Ter overweging              


‘De preek komt naar u toe’ (13)

TER OVERWEGING 23 en 24 mei 2020            Hnd. 1, 12-14   Ps 27   Joh. 17, 1-11a

‘Hou vol’

De leerlingen zijn na de Hemelvaart van Jezus in de bovenzaal samengekomen. Ze zijn beland in een soort tussentijd… tot Pinksteren… Een tijd van wachten, geduld hebben, eensgezind blijven bidden, volhouden. Er is iets beloofd. Kracht… De Heilige Geest zal over hen komen. Maar nu nog niet…

Ook wij zijn in zo’n tijd terechtgekomen. De eerste schrik voor het virus en alles wat dat met zich meebrengt heeft bij velen inmiddels plaatsgemaakt voor ‘hoe lang nog’? We zien heel erg uit naar de beloofde versoepeling van de maatregelen per 1 juni maar zijn tegelijk bang voor de risico’s die dat oplevert. Wat is het perspectief? Hoe kunnen we, hoe willen we, daarmee omgaan? De regering roept ‘hou vol’. Maar dat valt niet mee. Ontmoeting en aanraking worden erg gemist. Zeker als het Moederdag is, of bij verjaardagen. Of als de kalender (het is wel doorgestreept) aangeeft dat er dit weekend een communiefeest gevierd zou worden. Alternatieven zijn surrogaat. Je bent via de computer, iPad of de televisie wel in zekere zin met elkaar verbonden, maar eigenlijk ben je alleen en voel je je ook zo. Bovendien is er onzekerheid. Een volle agenda geeft structuur, al is te vol ook te veel. Een lege agenda brengt de vrije tijd terug, maar het verschil is wel erg groot. Gelukkig kunnen allerlei maatregelen geleidelijk iets versoepeld gaan worden.

Wat kun je doen in de tussentijd? Over de leerlingen van Jezus wordt in het boek Handelingen gezegd dat ze eensgezind blijven bidden, samen met de vrouwen, Maria en andere familie van Jezus. Wat zegt dat ons? Kunnen we daar iets mee? Blijven bidden kan tegelijk actie èn overgave zijn. Bidden is denken, voelen, uitspreken dat je met God en elkaar verbonden bent, al is het op afstand. Is danken, vragen en klagen. Is delen van alles wat je bezig houdt in aanwezigheid van God. In stilte of met woorden, op welke manier dan ook.

Ook Jezus zelf bidt. Hij laat ons biddend zijn testament achter in hoofdstuk 17 volgens Johannes. En wij?

Als we samen zouden komen in onze kerk, dan zouden we ons gezamenlijk kunnen aansluiten bij de voorbede. Ik denk dat het mooi is juist in dit weekend ook een voorbede in deze tekst op te nemen. Ieder thuis kan het natuurlijk aanvullen…

God, wij bidden U:

-voor alle mensen in de wereld, zeker ook de machthebbers en politici, om eenheid en samenwerking in het omgaan met de huidige crisis,

-voor de mensen die ziek zijn, die bang zijn om ziek te worden of die - mede door de maatregelen - alleen zijn of door armoede worden getroffen,

-voor onze geloofsgemeenschap die nu op afstand zo moeilijk een werkelijke gemeenschap kan zijn,

-voor ieder van ons, om geduld en volharding en om wijsheid om goede beslissingen te nemen,

-voor onze eigen intenties…

Ben je door te bidden veilig onder Gods bescherming? Het ligt er maar aan wat je daaronder verstaat… Tegenslag wordt er niet door voorkomen, wel kunnen we er misschien beter mee leven. Daarom, ‘hou vol’ ook met bidden…

Tot slot nog dit: Psalmen zijn tegelijkertijd gebeden en liederen. Psalm 27 is opgenomen in het leesrooster van deze zondag. Bij het begin van dit kerkelijk jaar is deze psalm in de versie van Iona ons ‘jaarthemalied’ geworden bij het jaarthema ‘Durf te vertrouwen’. Hieronder het refrein van onze, iets aangepaste, versie van dit lied. En de originele coupletten. Overal waar kwade machten of een vijandig leger genoemd worden zou je in onze dagen ook het Coronavirus kunnen denken. En dan komt het er op aan… wat betekent dan: ‘Durf te vertrouwen’. Waarop vertrouwen? Dat je het virus niet krijgt? Dat het virus of de gevolgen van alle maatregelen in onze maatschappij je niet eronder krijgen? Of dat je ondanks wat er kan gebeuren of al gebeurt, in alle omstandigheden, toch op God kunt vertrouwen? Wat betekent ‘Durf te vertrouwen’ voor u, voor jou?

Elly Bus-Linssen

1

Als de kwade machten mij besluipen, als mijn lijf en leden zijn bedreigd,

vijanden staan klaar om te overwinnen. Kijk ze vallen, languit! Refrein

2

Trok een leger tegen mij ten strijde, dan nog zou ik leven zonder vrees.

Oorlog tegen mij? In de razernij zal ik bij hem veilig zijn!   Refrein

3

Eén ding zal mijn ziel het meest verlangen: altijd mogen wonen in Gods huis;

elke dag opnieuw open voor Zijn schoonheid, als ik Hem daar ontmoet.   Refrein

4

Komt het kwaad, dan zal hij mij beschermen, overdekt mij, zet mij op een rots.

Ik sta in mijn kracht, boven alle dreiging en ik juich en ik zing:   Refrein


De preek komt naar u toe (12)

OVERWEGING HEMELVAARTSDAG. Lezingen. Handelingen, 1-11; Math. 28, 16-20

Een getuigenis op Hemelvaartsdag? Mijn hemel! En dan is het ook nog eens de naamdag van onze samengestelde parochie!  De naam ‘Christus’ Hemelvaart past in het rijtje van andere namen, die sinds de jaren zestig vaak aan parochies werden gegeven; de Wijnrank, Emmaüs en andere namen, die terugverwijzen naar het evangelie. Hemelvaartdag,  het blijft een wat ongrijpbaar feest, al is het de afsluiting, de veertigste dag (= quarantaine = veertig!) na Pasen.

Toch is ‘hemel’ een dierbaar begrip, dat we in de geloofsgeschiedenis met ons meedragen, en dat allerlei invullingen, associaties en emoties met zich meebrengt. Het meest duidelijk, als we geconfronteerd worden met onze eigen eindigheid. Of als wij woorden ten afscheid van een dierbare moeten zoeken. Wat zouden we graag een brug slaan en laten voelen wat onze bestemming is!

Laatst kwam ik een welkomstgroet van een uitvaartviering tegen, die dit probeerde te verwoorden. Het luidde;  “Wij samen zijn Gods handen die op het einde Zijn hemelpoort lief voor elkaar mogen openhouden”. Een groet, die je tot je door moet laten dringen – een boog die hier gespannen wordt tussen ons menselijk handelen en Zijn wonderlijke toekomst met ons. Ons verlangen naar vervulling, einddoel, geborgen zijn in God. Of – zoals een gelovige uit ons midden het wat eenvoudiger verwoordde: ‘Ik geloof niet, dat met mijn dood alles klaar is”. Rotsvast geloven in de hemel. Dat er een poort is (later, hier en nu), die wij liefdevol voor elkaar kunnen openhouden.

Maar laten we teruggaan naar de Bijbeltekst van het begin van de Handelingen van de Apostelen, waar de Hemelvaart van Christus beschreven wordt. Meestal wordt in de verkondiging het accent gelegd op de laatste zinnen. De apostelen, die Jezus uit hun midden hebben zien verdwijnen, wordt gemaand niet naar de hemel (het uitspansel) te staren, maar worden getroost met Zijn wederkomst, een verwijzing naar de Geest van Pinksteren (pentekoste= vijftig!) en alles wat daarop gevolgd is.

Jezus heeft – zo staat in het begin te lezen – met zijn apostelen gesproken, met hen het brood gebroken en hen de belofte gedaan van de Geest. En  dan vragen zij hem of Hij nu niet het koninkrijk van Israel zal herstellen. Ineens lees je het menselijk verlangen naar ‘herstel’, naar de vertrouwde harmonie, waarvan het aardse koninkrijk toen de verbeelding was. (Iets ‘actuelers’ kun je op het moment dat ik dit schrijf, het verlangen naar het einde van corona, bijna niet verzinnen). Nee, zegt Jezus, dat blijft voor jullie verborgen, maar wees getuigen van de boodschap van het Rijk Gods. (een voorbode van een nieuwe wereld, die haar inspiratie vindt en gedreven wordt door de Geest).

Dat zijn de laatste woorden van Jezus, in de Handelingen opgetekend. Hij verdwijnt uit het zicht: een ‘een wolk onttrok Hem aan hun ogen”. Een wolk, die je je niet moet voorstellen als een naderende regenbui, maar als de sluier die over de aarde valt. De hemel is onbereikbaar, voor onze ogen een oord van verlangen geworden. En, inderdaad, voortaan zullen we het op aarde – in kracht van de Geest – zelf moeten doen. Steeds in de spanning tussen hemel en aarde, en alles wat daarop leeft.

Maar zonder beelden gaat het niet. Die spanning tussen hemel en aarde heeft altijd de verbeelding gevoed. Wanneer we dicht bij het Bijbelverhaal (uit Handelingen) blijven, dan roept dat de spanning tussen de ‘verheven’ Christus en zijn leerlingen op (zie afbeelding).

En de verbeelding van de wolk, die scheidslijn tussen hemel en aarde zie ik ook terug in de uitvergrote engelfiguur, die boven de hoofdingang van onze kerk zweeft; de engel, die zowel naar boven als naar beneden wijst –naar  ons verlangen  naar ‘boven’ én naar onze plaats ‘beneden’;  als een glimlachende verwijzing naar wie we zijn, als we door deze poort binnengaan, “om recht voor God te staan”, zoals het lied zingt. 

(toegift: een paar weken geleden was bij de preek een afbeelding van de Paaskaars gevoegd, waarbij  de ‘hand van boven’  en de ‘ hand van beneden’ naar elkaar reikten;  voor mij opnieuw een verbeelding van onze aardse situatie, en de spanning tussen hemel en aarde. In de oude liturgie werd de Paaskaars na lezing van het evangelie van Hemelvaart gedoofd – Christus is niet meer op deze aarde. Nu mag deze kaars ons het hele jaar brandend vergezellen op feestdagen en bij en uitvaartliturgie  – Christus als de lichtende vlam, die onze verbondenheid tussen hemel en aarde vasthoudt in Zijn boodschap, Zijn inspiratie, Onze handen).

Ren Lantman

Als felicitatie bij het naamfeest van de parochie!

 


De preek komt naar u toe (11)

Corona-preek 16/17 mei 2020

Voor mensen die naamloos, kwetsbaar en weerloos………………………….

Uit het  Evangelie volgens Johannes 14,15-21

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: 'Als gij mij liefhebt, zult ge mijn geboden onderhouden. Dan zal de Vader op mijn gebed u een andere helper geven om voor altijd bij u te blijven: de Geest van de waarheid voor wie de wereld niet ontvankelijk is omdat zij hem niet ziet en niet kent. Gij kent hem, want hij blijft bij u en zal in u zijn.' Ik zal u niet verweesd achterlaten: Ik keer tot u terug. Nog een korte tijd en de wereld ziet mij niet meer; gij echter zult mij zien, want ik leef en ook gij zult leven. Op die dag zult gij weten, dat ik in mijn Vader ben en gij in mij en ik in u. Wie mijn geboden onderhoudt, die hij heeft ontvangen, hij is het die mij liefheeft. En wie mij liefheeft, zal door mijn Vader bemind worden; ook ik zal hem beminnen en ik zal mij aan hem openbaren.'

Overweging:

Jezus sprak deze woorden tot zijn leerlingen in de tijd tussen Pasen en Pinksteren.

Tussen verrijzenis en afwezigheid, tussen hoop en totale ontreddering, tussen diepe bedroefdheid en de hoop op nieuw leven, tussen de afwezigheid van de Heer maar ook Zijn  verschijningen. Kortom  tussen hoop en vrees.

En de leerlingen: zij waren bang, zij isoleerden zich van de rest van de gemeenschap.

Zij hielden zich ‘gedeisd’.

En toen deed Jezus die bange mensen een belofte: ‘Mijn Vader zal u een andere helper geven’. Als je God liefhebt  (bemint uw naaste als uzelf) dan ben je als mens niet alleen.

Gods liefde reikt immers verder dan de horizon. God schenkt ons Zijn Geest.

Zoals de leerlingen destijds, leven ook wij nu in quarantaine en in sociale isolatie.

Vanmorgen  (8 mei) deed ik boodschappen in de plaatselijke Lidl.

De handvatten van de winkelwagentjes werden gedesinfecteerd na iedere klant. (dit betekent dat je bang moet zijn  dat je door de voorgaande klant wordt besmet) In de winkel natuurlijk iedereen keurig op afstand van elkaar. Maar niet in de gangpaden.

Daar liepen de mensen kris-kras door elkaar heen.

Er waren natuurlijk ook mensen met mondkapjes op. Ik schat zo ongeveer 10%.

Voor mij liep een mevrouw die zich zorgvuldig had voorbereid op het bezoek aan de super.

Zij droeg een mondkapje. En daar bovenop droeg zij een soort motorhelm, zonder achterzijde weliswaar, met een grote glazen gezichts-bedekkende pui aan de voorzijde van haar gelaat. Compleet beschermd tegen boze invloeden van buitenaf.  Goed verstopt voor de buitenwacht. Naamloos, kwetsbaar en weerloos!

Wij zijn bang. Wij zijn wereldwijd de ‘control’ kwijt. Dat hadden wij niet gedacht in een tijd dat het leven zo maakbaar leek. In een tijd dat ieder risico wordt uitgebannen. En opeens blijkt dat wij als mensen weer kwetsbaar zijn en weerloos. Zijn risico’s niet impliciet aan het leven? Ik denk het wel. Kunnen zij worden uitgebannen? Nee dus. Opeens blijkt weer dat wij sterfelijk zijn, dat wij zomaar ziek kunnen worden. Onbeheersbaar. Dat onze angst, diep weggestopt, opeens sterk aanwezig blijkt. Terwijl wij een perspectief zo hard nodig hebben.

