het is geworden: Wie goed doet, die goed ontmoet! Zoals u leest.

In de eerste lezing van vandaag horen we hierover een heel mooi verhaal.

Wij moeten openstaan voor de ander, die een beroep doet op ons:

Of dat nu een vreemdeling van welke kleur of afkomst is, maakt niet uit!

 

Maar wat  betekend dit nu in deze tijd.

Wat betekend het voor ons levend in Sittard in de parochie Christus Hemelvaart / Heilige Joseph? 

Geen idee of er inderdaad al een nieuwe regering is,

maar een van de struikelblokken om snel tot een nieuwe regering te komen,

is – als ik het goed begrepen heb – is zojuist geweest.

Vandaar het Thema: Wie goed doet, die goed ontmoet!

Wij kennen het als een oud gezegde, dat eens ooit tot stand moet zijn gekomen, als een goed begrip, omdat mensen er zich goed bij voelden.

Maar een gezegde uitspreken en er naar leven;

zijn twee totaal verschillende begrippen.

En juist dat wordt nog eens moeilijker gemaakt met de gedachten van de evangelie lezing.

Daar hoorden we Jezus tegen ons allemaal zeggen:

Wie u opneemt, neemt Mij op;

en wie Mij opneemt, neemt Hem op die mij gezonden heeft.

En dan maakt Jezus het nog moeilijker, als Hij zegt:

Wie vader of moeder meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig;

Dan even met betrekking tot mijzelf: 

Mijn vader en moeder kende ik; hun liefde ervaarde ik.

Toen ze stierven miste ik hen . . . . .

hoe en waarom moet ik in hemelsnaam blij zijn met iemand

waarin ik maar moet geloven?

Iemand die ik niet lichamelijk heb kunnen voelen zoals

een omhelzing van mijn ouders,

of zoals ik mijn vader en moeder ervaren heb.

Daar weer eens over nadenkend,

moet ik terugdenken aan mijn priesterwijding.

Bij die gelegenheid werd ik gevraagd - meteen om na mijn wijding –

mijn vader en moeder te zegenen,

zoals zij mij zegenden voor ik ging slapen.

Dit terwijl ik tegelijkertijd wist dat ik als missionaris/priester

mijn ouders spoedig vaarwel zou moeten zeggen om er te zijn voor totaal, maar ook totaal verschillende mensen.

Toen hield ik vast aan Jezus woorden, die we zojuist ook hoorden:

Wie u opneemt, neemt Mij op; die mij gezonden heeft.

Die mensen daar in Kenia, Tanzania of Zuid Sudan waar

ik ook was namen mij op.

Die mensen daar, die deelden met mij van wat ze eigenlijk NIET hadden.

Ik werd aan alle kanten in de watten gelegd,

zo dat bij mij vaak de vraag op kwam:

Waar heb ik dit aan te danken?

Waarom doen ze dit voor mij?

Die mensen daar hadden die laatste woorden van

het evangelie van vandaag nog nooit gehoord,

maar leefden er wel naar.

We lazen . . .  dat Jezus zei:

Zijn loon zal hem zeker niet ontgaan.”

 

Piet Verhagen

 


TER OVERWEGING   25 juni 2017    Jeremia 20, 10-13    Matteüs 10, 26-33  

 

Een van de leuke dingen van internet is dat je er zowat alles kunt vinden. Gericht kun je naar dingen gaan zoeken, maar je kunt ook bijna gedachteloos van het een naar het ander klikken. En soms kom je dan verrassende dingen tegen. Zo kwam ik onlangs op een site over de kosmos terecht: prachtige plaatjes over het heelal, over nevels, sterren, zonnen en planeten en nog veel meer. Natuurlijk weet je dat dat allemaal bestaat, maar zo afgebeeld in schitterende foto’s besef je weer hoe prachtig de schepping is. Het is zo ongeveer als wanneer je op een mooie zomeravond nog laat buiten zit op een plek waar het donker is. Je kijkt omhoog en dan zie je allemaal die lichtjes. Gewoonlijk neem je enkel de meest heldere sterren waar, maar dan zie je hoe het wemelt van de lichtjes, helder, vaag of twinkelend. Je ziet er steeds meer tot het je begint te duizelen. Dan voel je iets van de grootsheid van de schepping. En daar ergens in die enorme ruimte, op een klein onzichtbaar bolletje zit een mensje naar die hemel te turen. Je voelt je klein, heel klein. Ja, in dat grote heelal stel je niets voor.

 

En toch zegt Jezus tegen al die kleinen wezentjes: ‘wees niet bang, mijn Vader kent je. Hij zal niet één mus op de grond laten vallen. Hij kent zelfs ieder haar op je hoofd’. De boodschap is duidelijk. Ieder mens is door God gekend, staat geschreven in de palm van zijn hand, is kind van God. Binnen de immense schepping kan de mens zich klein voelen, bij God is niemand te klein.

‘Wees niet bang’. Tot drie maal toe drukt Jezus dat zijn leerlingen op het hart als hij hen de wereld in stuurt om zijn werk voort te zetten. Zij weten dat het geen gemakkelijk opdracht is. Zij zien hoe er verzet groeit tegen Jezus. Ze zien dat het niet zonder risico is wat hij doet, dat het levensbedreigend kan zijn. Er is heel wat moed voor nodig om Jezus op zijn weg te volgen. Daarom spreekt hij hen moed in.

 

Over de leerlingen heen zegt Jezus dat ook tegen allen, die hem proberen te volgen: ‘wees niet bang’. Dat is gauw gezegd, als je beseft dat je van alles kan overkomen: een ongeluk, het verlies van je baan, kanker krijgen, iemand verliezen die je dierbaar is. Dat maakt onzeker en bang. Om nog maar te zwijgen van een wereld vol dreiging en bedreiging: vervuiling en uitputting van de aarde, natuurrampen, onverdraagzaamheid tussen volkeren, verontrustende politieke en religieuze stromingen, terrorisme.

 

‘Wees niet bang’, zegt Jezus. Je bent door God gekend. Daar moeten we op vertrouwen. Garanties kan hij niet geven. En wij willen zo graag garanties en zekerheden. Jezus vraagt enkel om vertrouwen en geloof. En daar zijn wij moderne mensen niet sterk in. Misschien kan de profeet Jeremia ons een handje helpen. Zijn leven lang probeert hij de wil van God te doen en roept hij ook de mensen daartoe op. Maar dat wordt hem niet in dank afgenomen. Zelfs zijn vrienden keren zich tegen hem: “Al mijn vrienden willen niets liever dan mij ten val brengen”. Jeremia wordt boos en hij bidt God dat Hij hen vernietigt: “Heer der hemelse machten, laat mij zien hoe Gij U op hen wreekt”. In die wraak-gevoelens van Jeremia kunnen we ons wel herkennen. Maar Jeremia blijft er niet in steken, hij bedenkt zich. Hij weet dat het goed zal komen: “Ik heb immers mijn zaak in Uw handen gelegd”. En dan prijst hij de Heer, want hij weet hoe Hij is. Hij vertrouwt op de Heer, hij gelooft in Hem. “Zingt een lied, een loflied voor de Heer, want Hij heeft het leven van de arme uit de macht van de boosdoeners gered”. Misschien kunnen we aan Jeremia een voorbeeld nemen, een voorbeeld in vertrouwen en geloof.

 

Jac Peeters

 


naar de vorige pagina ...