Een ‘exit’-strategie, dat is het waarnaar wij verlangen!

Het is zo belangrijk om met enige hoop vooruit te kunnen zien.

Mensen worden dan weer ‘geest’-driftig!

https://3.bp.blogspot.com/-cFZdOwCLwZA/VNmuVc6YfBI/AAAAAAAABpo/D_9Om3vRJEA/s1600/geestdrift.jpg

Ik moest toen ik die mevrouw in de supermarkt zag, denken aan dat mooie liturgische lied van Henk Jongerius:

‘Voor mensen die naamloos, kwetsbaar en weerloos, door het leven gaan.’

Zo heb ik mijn bezoekje aan de Lidl van deze ochtend ervaren

Maar het lied gaat, gelukkig maar, verder, het blijft niet steken in naamloosheid en kwetsbaarheid:

‘Ontwaakt hier nieuw leven, wordt kracht gegeven, wij krijgen een naam!

Wij leven in de tijd tussen Pasen en Pinksteren.

De periode van hoop en vrees. Of liever andersom,

Van vrees en hoop. Het perspectief verdwenen, maar toch er kwam iets voor in de plaats.

Jezus die enkele keren aan zijn leerlingen verscheen.

Gods teken dat er toekomst was. God geeft mensen altijd toekomst.

God schenkt ons Zijn Geest. Gods liefde reikt verder dan onze horizon.

Achter datgene wat wij niet kunnen waarnemen is er een toekomst.

Altijd weer komt er een moment dat de luiken open kunnen.

En dat wij kunnen adem halen in vrijheid. Soms moeten wij daar lang op wachten.

Maar de woorden van Jezus van Nazareth mogen ons troost bieden in deze tijden.

De ‘exit’- strategie van Jezus is van Goddelijke aard en is voor ieder mens bedoeld

en misschien wel juist voor die ‘goed beschermde mevrouw’ uit de super.

‘Ik zal u niet verweesd achterlaten, ik keer tot u terug’.

Ik wens u goede en gezonde weken met  Pinksteren in het vooruitzicht.

 

Hans van Druten

 


‘De preek komt naar u toe’ (10)

Getuigenis 9/10 mei 2020.

Teksten: Handelingen 6, 1-7 ; 1 Petrus 2, 4-9 ; Johannes 14, 1-12

Op en neer, heen en weer…

Mooie teksten vandaag, maar niet alleen maar makkelijk! Lees ze maar eens na, in je bijbel, of via internet zijn ze snel te vinden…

In de eerste lezing komen we in de piepjonge Christengemeente al het eerste gemor en afzetten tegen elkaar tegen, want tja, mensen blijven mensen. De Christenen uit het Grieksprekende diasporajodendom worden (of voelen zich) achtergesteld bij de Hebreeën, de Christenen uit het Palestijnse jodendom. In de Tweede lezing is Jezus, hoeksteen, steen des aanstoots én levende steen. In de Evangelielezing is Jezus de weg ten leven, de weg naar de Vader.

En toch, ze passen naadloos bij elkaar! Want waarom voelden de Hellenisten zich achtergesteld? Omdat hun weduwen minder kregen dan de anderen. Het geschil ging over de zorg voor armen, minderbedeelden, kwetsbaren. niet over loonsverhoging of iets dergelijks. Zorg voor armen, zieken, kwetsbaren is een centraal gegeven in iedere tijd.

Op dit moment kunnen we daarbij vaak iets meer voorstellen dan een paar maanden geleden, nu we weten dat dit nu onder andere slaat op eenzame ouderen waar geen mensen meer op bezoek komen, op gehandicapten die niet weten waarom ze niet geknuffeld worden, op gevangenen die nóg meer als uitschot worden gezien, kleinkinderen die je op afstand moet houden.

De apostelen lossen het prima op. Geen commissie van onderzoek, maar daadkracht. Daadkracht in de lijn van Jezus, want diaconie, de zorg voor armen en zieken en tafeldienst aan God is beiden even belangrijk, het is allebei dienst aan God. Ja, we komen hier inderdaad de kiem van de hiërarchie in de kerk tegen, dat klopt. Maar dienst aan medemens en dienst aan de tafel zijn onafscheidelijk (het is ook mede daarom doodzonde dat het bisdom een heel verkeerd signaal afgaf door de diocesane pastorale dienst op te heffen) en er is ook feitelijk nog geen hiërarchie in bij het jonge Christendom, waar ook vrouwen serieuzer worden genomen dan in de 2000 jaar erna. Er waren immers onomstotelijk vrouwelijke diakenen in de beginfase van de kerk. De echte hiërarchie komt pas later…

Jezus is steen des aanstoots voor veel mensen, nu en doorheen de laatste 2000 jaar. Waarom? Hij doet toch alleen het goede? Hij leeft het kwetsbare, zachtaardige voorbeeld en offert zich zelfs op voor de mensheid. Als hoeksteen, de basis van het Christelijk geloof is hij nooit de misbruiker, hij wórdt misbruikt, in oorlog of seksueel geweld bijvoorbeeld.

De evangelist Johannes is vaak lastig, maar hier is hij eigenlijk heel duidelijk: er is een beweging van boven naar beneden én van beneden naar boven. Jezus komt van God, en Jezus keert terug naar God. Híj is onze weg. En hoe gaan we die weg? Door een verticale beweging, want we bidden tot Jezus en God, maar ook door een horizontale beweging, namelijk door het goede te doen in deze wereld, naar zijn voorbeeld. Verticaal en horizontaal, een kruis dus. In dit kruispunt kunnen we daadwerkelijk ons heil zoeken. Een Christen mag dan ook gerust bij zijn of haar handelen dan ook dit kruis voor ogen houden.

De Coronapandemie heeft wat dat betreft een kwalijk bijverschijnsel, want de verticale beweging lijkt soms alleen te worden teruggebracht tot alléén eucharistie, vaak zelfs met alléén de priester, terwijl eucharistie, dienst van de tafelgemeenschap, toch ook echt gemeenschap veronderstelt. Anders is het een loos gebaar, zelfs een schoffering van het algemeen priesterschap, waar iedere gelovige deel aan heeft. Waarom niet zo nu en dan, of zelfs regelmatig andersoortige vieringen aangeboden, gebedsdiensten, taizévieringen en dergelijke? Bijna iedere parochie kan tegenwoordig wel íets met media, dit overigens nog los van dat de kerkverlatingen één voordeel hebben: in de meeste kerken (en zéker de onze), kunnen vieringen in de 1,5 meter-maatschappij prima plaatsvinden, de kerk is immers groot genoeg voor het geringere aantal mensen, zowel voor tafeldienst als waar mogelijk en nodig voor dienst aan elkaar..

En die hiërarchie? Is die fout? In de praktijk te vaak helaas wel, hiërarchie leidt tot macht en macht leidt vaak tot machtsmisbruik. Maar hiërarchie op zich hoeft niet fout te zijn, als we de lijn volgen die Jezus heeft uitgezet en die bijvoorbeeld paus Franciscus goed lijkt te volgen. Als dienaar der dienaren is hij misschien niet foutloos, maar geeft het goede voorbeeld en doet wat mogelijk is in zijn functie. Als wij als Christenen dat altijd zouden doen, ieder op onze eigen plek, vanuit Jezus’ voorbeeld levend en werkend, zag de wereld er al een stuk beter uit!

Peer Boselie

 


DE PREEK KOMT NAAR U TOE (9), weekend 2 en 3 mei 2020

VRAGEN BIJ EEN GESLOTEN KERK

Handelingen 2, 14a.36-41; Johannes 10, 1-10

De kerk is dicht. En gaat voorlopig niet open. En wat doen wij? Wachten tot hij weer open gaat en wij de ruimte weer kunnen betreden om er te doen wat we gewoon zijn er te doen? Die ruimte zal nog groter en leger ogen dan eerst. Wij zullen er bijzonder gemakkelijk anderhalve meter en meer afstand  tussen elkaar in acht kunnen nemen. Eenlingen in plaats van gemeenschap?

Of laten we de kerk dicht? Leert deze coronacrisis ons als gelovigen de gebouwencrisis te zien? De gijzeling door stenen? Maar ook de kans om ons van ballast te ontdoen? Gebruiken we deze kans om met Petrus en de elf het schuilen In de Zaal van het Laatste Avondmaal en het wachten op wat komen zal achter ons te laten, en te gaan waar de Geest ons wacht: in de wijk, in de stad; meer bij en tussen de mensen? Getuigenis afleggend in woord en daad? Het was Pinksteren toen, ja. Of ís het Pinksteren?

Een nieuwe morgen? De schapen heffen hun kop bij het eerste horen van voetstap en stem van de herder. Ze dringen samen bij de deur. ‘Hij roept zijn schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten.’

Is onze kerk niet te groot en te mooi en te duur? Hoeveel energie, tijd en geld gaan er zitten in be- en onderhoud? Terwijl we toch zeggen: ‘Om mensen gaat het!’ Die moeten tot hun recht komen. Moeten we ons daar niet vrij voor maken? Vrij van bezit dat ons vele maten te groot aan het worden is.

Maar is er dan geen ruimte nodig om samen te komen? Om te vieren, te bidden, elkaar moed te vragen en te geven en ja, om te schuilen, soms? Jawel. Maar hebben we die ruimte niet? Onze huizen? Ons parochiehuis, ‘zomaar een dak boven wat hoofden’? Én de Oase: is dat niet een “gemeenschapshuis”, en kan dat ook niet op gezette tijden ons geloofsgemeenschapshuis worden? ‘Waar twee of drie in Mijn naam bijeen zijn..’

De kerken zijn zo angstig stil. Ze sluiten braaf hun deuren als regering en RIVM er om vragen. En verder hoor je ze niet. Alsof we niet in een tijd leven waarin van alles op z’n kop gezet wordt en veel op het spel staat dat onze gezamenlijke toekomst betreft. Juist nu zou je leiding en inspiratie verwachten. Het lijkt of de wetenschap met zijn data, grafieken en algoritmen bepaalt wat goed en kwaad is. Hoe mensen tot hun recht komen. Jaap van Dissel naast Mark Rutte. Ik bewonder ze. Maar is dat het enig perspectief? Is vanuit het evangelie niks te zeggen over het “nieuwe normaal” van ons bestaan?

‘Ik ben de deur. Als iemand door Mij binnengaat, zal hij worden gered; hij zal in- en uitgaan en weide vinden.’

‘Durf te vertrouwen’ luidt ons jaarmotto. Óns motto.

Meindert Muller

 


‘De preek komt naar u toe’ (8)

TER OVERWEGING 25 en 26 april 2020                    3e zondag van Pasen bij Lucas 24, 13 – 35

 

‘Op weg naar Emmaüs in tijden van Corona’

Het is een van de mooiste verhalen uit het evangelie, herkenbaar en hartverwarmend tegelijk. Je ziet die twee mannen voor je, die uit Jerusalem komen gewandeld na de gebeurtenissen op deze Pasen. Ze bespreken wat gebeurd is met Jezus van Nazareth en zijn teleurgesteld over de afloop. Hun hoop is  de grond in geboord, de wereld draait door als tevoren, ze kunnen niet anders dan terugreizen naar hun woonplaats, terugkruipen in hun eigen veilige woning.

Gaan op de weg, dat is en blijft een belangrijk menselijk gegeven. We kennen allemaal onze weggetjes, die ons dierbaar zijn. Misschien nog dierbaarder omdat we ze in deze tijd dicht bij huis moeten zoeken. Vlak bij waar ik woon is een bepaalde weg mij dierbaar. Dan zie ik, lopend of fietsend mensen op de weg – alleen, met elkaar, met honden, joggend. En voor mij mengt zich die weg met dat verhaal van Emmaus, het heden en het verleden, met mensen die op een of andere manier op weg zijn naar hun eigen bestemming, ze komen en verdwijnen, God weet  waarheen.

Die twee mannen op weg – eentje bij naam genoemd, en een onbekende (dat zouden wij zelf kunnen zijn) -  doen ontdekkingen, zij horen en zien opnieuw, met nieuwe ogen. Want dit is een verhaal van horen en zien.  Hele elementaire zaken, die we in onze maatschappij, zo gericht op voorthollende functionering van alles, zijn kwijtgeraakt. Zoals joggen op de weg past in een overvol programma!

Op de weg naar Emmaus breekt de vreemdeling, de onverwachte derde in het gesprek, de sluier om het stille verdriet weg. Hij biedt een ander perspectief. Waar zij zelf de dood van Jezus als het finale einde van hun toekomstdromen zien, laat de vreemdeling de onvermijdelijkheid van het gebeuren ervaren. En daarmee toekomst juist openend. En wat belangrijk is; hij overdondert hen niet met zo’n inzicht, maar luistert eerst naar hun verhaal, waarin feiten en verwachtingen een grote rol spelen. Natuurlijk moeten we voorzichtig zijn met allerlei vergelijkingen met de situatie nu, maar het verhaal bevat de intuïtie, dat je eerst moet luisteren naar wat aan de hand is - en er zijn overdonderend veel verhalen over wat mensen meemaken, de (dood)zieken en gezonden -  alvorens daar een lijn in te willen trekken, of zelfs maar een verklaring te willen geven. Luisteren en meelopen, dat is het eerste.

De oren van deze twee gaan open, en het gesprek groeit uit tot een ontmoeting. Aangekomen in hun woonplaats doen de twee iets beslissends, hun openheid voor wat zij horen en zich te binnen brengen leidt tot gastvrijheid. Er is iets nieuws ontstaan, dat vraagt om bevestiging (‘Blijf bij ons Heer’) En in het breken en delen van het brood wordt de ontmoeting bezegeld en hun verwachting wordt tot hoop – een toekomst met de Heer in hun midden - die ze niet voor zich kunnen houden, die moet gedeeld worden met anderen. En er staat nergens dat ze moe van het (terug)lopen waren.

Terugkijkend in de spiegel van de geschiedenis wordt dit verhaal als voorbeeld gezien van wat in onze kerkelijke vieringen centraal staat: het openen van de schriften, het breken en delen van het brood. Dit verhaal wil ons weer weghalen uit het vanzelfsprekende hiervan, en door de schok van de gedwongen maatschappelijke onderbreking van onze kerkelijke samenkomsten beseffen we dat weer. Het verhaal laat ons proeven, dat luisteren vooraf gaat aan verklaren of uitleggen; en dat gastvrijheid naar elkaar de sleutel is tot dat breken en delen van wat wij hebben. In de kerk, de voedselbank, bie Zefke (waar mensen letterlijk aan de kant van de weg zitten), of waar dan ook.

En er is nog iets. Bijbelvorsers hebben geprobeerd om aan de hand van beschikbare gegevens te traceren waar het dorp Emmaus ligt. Dat is nog nooit echt gelukt. Emmaus als specifieke plek bestaat niet. Of  het is overal, waar mensen met elkaar ‘op de weg’ gaan.  Het is niet anders: Emmaus ligt om de hoek. Daar begint het luisteren, daar opent zich onze gastvrijheid. Als wij willen horen en zien.

Het – toevallig gevonden – gedicht van Ellen Warmond (1961) sluit goed aan bij dit horen en  zien. Opbeurend als wij het lezen vanuit de ‘gerede hoop’ die het Paasgebeuren ons biedt.

Kleine Antropologie

De mens – bedroefde blinde

Die soms plotseling zien kan maar niet

Weet of dat wat hij ziet

Bestaat en tastbaar is te vinden –

 

De mens – wantrouwige dove

Die plotseling horen kan

Maar die niet weet of hij dan

Dat wat hij hoort moet geloven –

 

Probeert te leven

Betwijfelt iets

Maar beseft niet wat –

 

Is ongelukkig maar soms

-          even –

vergeet hij dat.

 

 Ren Lantman

 


‘De preek komt naar u toe’ (7)

TER OVERWEGING 18 en 19 april 2020           Hnd. 2, 42-47    Joh. 20, 19-31

 “Zien – Geloven – Getuigen”

 

 

Het verhaal gaat verder… Van Pasen zijn we op weg gegaan naar Pinksteren. Vorige week lazen we dat de leerlingen ontdekken dat het graf leeg is, en dat Maria van Magdala de tuinman aanspreekt en merkt dat het Jezus is. Dit weekend gaat het evangelie volgens Johannes verder. We kijken mee hoe het de leerlingen dan vergaat. De deuren van hun verblijfplaats zijn dicht. Ze zijn bang. Maar door de gesloten deuren komt Jezus binnen. ‘Vrede zij u’ zegt Hij. Tomas is er in eerste instantie niet bij. Acht dagen later wel. Hij ziet dan het teken van de nagelen in de handen van Jezus. Hij ziet… En dan gelooft hij. En kan getuigen: ‘Mijn Heer en mijn God’. Zien – geloven – getuigen… Dat wil Johannes ook zijn tijdgenoten en al de latere christenen, ook die van Vrangendael, leren: geloven, en door te geloven ook te leven in Jezus’ naam. Wat dat concreet betekent in deze tijd moet ieder zelf invullen. Hoe gaan wij om met onze vrees? Waarin geloven we? Hoe krijgt dat leven in Jezus’ naam vorm, nu we niet kunnen samenkomen, nu ieder in zekere zin op zichzelf is teruggeworpen? Is er een andere manier van gemeenschap, een andere verbinding mogelijk, zonder meteen de ‘anderhalve meter regels’ te negeren?

 

Het boek Handelingen beschrijft in de eerste lezing het leven van de eerste christenen. De gemeenschap die is ontstaan lijkt een ideale geloofsgemeenschap, in ieder geval in dit deel van de tekst.

‘Allen die het geloof hadden aangenomen waren eensgezind en bezaten alles gemeenschappelijk.’

Zo staat het er. Er is sprake van een soort huiskamerkerk. Kleinschalig. Eén van ziel, samen brood breken en bidden. Een bemoedigend voorbeeld voor alle kerken. ‘Kijk!’, zegt Lucas, die het boek Handelingen schrijft. ‘Dat is waar het om gaat!’ Daarom ook hadden we in dit weekend het zgn. Pauluslied, dat vooral in het derde couplet deze sfeer beschrijft (en onderstaand op de tweede pagina helemaal is toegevoegd), samen willen zingen:

 

Wees daarom één van harte en van hoop,

de geest bestiere uw intiemst verlangen:

een nieuwe aarde in gerechtigheid

waar brood en liefde is genoeg voor allen.

Geliefden, nooit heeft iemand God gezien.

Wie naar de liefde leeft, zal in Hem wonen.

 

Daar heb ik niets méér aan toe te voegen dan: dat dit ons mag inspireren, dat het ons mag lukken om er in ieder geval naar te streven…

‘Vrede zij u’!

 

 

Elly Bus-Linssen

 

 

 

 


Het Pauluslied                   H. Oosterhuis / A. Oomen

 

2

Deemoed geduld ontferming, vonken geest –

waar mensen afgekeerd zijn van geweld,

niet zwichten voor de oude dode wereld

van geld is goed of welk bewind dan ook

waar wij elkaar behoeden en doen leven

waar laatsten eersten zijn, daar woont hij in.

3

Wees daarom één van harte en van hoop,

de geest bestiere uw intiemst verlangen:

een nieuwe aarde in gerechtigheid

waar brood en liefde is genoeg voor allen.

Geliefden, nooit heeft iemand God gezien.

Wie naar de liefde leeft, zal in Hem wonen.

 

 

 

NB

1 In plaats van ‘Jood en Griek’ staat er in een latere versie ‘Eén van ziel’

2 Wat dat samen zingen betreft: helaas... Alles moet nu in Coronatijd nog even anders…

Organiste Ankie Dormans zou de samenzang in de dienst begeleiden en heeft in de plaats daarvan een begeleiding opgenomen. Een beetje jammer is dat het betreffende muziekbestand te groot is geworden om bij de mail toe te voegen… Wie het toch heel graag met die begeleiding thuis wil zingen, en een beetje handig is met de computer, die kan ik het wel toesturen via een andere weg. Laat maar weten!

 

Elly Bus

 


‘De preek komt naar u toe’ (5)

WITTE DONDERDAG. Overweging bij het Johannesevangelie, hoofdstuk 13, 1-17;

Het gezicht van de Meester

Deze avond is een zwaar geladen avond. Christen- gelovigen van alle windstreken vieren het laatste avondmaal, de laatste keer dat Jezus met zijn leerlingen aan tafel gaat. Het is een maaltijd die wij als een belangrijke kern van ons geloven zijn gaan zien, en dat wij ‘tot Zijn gedachtenis’ blijven doen.

Maar deze avond gaan we terug naar dat oorspronkelijke gebeuren. In drie evangelies krijgen we te horen, hoe Jezus de zegenbede over brood en beker uitspreekt. In het Johannesevangelie niet. Daar gebeurt iets, dat wij in de traditie ‘de voetenwassing’ hebben genoemd. En dat is net zo’n geladen gebaar, als het breken en delen in de eucharistie, het is er onverbrekelijk mee verbonden.

De voeten wassen van je gasten, voor ons voorstelbaar bij woestijnreizigers als een gebaar van welkom. Horend bij de reinheidscultuur van de joden. Voeten wassen, handen wassen, in deze tijd van confrontatie met een ongrijpbaar virus springt er een vonk over. Een sterk punt van de joodse godsdienst waren en zijn de reinheidsvoorschriften. Het boek Leviticus staat er vol van. Een dokter in het ziekenhuis, met wie ik indertijd veel contact had, vond dat (hoewel hij zelf ongelovig was, natuurlijk!) een geweldige vondst; zo hou je ook allerlei enge ziektes en infecties buiten de deur. In een nieuwe tijd van handen wassen en andere hygiëne klinkt dat ineens niet meer zo vreemd.

Jezus zelf relativeert in zijn optreden die reinheidsvoorschriften van zijn tijdgenoten, die een reinheidscultus is geworden, een beslissend geloofsartikel; ben je een ware joodse gelovige of niet? En toch doet hij bij deze laatste maaltijd met zijn leerlingen dat wat als slavenarbeid  wordt gezien; hij buigt zich diep voor zijn leerlingen, en – ondanks verzet – wast hij de voeten van zijn leerlingen.

Op de mooie plaat, die bij dit evangelieverhaal hoort, zien we die Jezus, diep gebogen over die voeten. Wat ik fascinerend vind aan deze weergave is, hoe Jezus zijn gezicht in het water van het reinigingsbekken weerspiegeld ziet. Zo kijkt hij zichzelf aan, want hij weet wat hij doet, en wat dat betekent. Hij heeft het zelf herhaalde malen gezegd; ‘wie onder u groot wil worden, moet de dienaar van u zijn’.(Mc.10,43). Een uitspraak, die blijft klinken, als je jezelf recht in de ogen durft te kijken.

Natuurlijk wordt dit niet begrepen, en misschien wordt in het onbegrip van de leerlingen ons ‘niet weten’ weerspiegeld. Het moet uitgelegd worden, die wederzijdse verhouding tussen meester en leerling. Een verhouding van dienstbaarheid, waarbij ook wij steeds verschillende rollen kunnen aannemen. Soms mogen we in kerk en maatschappij even het voortouw nemen, vanwege opdracht, taak of talenten. Soms zijn we degenen, aan wie een dienstwerk – zorg, onderwijs, verkondiging – wordt verricht. Zijn we als meesters de dienaar? En begrijpen we echt wat ons wordt ‘aangedaan’?

Het evangelie van Johannes is getekend door de wederkerigheid tussen meester en leerling. De saamhorigheid, de liefde schemert er steeds weer doorheen. En zo kun je dit gebaar van reiniging verstaan. Door het teken van voetenwassing schemert de zorg voor elkaar, de intentie om op deze manier van dienstbaarheid maaltijd met elkaar te houden. Voorschrift met een betekenis. In tijden van opnieuw hygiënische voorschriften kunnen we de diepere betekenis daarvan beter begrijpen.

En vanuit het perspectief van de volgelingen van Jezus zeggen we dan ook bij elke eucharistie; Doet dit tot mijn gedachtenis.  

                                                          REN LANTMAN

 

 

 

 

(Toelichting:

De Witte Donderdag is in onze kerk uitgegroeid tot een intieme viering, waarin we extra nadruk leggen op de symbolen, zoals ze ‘vanzelfsprekend’ gebruikt worden bij onze wekelijkse vieringen; het altaar zelf en de bekleding,het kruis, de Bijbel en het boek van mensen, brood en beker. Dit jaar – nog onwetend van de gebeurtenissen rond het coronaviering – wilden we extra aandacht besteden aan het gebaar van reiniging, de voetwassing, zoals in het evangelie van Johannes is opgetekend. Dit gebaar van reiniging, vergezeld van ‘eigen symbolen’, zoals een vlam van de kaars, kruiden), en een kan met water, wilden we toevoegen aan de versiering van de Vastentijd. Deze attributen kun je ook bij de speciale thuismaaltijd op Witte Donderdag gebruiken,zie apart vel). Hierbij de korte overweging, die bij het op Witte Donderdag gelezen gedeelte van het Johannesevangelie hoort).

 


‘De preek komt naar u toe’ (4)

Palmzondag 2020.   ‘Vredevorst’

 

 

Palmzondag. In Coronatijden een contradictio in terminis bijna. Hoe kunnen we immers aan wuivende palmen denken? De natuur heeft ons al enkele jaren gewaarschuwd lijkt het wel. De buxusmot tastte de palmtakjes zodanig aan, dat we alleen nog miezerige takjes kunnen leveren, en zelfs díe worden nu bijna verboden, doordat we liever niet de straat op mogen…

Palmzondag is naadloos verbonden met leven en dood. In die zin past het goed bij onze tijd. Op palmzondag lezen we immers de glorievolle intocht van Jezus in Jeruzalem, waar hij echter enkele dagen later wordt gevangengenomen, gemarteld, een schijnproces ondergaat en dan wordt gedood.

Deze dag is dan ook een goede dag om te denken aan alle mensen die nu lijden aan dit verschrikkelijke virus. Velen onder ons hebben inmiddels familie/vrienden/bekenden die erdoor getroffen zijn. Gelukkig overleven de meesten, maar voor vele honderden mensen eindigt het leven voortijdig, ondanks de goede zorgen van zovele artsen en verplegenden.

Hoe zou Jezus nu de stad intrekken? Jeruzalem, of ons eigen Sittard? Vermoedelijk niet op een ezel, al was dat niet omdat hij dan opnieuw opgepakt en gekruisigd zou kunnen worden met een schijnproces, bijvoorbeeld omdat hij illegaal over een sinds 1992 open, maar nu opnieuw gesloten grens was gekomen.

Karel Eijkman geeft in zijn boek ‘was ik een schaap, dan wist ik het wel…’ weer vanuit het zicht van de ezel goed (en begrijpelijk voor kinderen…) hoe onorthodox Jezus zich gedroeg door juist de ezel als rijdier te gebruiken. De ezel was een lastdier, en alleen voor de lager geplaatste mensen soms als rijdier te gebruiken. Koningen en Keizers horen op een edel dier plaats te nemen.

Ook hier geeft Jezus weer aan, zoals hij zo vaak doet, dat je ‘out of the box’ moet denken, ánders moet kijken naar jezelf én naar de wereld om je heen. Dan zie je wat écht nodig is. Vanaf een ezelsrug zie je de wereld anders, maar de wereld ziet ook jóu anders. Vanaf de rug van een edel wit paard Jeruzalem binnenkomen had een andere toon gezet, had in een burgeroorlog kunnen resulteren, met een overwinning of nederlaag die een voetnoot in de geschiedenis zou zijn geweest. Door de positie van de extreme zachtaardigheid in te nemen leek Jezus de overwonnen mens, maar uiteindelijk overwon hij zijn overweldigers én de dood.

Machtigen heb je altijd en overal. In Jezus’ tijd was dit het Romeinse rijk, waarvan Pilatus het gezicht ter plaatse was. Later de adel en hoge (vaak ook adellijke) geestelijkheid. En gelukkig zijn er ook altijd mensen geweest die zich verzet hebben tegen het gebruik van macht en geweld. Franciscus van Assisi bijvoorbeeld in de 13e eeuw, die in plaats van de christelijke legers te zegenen bij de strijd tegen de sultan, beiden opriep de vrede te bewaren, ongehoord in die tijd!

En nu, nu zijn ze er weer, die machtigen. Het zijn mensen als presidenten die een medicijn tegen het coronavirus wil opkopen om het alleen voor de Amerikanen te gebruiken, of het virus gewoon ontkennen en hun volk daarmee in gevaar brengen. Maar het zijn tegenwoordig vooral de superrijken, die de wereld in hun greep hebben, meer nog dan de adel van vroeger. De superrijken kaapten afgelopen jaar 82% van de winsten wereldwijd. Ze zetten in éen jaar zoveel extra geld op hun spaarrekening, dat ze de armoede in de wereld zéven keer zouden kunnen lenigen, Zéven keer, in één jaar! Een bijbels getal, en feitelijk een bijbelse aanklacht! Tegelijkertijd ontduiken ze belasting in arme landen en ‘verdienen’ (lees stelen…) zo minimaal 100 miljard per jaar via belastingparadijzen, waaronder Nederland. Ook wijzelf doen hier dus aan mee, via onze regering, die wij democratisch gekozen hebben. Triest, maar waar…

Ook nu weer hebben we gelukkig in onze kerken mensen die zich inzetten voor een wereld die beter, rechtvaardiger, eerlijker zal zijn. We mogen blij zijn met een icoon als onze huidige paus Franciscus, die wereldwijd aanzien heeft, niet omdat hij machtig is, maar omdat hij laat zien dat het anders kan, dat je ook als paus eenvoudig kunt leven, daklozen kunt opnemen, Coronabestrijdingsmiddelen kunt verschaffen, maar bovenal, mens en God met elkaar verbinden, want op weg naar Pasen gaat het niet om gelijk hébben, maar gelijk wórden.

Én: om vertrouwen, want om te geloven dat Jezus met zijn voorbeeld daadwerkelijk ook u en mij op het oog had, is vertrouwen onontbeerlijk. Kunnen we dat? Juist ook in deze Goede Week die zo doortrokken is van het Coronavirus? Charles de Foucauld gaf het voorbeeld, dat we misschien in deze moeilijke tijd kunnen proberen te volgen, op weg naar Pasen!

Vader, in U stel ik mijn vertrouwen.

Doe met mij wat Gij goed vindt.

Ik leg mijn leven in Uw handen.

Ik geef mij aan U, mijn God.

Met heel de liefde van mijn hart,

omdat ik U bemin en omdat ik de noodzaak voel

mij aan U te geven,

en zonder voorbehoud op U te vertrouwen,

want U bent mijn Vader.

(Charles de Foucauld)

 

 

Peer Boselie

 


‘De preek komt naar u toe’ (3)

TER OVERWEGING 28 en 29 maart 2020      

Lezing uit het Evangelie: Johannes 11, 1-45  29 maart 2020

38Bij het graf gekomen overviel Jezus opnieuw een huivering. Het was een rotsgraf en er lag een steen voor.  39Jezus zei: “Neemt de steen weg.” Marta, de zuster van de gestorvene, zei Hem: “Hij riekt al, want het is al de vierde dag.”  40Jezus gaf haar ten antwoord: “Zei Ik u niet, dat gij Gods heerlijkheid zult zien als gij gelooft?”  41Toen namen zij de steen weg. Jezus sloeg de ogen ten hemel en sprak: “Vader, Ik dank U dat Gij Mij verhoord hebt.  42Ik wist wel, dat Gij Mij altijd verhoort, maar omwille van het volk rondom Mij heb Ik dit gezegd, opdat zij mogen geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.”  43Na deze woorden riep Hij met luider stem: “Lazarus, kom naar buiten!”  44De gestorvene kwam naar buiten, voeten en handen met zwachtels omwonden en met een zweetdoek om zijn gezicht. Jezus beval hun: “Maakt hem los en laat hem gaan.” 

Meditatie: ‘En toen namen ze de steen weg.’

Op de dag dat ik dit stukje schrijf is het 25 Maart.

Dat is een aparte datum in de liturgie. Op 25 Maart werd van oudsher de lente-equinox gevierd. Het was een keerpunt in het jaar, een wisseling van de seizoenen.

De winter was voorbij.

Dag en nacht op deze dag even lang. Het licht even sterk als de duisternis. 

Een kosmisch moment van evenwicht en van orde.

Op deze dag vieren wij nog steeds de Boodschap door de Engel aan Maria, dwz de conceptie van Jezus.

En Maria, die eea vol vertrouwen accepteerde.

Vandaar dat 9 maanden later het Kerstfeest wordt gevierd: de geboorte van Jezus.

De winterzonnewende.

25 Maart is dus een betekenisvolle dag. Het begin van de lente; licht en warmte krijgen de overhand. Nieuw leven dat wordt aangekondigd: Maria Boodschap. Oprecht geloof in de toekomst: Niets dan goed nieuws.

(Fra Angelico: Annunciatie)

Afbeeldingsresultaat voor Fra Angelico

Hoezo goed nieuws?

Als wij naar het nieuws kijken en luisteren lijkt de werkelijkheid totaal anders.

Enkel en alleen aandacht voor het Corona-virus met alle verschrikkelijke consequenties van dien. Onze samenleving wordt uit het lood geslagen door een virus waar wij geen greep op hebben.

Wij kunnen tot en met Pinksteren  niet naar de kerk om samen te getuigen van ons geloof.  Voor veel mensen vormen deze dagen een heel moeilijke periode in hun leven. Zelf mis ik alle sociale contacten. Ik zie mijn kinderen niet en mijn kleinkinderen evenmin. Ook niet die twee op 29 januari pasgeboren kleinzoontjes.

En dan het evangelie van 29 Maart: dat komt ook met goed nieuws. Jezus wekt zijn vriend Lazarus op uit de dood. Iets eerder zei Hij tegen Marta die hem attendeerde op het feit dat Lazarus al ‘riekte’ (het was immers al de vierde dag): ‘Zei Ik u niet dat u Gods heerlijkheid zult zien als u gelooft?’

‘En toen namen ze de steen weg’.

Is het niet deze handeling die getuigt van hernieuwd geloof in de toekomst, in nieuw leven? Een handeling waaruit het vertrouwen blijkt. Zoals de woorden van Maria (‘Mij geschiede naar Uw woord’) ook blijk gaven van een ongebreideld vertrouwen.

Het is net alsof de lezingen in deze dagen ons uitdagen en op de proef stellen, om ondanks alles toch met vertrouwen vooruit te kijken. God vraagt ons om vooruit te kijken, te geloven, te vertrouwen.

Wij moeten misschien een steen wegnemen, die onze toekomst in de weg staat.

Is het dat niet wat God via deze lezingen in deze dagen aan ons vraagt?

 

Hans van Druten

 

Vincent van Gogh: De opwekking van Lazarus

(Vincent van Gogh; de opwekking van Lazarus)



‘De preek komt naar u toe’ (2)

TER OVERWEGING 21 en 22 maart 2020     1 Sam. 16, 1b.6-7.10-13a    Joh. 9, 1-41

“Zien”

Het is een rare tijd. De kerken en de scholen zijn dicht. Bijeenkomsten gaan niet door. De verjaardag van de jongste kleinzoon vieren we op afstand. We zingen hem toe via de telefoon. Maar de lente is begonnen! De afgelopen dagen was dat ook al een beetje te voelen. En te zien! De natuur komt volop tot leven. De tuin krijgt kleur. Rood en geel. Rose. Wit. Overvloedig.

We zitten midden in de 40-dagentijd. Een reeks van verhalen komt voorbij in deze periode. Van de schepping van de wereld en de plaats van de mens in die schepping via de verhalen over Abraham en over Mozes zijn we in de geschiedenis van het Joodse volk aangekomen bij een volgende mijlpaal, het koningschap van David. Wie mag er koning worden? Waar hangt dat van af? De jongste van het gezin, die eigenlijk nauwelijks nog meetelt, de achtste zoon, wordt uitgekozen. Zeven plus één, over het getal van de volheid heen. God ziet hem! God kijkt niet naar de buitenkant van de mens, maar naar het innerlijk, God kijkt met het hart naar het hart en ziet in David de geschiktste persoon voor het koningschap…  Een herdersjongen. 

Het evangelie vertelt over de blindgeborene. En Jezus ziet hem… Jezus, het licht van de wereld, zoals Johannes hem noemt.

‘Is dat niet de man die altijd zat te bedelen?’ ‘Inderdaad’, zeiden sommigen. ‘Welnee,’ zeiden anderen, ‘maar hij lijkt er wel op.’ Maar hijzelf zei: ‘Toch wel, ik ben het.’ ‘Maar wat is er dan met je ogen gebeurd, dat je nu ineens kunt zien?’ vroegen ze. Hij antwoordde: ‘Een zekere Jezus maakte wat slijk en streek dat op mijn ogen. Toen zei Hij: “Ga nu naar de Siloam om u te wassen.” Ik ben dus gegaan, en toen ik mij gewassen had, kon ik zien.’ (Joh. 9, 8-11)

We zijn op weg naar Pasen. Over zien en niet zien gaat het vandaag, over uiterlijk en innerlijk zien. Wij worden gezien – door Jezus zelf. En wij leren te zien – met zijn ogen. Vanuit het donker wordt het licht… Zien wij het ook?

 

Elly Bus-Linssen

 


‘De preek komt naar u toe’

N.a.v. Exodus 17, 3-7; Johannes 4, 5-42

Wat een jongen van de polders en de plassen het meest opvalt als hij vaste een plek in Limburg zoekt,  is het gebrek aan water. Het ruimte scheppende, verbindende water. Zeker, niets zo mooi als Limburg, maar, het is er zo droog. Als hij de wolken wil zien, moet hij naar boven kijken. Gelukkig zijn er de heuvels; daar bovenop vindt hij de wijdsheid.

Wat hem met Limburg verzoende was de nabijheid van het kanaal. Het Julianakanaal. Dat stoere kanaal met ganzen, eenden, futen, meeuwen, waterhoentjes; met zwaar beladen schepen, varend van noord naar zuid en andersom. En boordevol water, wind en wolken. Water dat Limburg verbindt met havens en bedrijvigheid elders; met Luik en Rotterdam; met de zee; met België, Frankrijk, Duitsland, tot diep in Europa. Water dat de hemel spiegelt. Water dat verbindt.

Droog als de rotsen is de woestijn. Het is een beproeving; de joden sterven van de dorst en raken verbitterd. Ze verwijten Mozes: ‘Had ons in Egypte gelaten! Wil je soms dat onze kinderen, ons vee en wijzelf hier creperen van de dorst!’ Heet en hard zijn de stenen die hun ogen al uitzoekten om hem te stenigen. Mozes op zijn beurt stuurt het verwijt door naar God: ‘Wat moet ik met dat volk! Het gaat me mijn leven kosten.’ Maar Hij die Mozes zijn naam had verteld – ‘Ik-die-er-ben’ – maakt zijn naam waar. Hij is er. Zorgt. Redt. Al op Zijn gezag Mozes met zijn staf op de rotsen slaat, breekt het water met kracht eruit naarbuiten. Gul.

‘Geef mij wat te drinken’, vraagt Jezus aan de vrouw. De zon staat loodrecht boven de stad en maakt de stenen rond de put gloeiend heet. Hij, een jood, is moe van de reis en heeft dorst. Zoals zij, een Samaritaanse, moe is van het werk en dorst heeft. De vraag van Jezus – een vraag om water - opent een ontmoeting van een ongeëvenaarde diepte. Een ontmoeting van argwaan en uitdaging tot herkenning van elkaars diepste wezen, voorbij de morele oordelen. Water als verbinding tussen het praktische aardse – dorst, put, emmer waterkruik – en het wederzijds zien en benoemen van elkaars waarheid. ‘Kom mee! Er is iemand die alles van mij weet. Dat moet de messias zijn!’

Meindert Muller

 


TER OVERWEGING 22 en 23 febr. 2020            Lev. 19, 1-2.17-18    1 Kor. 3, 16-17    Mt. 5, 38-48

7e zondag d h j  A                                  Thema:         Bemin je naaste die is als jij           

Het is Carnaval, Vasteloavend... Een katholiek feest, zo hoor je ook al aan die tweede benaming – Vasteloavend, de vooravond van de Vasten - maar toch houdt het lezingenrooster er geen rekening mee. Het is in dat rooster gewoon de zevende zondag door het jaar… Maar het mooie aan de lezingen van deze zondag is dat er daarmee een basis gelegd wordt die je eigenlijk elke dag weer als geheugensteuntje zou kunnen gebruiken, of het nou Carnaval is of niet. 

De twee korte lezingen van daarnet geven ons twee dingen mee:

- Wees heilig, bemin je naaste    als jezelf /die is als jij

- Want jij bent Gods tempel, de Heilige Geest woont in jou.

Hoe zou dat dit weekend tot uiting kunnen komen? Ik denk niet dat heiligheid en Carnaval elkaar uitsluiten. Wel als Carnaval alléén maar een drankfestijn zou zijn, maar dat is volgens mij niet zo, het hoeft het in ieder geval niet te zijn.

Een waardevolle Carnaval is een gebeuren van saamhorigheid en verbroedering. Alle mensen zijn er welkom en evenveel waard. Jong en oud kan erbij zijn. Kleine kindjes gaan al mee in de kinderwagen, mijn moeder van 84 wil maandag in Schinnen weer meelopen in de optocht. Wie niet zo fit is kan via de radio en de tv een en ander meevolgen en de muziek en de kleuren op zich laten inwerken. Zich laten meevoeren door een ontspannen sfeer. Regen en wind zijn vervelende spelbrekers, maar binnen gaat het feest toch door. Verkleed kun je even uit je normale rol stappen en eens ervaren hoe het is als je loskomt van de sleur van alle dag. Heiligheid met Carnaval uit zich als je het gezellig probeert te maken met wie je samen bent…

En dat geldt natuurlijk ook voor degenen die geen Vasteloavend vieren. Die gewoon samen een kop koffie drinken en met elkaar praten over wat hen bezig houdt. Die met elkaar uitwisselen wat tegenvalt in het leven. Die met elkaar delen wat goed doet.

En als het enigszins kan, zo staat er in het evangelie, probeer dan nog een stap verder te gaan. Probeer dan die liefdevolle houding óók aan te nemen tegenover iemand die je niet sympathiek is. Geef mensen op die manier meer dan ze verwachten… En dat zonder dat je weet of er iets van terugkomt… Bemin je vijanden, wees volmaakt.

In een gedeelte van het gedicht ‘Linkerwang-rechterwang’ van Karel Eykman over deze evangelietekst klinkt het zo:        Ze zullen je altijd aan willen praten:

‘Oog om oog en tand om tand.’

Zo gaan ze maar door, ze kunnen het niet laten:

‘Gelijke munt is gezond verstand.’

‘Je hoeft het van een ander niet te pikken

als hij iets met jou uithaalt.

Meteen erbovenop, je hoeft het niet te slikken

zet het hem dubbel en dwars betaald.’

Geloof dat nou eens niet en wees niet bang.

Slaat hij op je wang met zijn kwaaie handen

daag hem uit met je andere wang

daar heeft hij niet van terug, dan staat hij met zijn mond vol tanden.

Een uitdaging voor elke dag!

 

Elly Bus-Linssen

 


Getuigenis 15/16 februari 2020 Vervulling van de wet

 

Vandaag roept Jesus Sirach ons op, een kleine tweehonderd jaar voor de geboorte van Jezus van Nazareth, om daadwerkelijk te kiezen voor wat God ons vraagt. Hij doet dat op een warme, uitnodigende manier: Hij heeft vuur en water voor u neergezet, gij kunt uw hand uitstrekken naar wat ge verkiest. Met wel een waarschuwing erbij: het is ook verstandig te doen wat de Heer behaagt. God geeft ons het leven en geeft ons ook een vrije wil, om te zondigen of niet. De keuze is aan ons. Een vroege verwijzing naar de eigen wil en ‘het geweten’ zou je kunnen zeggen. En, slim van Jesus Sirach, hij verweeft in regel 14 (hij heeft van den beginne de mens gemaakt) het boek Genesis met het boek Deuteronomium (vuur en water), waardoor hij in het kort zo’n beetje de hele Tora erbij betrekt.

Jezus gaat in zijn Bergrede nog wat verder en lijkt letterlijk radicaal. Niet alleen het slechte dóen, maar ook er aan dénken is al fout.. Bij de wortel begint het kwaad, bij de wortel begint ook het goede.

Lastig, want wie denkt niet soms boos over iemand anders? Wie ziet niet graag een andere man, of vrouw,  en jazeker, heeft daar soms gedachten bij? Wie is niet soms jaloers op een ander?

Wie doodt, is strafbaar, dat is duidelijk, maar wie iemand iets slechts toewenst en zeker wanneer men een moord beraamd, is eigenlijk al een moord aan het plegen in Jezus’ ogen.

Ja, dat is soms overduidelijk daadwerkelijk zo. Ik hoorde de latere president van Servië, Milosevic, in 1989 bij de herdenking van de slag op het Merelveld spreken, Het Merelveld, waar de Turken in 1389 hun wil oplegden aan dat deel van de Balkan… Milosevic betoogde gloeiend betogen dat deze nederlaag gewroken zou gaan worden en riep op tot een groot Servië en hoewel ik niet in de toekomst kan kijken, was ik me toen al bewust dat er een oorlog aan kwam. Deze oorlog in het voormalige Joegoslavië kwam ook, zoals we allen weten. Maar dit is een extreem verhaal, waar we echter wel van mogen leren in onze tijd van opruiende volksmenners. Maar meestal is het iets kleiners. iets sluipends, een miscommunicatie, een verkeerd woord, een misbegrepen oproep, een in emotie geroepen kreet…

Is dit wat Jezus onder ‘doden’ verstaat? Ja, ik denk het wel.

Soms weten we het natuurlijk , dat we mensen pijn doen, dan zijn we sowieso fout en aan het ‘doden’ in jezus’ogen. En soms, soms kunnen we er weinig aan doen, bedoelen het oprecht, menen het goed, en dan kunnen we toch mensen beschadigen, ik merkte het na mijn vorige getuigenis zelf en maak me er dus ook schuldig aan. Jammer, maar wel een bewijs dat we feilbare mensen zijn.

Maar Jezus dan? Hij wil geen letter aanpassen aan de wet, en toch gaat hij regelmatig tegen de wet in. Hoe zit dit dan?

Dit is precies waar denk ik de kern zit.

Jezus gaat in Zijn handelen uit van het ‘radicaal’ lezen en dus leven van de Schrift. Hij haalt geen letter of jota weg van de wet, maar levend vanuit God, kán hij niet anders dan met mededogen vanuit de wet leven. En dús moet hij soms de letter van de wet de letter laten en de wet leven vanuit de Geest. En daarom kan hij ook zeggen dat hij wil dat mensen niet alleen leven vanuit de wet, maar dat onze gerechtigheid die van schriftgeleerden en Farizeeën zelfs moet overtreffen. Hij wil dat we de wet lezen en leven vanuit de Geest van God en daarmee leven vanuit het adagium: Om mensen gaat het, dat ze tot hun recht komen…

Hoe mooi is dat? En hoe moeilijk soms. Ik ga nóg meer mijn best doen…

 

Peer Boselie

 


OVERWEGING 5E ZDHJ 8 en 9 februari 2020. Lezingen:  2 Kor.15; Matt. 5,13-16

 

Vandaag twee lezingen, die allebei een stukje zijn uit een groter geheel, en eigenlijk pas goed te begrijpen zijn in dat grotere geheel. Gekozen is voor de lezing van Paulus, uit zijn tweede brief aan de Korintiers. Daarin biedt de apostel nederig zijn getuigenis aan. Niet als de geleerde en allesweters, maar als een gedrevene door de Geest, die iets van de boodschap van Christus probeert over te brengen. En dat proberen wij hier samen ook te doen en vooral te zijn, misschien niet ‘zwak, angstig en nerveus’, zoals Paulus laat optekenen, maar in ieder geval bescheiden.

In het evangelie lezen we een stukje van de Bergrede. Het gedeelte dat volgt op het majestueuze begin van deze toespraak van Jezus vanaf de Berg, de zgn. zaligsprekingen. Daarin laat Jezus zijn volgelingen proeven, wat voor mensen zij zouden moeten zijn in deze wereld: vredelievend, barmhartig, en weerstand biedend tegen de kwade machten, die hen bedreigen. Die zaligsprekingen komen in de liturgie voor bij het feest van Allerheiligen. En vandaag bemoedigt Jezus zijn leerlingen, dus ook ons met twee indringende beelden: wees zout en licht. Twee beelden, waarin we ons kunnen herkennen en koesteren. En waarover we zingen; het licht, dat in verschillende liederen van vandaag terugkom. Het zout dat straks in ons slotlied opborrelt. Beelden, die ons leven omspelen, het leven zoals het is. Laten we er een daarom dienst van maken in opgewektheid. Om zout en zoet en zuur te zjjn….

 

Overweging

Gij zijt het zout der aarde. Gij zijt het licht der wereld. Twee uitspraken van Jezus in de Bergrede, waarin hij ons voor het eerst rechtstreeks toespreekt. Twee beelden, waarin hij ons wijst op wie wij zelf zijn. Beelden, die verbazing kunnen oproepen; zout, zijn wij dat? Licht, zijn wij dat? En bij enig nadenken roepen ze het nodige op, en daarom staan we er even bij stil.

Dat licht, daar gaat het vaak over in onze liturgie, het is een prachtig beeld. Prachtig, maar ook moeilijk te vangen in een enkel woord. Licht, dat ons aanstoot in de morgen – zegt de dichter. Dat is het licht waarin je wakker wordt. Het licht dat het donker verdrijft. Licht, dat wij ontsteken en dat ontstoken wordt in onze huizen, in onze straten, in onze kerken. Licht dat je niet kunt pakken, waarover de natuurwetenschappers zich buigen, om de snelheid van het licht te bepalen. Licht, dat  kunstenaars inspireert, en dat ze proberen te vangen in hun doeken’, objecten, voorstellingen. Licht, dat wij ook van binnen voelen – zo zwaar en droevig als we ons soms voelen. Raadselachtig licht, dat ons omgeeft. Licht, dat ons vandaag wordt toegezegd: Gij zijt het licht der wereld.. Wij kregen ook nu weer vele mooie kerstkaarten, met op een daarvan die beginregels van het lied van Oosterhuis,maar net even anders. Daar stond: licht dat ons aanstoot in de morgen, oneindig licht waarin we staan.

De uitspraak van Jezus is een goede aanleiding om daar even zelf over na te denken, misschien zelf eens met die woorden van het openingslied te spelen – voortijdig, oneindig. Maar ook; vaderlijk licht – licht dat we zelf uitstralen, of dat op ons valt vanuit die verre verte. Licht van Christus, ons toegezegd. Licht dat niet verborgen kan blijven als die stad. Licht als een vlammetje op de houder.

Naast dat ondoorgrondelijke licht, dat wij kunnen zien en ervaren, maar niet kunnen pakken, is daar het zout, aan de aarde gebonden materie. Zout zoals we dat kennen en gebruiken in ons dagelijks leven. In de praktijk van de keuken. Een snufje zout in onze gerechten brengt deze op smaak. Niet te veel, niet te weinig, we maken ons er graag druk over in onze reclames vanwege onze gezondheid. En terecht, want we hebben ook zout in ons. Een zorgvuldig afgewogen portie zout, want te veel of te weinig in ons lijf leidt tot gezondheidsproblemen, hoge of juist lage bloeddruk, vult u maar in. Het is mooi om Jezus in zijn tijd, die nog niet die verfijnde biologische kennis bezat,aan ons dat te horen zeggen; Gij zijt het zout der aarde – want je bent staande in dat licht ook een mens van de aarde.

Maar er is meer. Want zout wijst ook op rijkdom. Want zout is een machtig hulpmiddel tegen bederf, dat wisten ze in Jezus tijd heel goed. Wie zoutmijnen kon exploiteren of vervoeren, was rijk. Steden als Zalt-bommel en Salz-burg danken er hun naam aan. En het loon werd vaak uitbetaald in zout, we danken er het woord salaris aan, al zal niemand dat nu meer met zout in verband brengen. Gij zijt het zout der aarde, daarmee wijst Jezus ons op onze gebondenheid aan de aarde, maar ook op de rijkdom die wij in onszelf meedragen. Zo zijn wij aan de aarde gebonden….

Gij zijt het zout der aarde. Gij zijt het licht der wereld. Bij nadere overdenking zijn het beelden, die ons kunnen aanspreken, en in ons kunnen doorwerken. Verwondering en dankbaarheid kunnen opwekken, en wat mij betreft ook enige vrolijkheid, zoals dat straks zal doorklinken in ons slotlied. Maar laten we niet vergeten, dat deze uitspraken onderdeel uitmaken van de Bergrede. Ze worden ons toegesproken na de hartverwarmende woorden van Jezus over hoe wij mensen van God zouden kunnen en moeten zijn; vredelievend, barmhartig, rechtvaardig. En ze vormen een bemoedigend woord, voordat het gaat in de volgende zondagen gaat over ons handelen, waarin Jezus als zoon van de Thora ons onderwijst over wat we te doen hebben, ten opzichte van elkaar, ten opzichte van God.

Beelden als een intermezzo, waarin we wat meer tot ons zelf kunnen komen, en spelen en zingen over ons aardse bestaan. We hoeven even niets, maar ze geven ons, net als de apostel Paulus, rekenschap over wie we zijn, als we getuigende mensen willen zijn. Allereerst aardse mensen. Maar staande in dat wonderlijke licht.

Om zelf steeds mensen te worden, niet zouteloos, maar vol licht en pittig.

 

Ren Lantman

 


TER OVERWEGING 18 en 19 jan. 2020                   Jes. 49, 3.5-6   Joh. 1, 29-34

2e zondag d h j  A                                                        Thema:  Daar is het lam van God                

Het is weer een gewone zondag door het jaar. De feestelijkheden van de kersttijd zijn voorbij. Dus nu komt het er op aan om in het dagelijkse bestaan mee te nemen waar we als christen voor willen staan. Om in woord en daad op een doodgewone januaridag waarachtig christen te zijn. En er ook voor uit te komen, als dat in een gesprek aan de orde komt. Een getuige van het eerste uur laat van zich horen. Johannes de doper. Hij kwam vorige week natuurlijk bij het feest van de doop van Jezus in actie (dit leest u bij Matteüs). Dit weekend getuigt hij van wat hij gelooft (bij Johannes).

Het jaarlied van de parochie, passend bij het jaarthema, is eigenlijk ook een getuigenis: ‘De Heer is mijn licht. Waarom nog angst? Durf te vertrouwen.’ Samen zingen we het in onze diensten. In de kerk durven we dat. Het zijn woorden uit een psalm, die we in de mond nemen. De Heer is mijn licht. Maar zouden we dat ooit zo zeggen in een situatie buiten de kerk, op een verjaardag, of in een gesprek met collega’s of buren? Zouden we, met andere woorden, dan van ons geloof getuigen? Ik merk dat ik zelf buiten de kerkdiensten om ook minder stellig spreek. Dat ik in een gesprek meer ruimte laat voor eigen twijfel en voor andere meningen, terwijl ik in een lied graag een dergelijke tekst zing. Een lied, zoals het bovengenoemde, neemt me mee, helpt me vertrouwen.

Bij het voorbereiden van deze tekst ter overweging moest ik denken aan de rondleidingen die ik de laatste tijd hier in de kerk heb gegeven. Vlak voor kerst voor de tieners van de tweede klassen van het Graaf Huyn college. En afgelopen week waren de groepen vier van basisschool Lahrhof als start van het communieproject voor hun rondleiding in de kerk aanwezig. Bij een rondleiding kun je natuurlijk denken aan informatie over de kunst in de kerk of de geschiedenis ervan. Maar bij de rondleidingen voor de kinderen en jongeren wilden we naar aanleiding van wat er te zien is in het gebouw vooral praten over geloof en over wat dat betekent in het leven van christenen van onze geloofsgemeenschap. Over wat we belangrijk vinden, persoonlijk en als gemeenschap. En wat vertel je dan in de beperkte tijd die je hebt? Al met al voelde het voor mij meer als een getuigenis dan als een les… Over hoe we als gemeenschap willen kijken naar wat er in maatschappij aan de hand is. Over het Kruispunt. Over het verhaal van de barmhartige Samaritaan. Over de kruisjes en het boek des levens, het herdenken van overledenen, over Rosa van der Palen en alle vermiste kinderen. Over de appeltjes met de namen van de dopelingen. Over de afbeelding op het deurtje van het tabernakel, het heilige Brood dat erin wordt bewaard en het kaarsje wat daarnaast daarom altijd brandt. En nog veel meer…

Johannes de doper getuigt ook. Hij doet dat in het evangelie (Joh. 1, 29-34) op zijn manier: ‘Daar is het lam van God, degene die de zonde van de wereld wegneemt.’ Een beetje een vreemde uitspraak, die ook niet verder wordt uitgelegd. Wat zou hij bedoelen?

Er zijn drie taferelen uit het Oude/Eerste Testament die hier meeklinken:

-om te beginnen in het boek Exodus (12) het paaslam – door zijn bloed is de engel van de dood in Egypte aan de deuren van de Israëlieten voorbijgegaan.

-bij Jesaja (53) is er de lijdende knecht die als een lam ter slachting wordt gevoerd – een tekst die wij om dezelfde reden op Goede vrijdag lezen.

-en dan (Lev. 16) de zondebok: het joodse ritueel om op Grote Verzoendag een dier beladen met de zonden van de mensen de woestijn in te sturen.

Maar in deze evangelietekst staat dus verder nergens iets over een lam of over de betekenis van deze woorden, we moeten het er zelf bij denken, zelf herkennen, wetende hoe Jezus aan zijn einde kwam. En Johannes getuigt vervolgens ‘Ik heb gezien hoe de Geest als een duif uit de hemel neerdaalde en op Hem bleef rusten. (…) Dit is de zoon van God.’

Zegt deze uitspraak ons iets? Hoe hebben wij Jezus leren kennen? Wie is Jezus voor ons? Wat betekent dat voor ons leven? Moge de getuigenis van Johannes ons oproepen om daarover na te denken…

 

Elly Bus-Linssen

 


Getuigenis 12 januari 2020

 

Ik zou willen beginnen met woorden van Nelson Mandela

“We vragen ons af:

‘Wie ben ik wel om mezelf briljant, schitterend, begaafd of geweldig te achten.

Maar waarom zou je dat niet zijn? Je bent immers een kind van God!

Je dient de wereld niet door jezelf klein te houden.

Er wordt geen licht verspreid als de mensen om je heen

hun zekerheid ontlenen aan jouw kleinheid.

We zijn bestemd om te stralen, zoals kinderen dat doen.

We zijn geboren om de glorie Gods die in ons is, te openbaren.”

Misschien gaan we wel regelmatig voorbij aan een moment waarin iets mógelijk zou kunnen zijn, iets verrassends, íets van God, groter dan onszelf. Zou u niet ook willen leren hoe je je  kunt voorbereiden daarop om te voorkomen dat  die momenten je ontgaan? Hoe raak je disponibel voor het geheim van God, voor dat woord dat ons tegemoetkomt, voor de bevestiging die ons zou kunnen overspoelen als doopwater, verfrissend en vernieuwend, olie op ons voorhoofd, zout op onze lippen, een witte doek om ons heengeslagen, als een leven dat ontbranden gaat aan het licht van Christus….

In de voorbereiding hebben Mirjam en ik het verlangen gedeeld naar zo’n duidelijk moment als Jezus beleefde daar in de Jordaan. Zo’n moment van innig, zeker weten, bevestiging, dat jij een geliefd kind bent …

Misschien hebt u die zekerheid nooit gekend: een geliefd kind te zijn en is het moeilijk je in te voelen dat jij bént,  kind van God, gewenst en bemind en dat je níets hoeft te doen om dat te worden of te verdienen, maar dat het aan je gebeurt:

een overrompelende liefde waarin je groeien mag in vertrouwen en gaandeweg geworteld raakt en vol verwondering “jij” wordt: jij mijn kind, jij mijn God….

Zo’n moment, daar zou je toch tien jaar op vooruit kunnen of niet! Of misschien wel een leven lang. Hoe verschrikelijk zonde zou het zijn, als je er op dat moment met je aandacht en je hart niet bij was.

Dat je  zou denken: dat is vast niet voor mij bedoeld, anderen kunnen dat immers allemaal veel beter…

of: ik kan dat niet, ik zou niet durven …ik weet niet hoe?

of: de waterstand van de Jordaan is wel héél laag, is die doop in stromend water nu wel geldig?

of: ik ga het wel anders doen dan die Johannes, ik ben het toch niet in alles met hem eens…

Onze gedachten en onze hersenen nemen het graag over van ons hart en onze buik. Ze zijn er altijd meteen bij om te rationaliseren, te vergelijken, te catagoriseren, te bagataliseren, te overdrijven. Onze gedachten gaan vlug met ons op de loop en vallen eindeloos in herhaling: te dom, niet goed genoeg, dat kan alleen maar fout gaan. Wat als Jezus gedacht had: wat zullen de mensen wel zeggen dat ik mezelf identificeer met die tekst van Jesaja over de EBED JHWH?

Want, mét dat je hersenen beginnen te werken, is het moment voorbij en heb je het gemist: dat neerdalen van de Heilige Geest zoals het benoemd wordt door Matteüs.

En wat, … als we zouden oefenen in aandacht en het zo’n kostbaar moment zouden kunnen volhouden om niet te denken…. om het alleen maar ín te ademen en het in heel ons lijf zouden kunnen laten uitstromen en opnemen… ons te laten raken door het geheim van het leven.

Met zachte kracht gevuld worden… diep in je hart die woorden toelaten: ‘Hier is iemand die mij werkelijk dient, haar zal ik steunen, zij is mijn uitverkorene, in haar vind ik vreugde’.

….

jou roep Ik, Ik neem je bij de hand en bescherm je

Ik heb je nodig voor mijn verbond met de mensen

Ik maak je tot een licht, dat blinden de ogen opent,

en wie gevangen zit in het donker, bevrijdt

……

……

Hoe zou dat zijn? En dat je dan van daaruit zou durven leven…

Geworteld in vertrouwen….

En dat je niet meteen zou denken: dat gaat toch niet over mij?

Zou je niet bérgen kunnen verzetten?

 

Marianne Boselie

 


Getuigenis 4/5 januari 2020

 

Vandaag vieren we Drie Koningen. Een mooi feest, dat we bij ons thuis in Brabant (maar hier ook leerde ik later) vierden met Koningenzingen: Driekoningen, driekoningen, geuf mich unne nujen hood, enz… Of die hoed nu praktisch was, daar stond ik toen niet bij stil…

In ons eigen gezin vroeger (eigenlijk tot voor heel kort nog!) vierden we het altijd met een toneelspel waarbij de kinderen en later de kleinkinderen de bonen vonden en dus de koningen waren en ik onderdeel de kameel, meestal de minder edele kant van de kameel. Mooie tradities…, maar wat moeten we nu met die drie koningen of eigenlijk, die drie wijzen? Het zijn mannen weer natuurlijk, met van die vreemde gaven, van wierook, mirre en goud. Ja, rijkdom vertegenwoordigen ze, maar zijn ze ook praktisch?? In plaats van Goud, heb je bijvoorbeeld toch meer aan zout?? Ik heb het hier staan, wegenzout én tafelzout, beiden nuttig, ieder op zijn tijd…

Een dochter van me stuurde me een appje over de Drie Wijze Vrouwen: hadden die de ster mogen volgen, dan zouden ze a) op tijd zijn geweest en niet vele dagen te laat, b) nuttige cadeaus mee hebben gebracht én c) de stal hebben uitgemest. En ja, wellicht, waarschijnlijk zelfs, hadden ze ook nuttiger geweest bij het brengen van vrede op aarde…

Wel mooi, die stal, want in de herberg waren ze niet welkom. Dan is een stal, met de warmte van beesten en vriendelijke herders met hun schapen heel welkom….

Als parochie hebben we zo’n 20 jaar geleden al gecommitteerd aan de beweging van de ‘Open Kerk’, waarvan in Nederland het boek ‘de gemeente (parochie) als herberg van Jan Hendriks het duidelijkste voorbeeld was. Een parochie die zich minder richt op de binnenkerkelijke visie van overeind houden van ‘wat er ooit was’ en ‘overleven’, maar als het verhaal van de Emmaüsgangers openheid, gastvrijheid en grens- en het de eigen identiteit overschrijdend denken centraal stelt. We hebben er in onze parochie onder andere de Herbergmaaltijden en ‘het Kruispunt’ aan overgehouden, mooi!

Maar: zijn wij deze herberg ook echt? Bekijken we de eerste lezing uit Jesaja nog eens: Sla uw ogen op en zie om u heen, van overal stromen ze naar u toe, uw zonen komen van verre, uw dochters draagt men op de arm.. Vanuit Sheba komen ze onder andere, Sheba, het gebied dat nu Ethiopië/Eritrea heet. Enige tijd geleden wezen wij als parochie mensen uit Sheba, die hier bij ons te gast wilden zijn de deur. We vroegen ons af of ze wel een ‘juridische entiteit’ zijn en hoe het dan zit met juridische aansprakelijkheid. Durft een parochie met als jaarthema ‘Durf te Vertrouwen’ niet eens één keer deze mensen te gast te hebben om daarna te evalueren wat er goed en ja, wellicht ook fout ging? Zijn we het opwekkende zout (misschien zelfs wel vlugzout) der aarde, of inmiddels een beetje verworden tot alles bedekkend strooizout, dat op de aarde wordt gestrooid om de lastige, maar ook vernieuwende maagdelijke sneeuw snel weg laat smelten?

Ooit, ruim 40 jaar geleden, was ik als student lid van de Werkgroep Toekomst van de Assumpionisten, in kasteel Stapelen in Boxtel, een nu bijna uitgestorven congregatie. Er bleek geen echte toekomst, dus werd het een werkgroep stervensbegeleiding, en ging het daarna over hoe men het geld goed kon gebruiken om de idealen van de stichter te vertalen naar nu én de toekomst, hier en vooral in den vreemde. Ook nobel en wijs… En toen, toen viel de muur, het communisme in de Balkan stortte in en er kwam een telefoontje: we hebben hier drie kloosters in Bulgarije en Roemenië en er zijn mensen die willen intreden, wat doen we daarmee?? Vanuit bijna dood moest plotseling gedacht worden vanuit een ‘verrijzenisgeloof’. Ook lastig, maar tevens zo bemoedigend en mooi! Opnieuw leven vanuit de hoop. Het zout der aarde zijn in plaats van het strooizout…

In onze dagen hebben we ook Wijzen en ja, ze hebben vlugzout bij zich. Het zijn niet altijd mannen, vaker vrouwen zelfs tegenwoordig, gelukkig.. Hoewel veel jongeren inderdaad ‘bankhangers, zappers en gepamperd’ zijn, zijn er ook vele uitzonderingen. In het klein, met jeugd die minder geld, en meer méérwaarde in hun baan wil, die opruimacties houden tegen zwerfvuil en ouderen helpen waar ze kunnen. Een extreem voorbeeld is Greta Thunberg natuurlijk, teken van tegenspraak, maar zo jong als ze is, al draagster van een van de grootste eerbetonen die iemand ten deel kan vallen, de Nobelprijs. Wat een verplichting legt dat op haar tengere schouders! Er was nog iemand teken van tegenspraak, zo’n 2000 jaar geleden. Ook hij werd verheven en met palmtakken toegezwaaid en kort erop gehoond en bespuugd. Maar dit meisje, deze jonge vrouw, heeft nu al honderden miljoenen mensen in beweging gebracht. Jong én oud, zonder en mét rollator. En dat is knap en zal blijvende impact hebben. Zij is vlugzout der aarde…

De Koningen keerden via een andere weg terug. 40 jaar geleden was er in Boxtel en werkgroep toekomst. Hebben wij een werkgroep toekomst? Willen we echt langzaam sterven, of met anderen samen het vlugzout der aarde zijn, oud en wijs als we zijn? Durven we te vertrouwen?

De Wijzen keerden via een andere weg terug, ze werden letterlijk bekeerd van hun doodlopende weg. Laten wij dat ook doen, via een andere, duurzame weg terugkeren naar onze doodlopende wereld en haar alsnog redden. En wie weet, in het klein beginnen met een uitnodiging aan broeders en zusters uit Sheba om nog eens te komen praten?

Om mensen gaat het immers, dat ze tot hun recht komen…

Amen…

 

Peer Boselie

 


OVERWEGING Kerstavond 24 december 2019

Jesaja 9, 1-3.5-6; Lucas 2, 1-14

We hebben op deze avond gewacht.

Een avond met mysterie en magie; met een openbarstende nachthemel waar licht en engelen uit tuimelen; met verbaasde herders; en een goddelijk kind in een tochtige stal.

Over de velden klinkt een lied van vrede op aarde.

Vier kaarsen lang hebben we gewacht, soms in de stilte, met de ogen van een kind; vaak wat gejaagd, in  drukke  straten en uitpuilende  winkels vol liedjes met sneeuw, rendieren en kerstbellen.

We hebben gewacht. Maar waarop? Waarop hebben we gewacht?

Er zitten barstjes in de vertrouwde magie van deze avond; ze kraakt en bladdert af.

De hollebolle Kerstman wint snel terrein op het Kind van Bethlehem.

De stervenskoude Kerstnacht vol heldere sterren heeft plaatsgemaakt voor de vaak regenachtige Kerstavond.

De kerken zijn niet meer stampvol; ook als je wat te laat komt is er nog plaats genoeg.

Maar wij zijn hier. Vergeet dat niet: wij zijn hier. U. Ik. Waarom?

Wat verwachten we? Waar hebben we op gewacht? Wat bracht ons hier?

Een oud verlangen? Naar wat?

Nieuwsgierigheid? Naar wat?

Misschien wel naar die vrede op aarde, hoe die er uit kan zien.

Het lied dat in de Kerstnacht klonk, het lied dat de engelen in het verhaal zongen, het lied van Vrede op aarde aan mensen van goede wil is boven alle eeuwen blijven zingen, als een hartenwens, een hartenkreet; een diep, onmogelijk verlangen.

Het lied van Vrede op aarde is als een oerverlangen blijven klinken, zelfs in jaren van onbarmhartigheid; tot in de loopgraven.

Ja, vrede; raakt dat niet het hart van onze verwachting? Nu, misschien nu, eindelijk nu vrede op aarde? Vrede, al is het maar zò’n beetje.

Want bij kaarslicht, engelenzang, eeuwenoude teksten vol belofte, de ster boven de stal, is het of de vrede jou even aanraakt.

Bij het horen en zingen van Stille Nacht kun je niet aan oorlog denken.

Bij een pasgeboren kind kun je niet aan oorlog denken.

Of is dat een leugen?

Geheel ongelegen en wellicht ongepast voor dit moment heb ik op mijn netvlies die nieuwsfoto van vier jaar geleden: van dat Koerdisch-Syrisch jongetje van anderhalf, dood aangespoeld op een Turks strand. Het Jezuskind?

En ik weet, het Kerstverhaal van Lucas eindigt met de kindermoord op bevel van Herodes. En met drie vluchtelingen op weg naar Egypte: Jozef, Maria en hun kind.

Het Kerstverhaal liegt niet. Liegt niet over de pijn en onvrede in de wereld.

U weet het. Ik weet het.

We geloven niet in sprookjes.

We weten van oorlog, geweld en haat op zoveel plekken en in zoveel landen.

Onvrede ook in ons eigen land. We zien dagelijks de beelden. De bewijzen.

(Kennelijk om de Kerstsfeer niet te bederven is uit de eerste lezing de zin weggelaten waarin Jesaja spreekt over dreunend stampende laarzen en mantels waar bloed aan kleeft.)

Vrede is geen geschenk uit de hemel, hoe mooi de engelen ook zingen.

Vrede moeten we zelf zoeken, zelf maken.

‘Vredevorst noemt Jesaja het nieuwgeboren koningskind uit het huis van David.

De herders blijven niet nagenieten in het veld bij hun getelde schaapjes; ze nemen initiatief,  springen overeind; gaan zoeken: ‘Kom, we gaan naar Bethlehem.’

De Drie Wijzen zullen het vertrouwde verlaten en op reis gaan, een ster achterna.

Vrede vindt wie vrede zoekt.

Vrede vindt wie vrede maakt.

Niet wie bij zijn schaapjes en de pakken neer blijft zitten zal het koningskind in de stal, de Vorst van Vrede, vinden.

Daarvoor moet je op stap gaan. Initiatief nemen. Een weg zoeken.

Je eigen mogelijkheden aanspreken:

In eigen kring: waar onmin of onverzoenlijkheid heerst.

In eigen buurt: waar ruzie is of mensen buitengesloten worden.

In eigen land: door naar vermogen bij te dragen een rechtvaardige beslissingen.

Wereldwijd: door solidariteit in gedachten, woorden en daden met de slachtoffers van oorlog.

Vrede maken is mensenwerk. Krijg je niet cadeau.

Vrede op aarde wordt gemaakt door mensen van goede wil. Mensen met durf en daadkracht.

Zeg nooit ‘ik ben te oud’ zolang je woorden hebt. Woorden kunnen vrede stichten.

Zeg nooit ‘ik ben te zwak’ zolang je tot liefde in staat bent. Liefde is vrede.

Wie de wil tot vrede tot kompas maakt, bouwt in zichzelf de stal waarin het kind Jezus, Zoon van God, geboren wordt.

In haar of hem, in jou en mij kan het Woord van God mens worden.

Geen profeet, maar een dichter, Harriët Laurey:

[…]

Wij hoeven enkel maar op weg te gaan,

en weg van wat wij kozen en verloren.

Van elke stap sneeuwt Gij de diepe sporen

wel toe, tot waar Gij Godd’lijk ligt geboren

en schreiend maakt ons schreien ongedaan.

[…]

Misschien dat het vannacht gebeuren zal,

en dan voorgoed: een kleine kindervrede.

Het Enig Woord, de wereld overredend.[…]

 

Meindert Muller

 


TER OVERWEGING 21 en 22 dec. 2019             Jes. 7, 10-14   Mt. 1, 18-24

4e zondag Advent A                               Thema:         De droom van Jozef         

  

Twee personen springen eruit in de teksten van dit weekend. Achaz en Jozef. Ze ontmoeten elkaar niet. Ze leven immers niet in dezelfde tijd. Maar bij ons staan ze als het ware naast elkaar. De evangelist Matteüs heeft daarvoor gezorgd door Jesaja te citeren in zijn verhaal. We horen dat straks… Wat zijn het voor mensen?

Achaz is koning. Jesaja vertelt over hem. Een ingewikkeld verhaal… en ik denk dat het te ver voert om het helemaal uit te leggen. Maar het komt erop neer dat Achaz geen vertrouwen heeft in God. Hij moet kiezen hoe hij omgaat met de dreiging van de omliggende volkeren en trekt liever zijn eigen plan dan dat hij de Heer om een teken vraagt. En toch komt er dan van Godswege een teken. Er gaat een kind geboren worden dat de naam Immanuël zal krijgen. ‘God met ons’ betekent dat en dat is ook precies wat geconcludeerd mag worden: God zal zijn volk in de moeilijke jaren die komen toch niet in de steek laten… En dat is weer meteen de reden dat Matteüs op deze Immanuël-tekst verder borduurt. Wat er ook gebeurt: in de tijd van Jesaja en Achaz, in de tijd van Jezus, God wil met de mensen zijn. Een kind is daarvan het teken!

En dan Jozef. In onze kerststalletjes staat hij trouw naast Maria bij de kribbe met het kindje. Maar helemaal vanzelfsprekend is dat niet. Jozef heeft een dilemma. Hij begrijpt dat Maria zwanger is. Maar niet van hem. En hij wil Maria niet publiekelijk te schande maken, dus dan zou hij het beste in stilte van haar kunnen scheiden. Maar dat is nou net niet de bedoeling van de schrijver van het evangelie… Matteüs schrijft het geboorteverhaal van Jezus om de afkomst en het belang van Jezus duidelijk te maken… De Messias zou in het huis van David geboren worden. Jozef, die van David afstamt, moet daarom degene worden die als vader Jezus zijn naam geeft. En tegelijkertijd geeft Matteüs Jezus een heel bijzondere achtergrond door niet Jozef maar de Heilige Geest als verwekker in het verhaal op te nemen. Bijzondere en belangrijke mensen zoals Jezus vragen om een heel speciaal geboorteverhaal, zo vindt Matteüs, die dit pas vele jaren na de kruisiging van Jezus schrijft.

We verplaatsen ons weer in Jozef, die als rechtschapen man in deze situatie in stilte van Maria wil scheiden. Om dit nu te voorkomen vertelt Matteüs ons dat Jozef droomt. In die droom komt een engel hem vertellen dat het kindje dat Maria krijgt van de Heilige Geest is en dat hij, Jozef, hem de naam Jezus moet geven. Een engel… Waar een engel voorkomt is God heel nabij. Het is voor Jozef genoeg. En zo heeft Matteüs het verhaal rond op een manier die helemaal past bij wat er bij de profeet Jesaja wordt verteld… Voor Matteüs is Jezus als de Immanuël die bij Jesaja wordt genoemd. Want als volgeling van Jezus, jaren na zijn dood, is Matteüs er volledig van overtuigd dat God redt, dat God met ons is, in de persoon en idealen van Jezus en dat wil hij door dit geboorteverhaal zijn lezers meegeven. Wie is Jozef in dit verhaal dan nu? In tegenstelling tot Achaz is hij een man die volledig op God vertrouwt in de vreemde situatie waarin hij is terechtgekomen. En hij voegt zich gehoorzaam naar het plan dat God met hem heeft.

En wij? Hoe is het met ons vertrouwen? Vertrouwen op God zoals Jozef… Wat houdt dat in? In onze wereld vertrouwden we lang op de maakbaarheid van de samenleving, op zelfredzaamheid van burgers. Soms bewust of onbewust ten koste van onze leefomgeving en het welzijn van mensen. Nu is het vertrouwen in de maatschappij, in de overheid en in elkaar niet meer zo groot lijkt het wel. Er zijn veel tegenstellingen rond grote thema’s. Er zijn demonstraties en blokkades. Omstreden maatregelen. Ontevreden burgers. En hoe kan God, kan Jezus, dan in al onze maatschappelijke en persoonlijke problemen onze redder zijn?

God werkt niet met macht en geweld maar vanuit verlangens en dromen, vanuit het kleine en kwetsbare… Hij wijst op een andere manier de weg… Hij wil ons redden van alles waarmee we elkaar kwetsen, benadelen of vernederen. Staan we daarvoor open? Zijn we als Achaz of als Jozef? Willen wij de tekenen zien? Misschien krijgen we een ander zicht op de werkelijkheid als we in onszelf keren… Misschien zien we juist wat we moeten doen als we echt kijken naar wat er in de wereld aan de hand is… Misschien zijn er andere manieren van denken die de economische en de technische van onze tijd aanvullen. Manieren van denken en doen die mensen met elkaar en met alles wat er geschapen is verbinden…

Ook hier, in deze tijd, zal het kind geboren worden. In ons... In ons hart… De Immanuël, ‘God met ons’. Durven wij daarop te vertrouwen?

 

Elly Bus-Linssen

 


Overweging 14 en 15 december

 

We horen het zo vaak: Heb er maar vertrouwen in, dat het goed komt.                                              Of zoals ze dat in Zitterd zeggen: ’t kump wal goot.

Het is een vorm van berusting, je hebt namelijk geen zekerheid dat het goed komt. Je weet het pas als alles achter de rug is. In de eerste lezing hoorden we daar al over. Pas als de regen gevallen is weet de boer of zijn zaaigoed wortel schiet en de opbrengst voldoende is.

We zijn gewend aan zekerheden, alles moet goed geregeld zijn. Je gezondheid, je financiële situatie, kortom de verzorgingsstaat moet op orde zijn.

Maar o jee als het aan alle kanten begint te rammelen, als het artsenbezoek toe neemt , het pensioen al jaren niet verhoogd is, of sterker nog, inlevering van pensioen , opvang als je hulpbehoevend wordt is er niet of maar minimaal, eenzaamheid neemt toe, omdat er steeds meer mensen om je heen wegvallen.

En dan staat hier op de muur :  “durf te vertrouwen”

Op wie? De overheid, de naasten, de buren, de artsen, onze geloofsgemeenschap, vrienden. Kun je dan nog wel denken, “ ’t kump wal goot”    

Volgens de encyclopedie is “Heb vertrouwen” het geloof hebben in iemands eerlijkheid, dat je op iemand kunt rekenen.

Het is een vorm van solidariteit met elkaar.

Nou leven wij in een land waar we onze stem kunnen verheffen, een geel hesje aantrekken of met de tractor het Malieveld op gaan. Maar wat als je die mogelijkheid niet hebt, als je protest wordt neergeslagen met geweld of er gemanipuleerd wordt met je eigendommen.

Kijk naar Hongkong, Iran, China, midden en zuid Amerika, Afrika, Libanon en u kunt vast nog meer landen opnoemen.  

Wij kunnen naar de rechter stappen of hebben de mogelijkheid een andere regering te kiezen. In de landen met repressieve regeringen is dat niet mogelijk.

Gelukkig zijn er organisaties die de mensen in die landen steunen en de weg wijzen naar een meer eerlijke behandeling.

In 1969 werd Solidaridad opgericht door katholieke bisschoppen in Nederland om door middel van een Advent-campagne ontwikkelingshulp te bieden aan Latijns-Amerika. Het hoofddoel is: Het bevorderen van een betere economische situatie voor arme boeren in ontwikkelingslanden. Dit gebeurt door middel van bewustwording van consumenten. Fairtrade is een van de kernstrategieën wereldwijd.

Nu 50 jaar later is dit nog steeds van belang. De oprichting van fairtrade gecertificeerde koffie in Nederland heeft geholpen aan een fairtrade mondiale beweging.

De gemeente Sittard – Geleen heeft in 2010 de titel “Faitrade gemeente”ontvangen. Onze kerk was, samen met de Johanneskerk, de eerste Fairtradekerk van Nederland. Met ingang van 2019 heeft de Gemeente Sittard-Geleen echter alle subsidie en medewerking stop gezet om als Fairtrade gemeente door te gaan. Dit is voor de werkgroep en de deelnemers die zich hebben ingezet voor deze titel een teleurstelling.  Hoe zo, durf te vertrouwen?

We zijn met enkele oprichters van de fairtrade gemeente in gesprek met de Gemeente hier over. Wij houden u op de hoogte. 

En wat heeft SOLIDARIDAD hier mee te maken?

Solidaridad blijft zich inzetten voor eerlijk werk. Zo ook dit jaar voor de kledingindustrie in Ethiopië  zowel in het productieproces als ook in de maakindustrie zelf. Lage lonen, slechte arbeidsomstandigheden, lange werkdagen intimidaties en sexueel geweld zijn zaken waar Solidaridad arbeiders helpt om in een eerlijke en veilige leefomstandigheid te werken.

Bent u geïnteresseerd in het werk van Solidaridad, neem dan een folder mee. Die achter in de kerk op de tafels ligt.

De mensen in Ethiopië hebben het volste vertrouwen in u.

In beide lezingen van vandaag wordt een beroep gedaan aan geduld en vertrouwen. Maar het geduld is af en toe op en het vertrouwen neemt af.

Geert Mak schreef in zijn boek “De goede stad” : Vertrouwen is een wisselwerking. Van beneden naar boven, maar net zo goed van boven naar beneden. Wie durft te vertrouwen verwerft gezag. Wie gezag heeft, krijgt vertrouwen. De wereld is gecompliceerd, maar dit soort zaken blijft vrij simpel.

Maar is het wel zo simpel?

Het bisdom schrapt de diaconale zorg, wat toch een belangrijke pijler van het Christendom is. Het zou een puur economische maatregel zijn. Men vindt dat de gemeenschap dat maar zelf moet oplossen. Is dan alles wat we voor onze naasten doen ondergeschikt aan de regels en dogma’s van het instituut  kerk? Is macht in deze een voortvloeisel van vertrouwen? Wanneer trekken wij de gele hesjes aan om te protesteren? Inmiddels hebben we van uit de werkgroep Diaconie al een brief gestuurd naar de nieuwe bisschop. We maken ons ernstig zorgen over deze ontwikkeling.

De hulsttak symboliseert vreugde en licht. Het is tenslotte Gaudete zondag.

De uitgestoken hand van God wordt door Adam in het volste vertrouwen aangenomen.

Moeten we ons dan toch maar niet door de sombere kant van ons vertrouwen laten leiden, maar optimistisch blijven hopen op het licht.

In de voorbereiding op kerstmis willen we dit licht verder uitdragen en in Hem vertrouwen dat het goed komt.

 

’t Kump wal goot.   

 

Jan Wetzeler

 


OVERWEGING tweede zondag van de Advent, 7 en 8 december 2019. Lezingen; Jesaja 11,1 – 10; Mattheus 3, 1 – 12

INLEIDING

Wij leven naar Kerstmis toe, een tijd van hoop en verwachting. De nachten worden steeds langer, wij hopen op de ommekeer, de komst van het licht. In de liturgie en met name in de lezingen krijgen wij daar inspiratie toe aangereikt, en hopelijk ook een beetje meer vertrouwen.

“Durf te vertrouwen’, dat is het jaarmotto dat we hebben gekozen en dat als een rode draad door onze vieringen zal gaan. Met daarbij dat prachtige fragment uit het Scheppingsverhaal, zoals geschilderd door Michelangelo. Het is de verbeelding van de verhouding tussen God en mens; zij reiken naar elkaar en je kunt dit lezen als een aanmoediging tot dat durven vertrouwen. De lezingen van vandaag sporen ons daartoe aan, en reiken beelden aan om te werken aan vrede en bloei.

De eerste lezing is een van de mooiste uit het eerste of oude testament. De profeet Jesaja kijkt over de wereld van zijn dagen heen en voorziet zo’n toekomst van vrede en bloei. Daarin speelt een mens de hoofdrol; hij zal, vervult van de goede geest die vrede en die bloei naderbij brengen. In die mens wordt de Messias gezien en verhoopt, de langverwachte, die dit zal bewerken. Maar aan het begin van de lezing wordt alleen gesproken over een ‘twijg’, het nederige begin van een boom.  Vandaag verbeelden we dat struikje in een ander kruid, de rozemarijnstruik. Ik kom daar straks op terug.

In het evangelie zien we Johannes de Doper aan het werk. Een vertrouwde figuur, met zijn sobere uitrusting en zijn oproep tot bekering. En natuurlijk zijn harde woorden aan zijn tijdgenoten. Voorloper, wegbereider voor de Messias, die christenen in Jezus herkennen. Hij  is de Christos, de Gezalfde.  Maar wat betekent die oproep tot bekering? Waar leidt deze toe?

Vragen, waarop we eerst de Schrift zelf aan het woord laten, en er straks over na willen denken. Dat de Geest van wijsheid ons mag bijlichten op ons levenspad, zo bidden en zingen wij aan het begin.


OVERWEGING

Een week terug was ik op een bijeenkomst, waarin professionele werkers met elkaar spraken over het bijstaan van mensen die in een situatie van rouw en verlies zijn gekomen. Er werden verhalen verteld, ervaringen gedeeld, manieren van begeleiden, zienswijzen, noem maar op. Het is indrukwekkend om mee te maken, hoeveel mensen zich op dit terrein voor mensen inzetten.

Een van die verhalen is mij bijzonder bijgebleven. Een mevrouw had helemaal uitgebeeld, wat mensen overkomt als ze in een situatie van verlies en rouw zijn gekomen. Ze had een aantal voorwerpen gemaakt die ze op een tafel zette. Centraal stond een bootje. Kijk, zei ze, dat ben jij. Jij zit in een boot midden op zee, en jij bent de kapitein. En je wilt varen, want jij hebt een droom. En ze plaatste een soort van vuurtoren aan einde van die denkbeeldige zee om die droom te laten zien. Maar je hebt een groot probleem om daar te komen. In die zee van het leven zijn er allerlei krachten, die je van het doel afhouden. En de boot van de koers af dreigen te houden. Aan de ene kant wordt je vastgehouden door de situatie, waarin je verkeert. Je tobt over wat je is overkomen. Aan de andere kant wil je vaart maken; je leven gaat immers verder, ondanks alles wat je meemaakt.

Ik vond en vind dat een treffend beeld van wat u en ik meemaken. Persoonlijk, als we een moeilijke situatie in ons leven meemaken. Dan beuken er allerlei krachten op ons bootje, die het uit koers proberen te krijgen. Maar ook als meelevend met deze gemeenschap, als burger in de maatschappij herken ik dit beeld. Er werken allerlei krachten in op de manier waarop ik koers probeer te houden, en de draaikolken van onverschilligheid of afkeer wil vermijden. En dan is de Advent weer een goede tijd om naar binnen te keren, en mezelf – midden op zee – af te vragen: wat is mijn droom?

Het is misschien vreemd, dit met het optreden van Johannes de Doper te verbinden. Hij is voor ons misschien een raadselachtig figuur, die met zijn kleding en gedrag – met een menu van sprinkhanen en wilde honing - eerder afstoot dan herkenning oproept.  Jezus, die in zijn voetspoor treedt, en waarvan we later horen dat hij gedoopt zal worden te midden van de volgelingen van Johannes, lijkt een zoveel lieflijker en aantrekkelijker figuur, zo iemand die helemaal bij de eerste lezing past. Maar toch zijn er veel overeenkomsten bij hun optredens. Beiden roepen op dezelfde manier op tot bekering. Het is hun eerste woord: “Bekeer je, want het Rijk Gods (of: het Rijk der hemelen) is nabij”.

Het is de moeite waard om over die oproep even na te denken. Met het voorbeeld van de droom voor ogen kun je jezelf afvragen, wat dit betekent.  Bekering, is dat een manier om die droom weer in het vizier te krijgen, en te midden van de draaikolken van het leven koers te bepalen?  Maar daarvoor moet je goed verstaan, wat hier met bekering wordt bedoeld. Daar staat eigenlijk: keer je om, kies een andere blikrichting in je leven, die recht doet aan Gods bedoeling met ons. Een droom waarvan je niet weet, of die uit zal komen.. Maar waarop je wel kunt vertrouwen. De Advent is een goede tijd om als gelovigen wat scherper te leren kijken.

De schriftlezingen van vandaag kunnen ons bij die blikrichting wat helpen. De eerste is het steeds beter zien van het onderscheid tussen wat gerechtigheid is en wat niet. Recht en gerechtigheid zijn hele grote begrippen, die vaak verkrummelen onder onze handen en in de dagelijkse praktijk. U kent genoeg voorbeelden: wat als…. Dan…  De lezingen geven hier een hoofdlijn. Jesaja zegt het heel duidelijk: ‘De kleinen zal hij recht verschaffen, een eerlijk vonnis spreken over de geringsten der aarde, maar de uitbuiter zal hij geselen met de striemen met de gesel van zijn mond’. Heldere taal; die blikrichting maakt het mogelijk onderscheid te maken, en – in de wirwar van de gebeurtenissen van deze tijd – aan te voelen wat recht is en wat niet. Of liever: aan wie recht gedaan wordt en aan wie niet. En in dezelfde sfeer zegt Johannes tot zijn volgelingen, dat ze vruchten moeten voortbrengen, die passen bij die ommekeer. Vroomheid en traditie zijn niet genoeg,  het gaat om een houding en een praktijk, die past bij het opkomen voor de kleinen.

Natuurlijk hebben we dat vaker gehoord en bezongen, en ieder van ons zal er op zijn of haar manier in investeren. Maar is het allemaal de moeite waard, al die inspanningen om koers te bepalen en te houden?  De mevrouw van het bootje had een prachtig hulpmiddel bedacht; zij gaf ons als kapitein twee peddels om vooruit te komen.  Peddels, die moed en vertrouwen verbeelden. En ik verbind die nu met de peddels, die de profeet Jesaja ons aanreikt. Het is niet voor niets dat Jesaja een profeet van hoop en troost wordt genoemd in donkere dagen. Geloven zien in het soms aardedonker anders, zij leven in de ad-vent, de toekomende tijd. Want hij reikt ons beelden aan van de messiaanse figuur, die niet alleen een oordeel uitspreekt, maar ook een visioen van vrede en bloei met zich meebrengt.  Het visioen van vrede en bloei, die als peddels op onze boot helpen om koers te houden,waarmee we kunnen roeien, en de droom in ieder geval een klein stukje dichterbij brengen.

Ja, dat visioen van vrede. Dieren met elkaar in harmonie, de wolf en het lam, de slang en het kind – hoe naïef wil je het hebben?  Het herinnert mij in ieder geval aan dat mooie kerstlied, die evergreen: ‘Vrede was het overal, wilde dieren kwamen, bij de schapen in de stal, en zij speelden samen’. De natuur in harmonie, de mens in vrede met zichzelf. Het kerstliedje is naïef, en we blijven het zingen. En hoe actueel wil je het hebben, met die nieuwe worsteling om de mens en het milieu opnieuw in evenwicht te krijgen. Wat moet je doen, wat moet je laten? Wat is recht, en wat is onrecht?

En dan die twijg, waaruit die messiaanse figuur ontspruit. U zult het misschien wel eens gezien hebben op een afbeelding in een kerk; de boom van Jesse, de mythische voorvader van David, uit wiens buik zo’n boom ontspruit, met takken, waarop de koningen en profeten zitten, en waar uiteindelijk Maria uit geboren wordt, als een nieuwe geboorte, waarvan we toevallig ook vandaag het feest van haar verwekking vieren. De gedachte achter dat twijgje is, dat de oude boom van de aartsvaders is omgehakt, en dat er iets totaal nieuws ontstaat. Ook hier een kerstliedje, dat door mijn hoofd gaat: “Er is een roos ontsprongen, uit ene wortelstam; die lijk d’ouden zongen, uit Jesse het leven nam”. Dat gaat hierover; uit een twijg ontstaat onverwacht en verrassend nieuw leven

In onze Adventversiering hebben we die nederige twijgjes een prominente plaats gegeven. Ze zijn te vinden in onze tuinen, en ze zorgen voor versiering, voor smaak, kleur en geur. Vorige week was dat de klimop, die staat voor trouw en vertrouwen. Vandaag aangevuld met de rozemarijn, die in spirituele zin verwijst naar geboorte. Maar ook – zo vond ik in andere bronnen - symbool staat voor geheugen, vriendschap en trouw. En dat is precies wat de beelden uit de Schriftlezingen ons bieden;

 Het zijn die beelden, en de twijgjes aan boord van onze boot, die ons  gaande houden op de levenszee naar Kerstmis. Het visioen van vrede, dat om onderscheidingsvermogen vraagt. Nieuwe bloei, die – zo weten de tuinliefhebbers – begint bij het kleine, het geringe twijgje van klimop en rozemarijn. In de droom om recht en gerechtigheid zijn wij erfgenamen van de messiaanse figuur, investeren in de toekomst, met open handen. En bidden wij om de geest van wijsheid, verstand en uithoudingsvermogen. Dat wij met de peddels van vrede en bloei op onze levenszee richting mogen  koersen naar een wereld van recht en gerechtigheid.

REN LANTMAN

 


Preek weekeinde 23 en 24 november 2019-11-23 Christus Koningfeest

Kolossen 1, 12-20; Lucas 23, 35-43

Ik begin vandaag eens met uit de school te klappen. Dan weet je als predikant dat je meteen alle aandacht hebt. Ik hoop wel dat we het onder ons kunnen houden. Het is namelijk zo dat het feest van Christus Koning niet erg populair is onder de predikanten. Want wat moet je vandaag de dag nog met zo’n feest? Een feest dat, zo leer ik van Wikipedia, ‘in 1925 [werd} ingesteld door paus Pius XI, naar aanleiding van de 1600-jarige viering van het Concilie van Nicaea, om tegen het laïcisme [zeg scheiding van kerk en staat, secularisatie] en atheïsme nadruk te leggen op de allesomvattende betekenis van het koningschap van Christus over de mens en de wereld.’ De volle naam van het feest – een hoogfeest – luidt Christus Koning van het Heelal.

Misschien vermoedt u al waar bij ons predikanten de aarzeling zit om ja te zeggen op de vraag wie op Christus Koning wil preken? De triomfalistische agenda en het heimwee naar een machtige kerk die je erin mag vermoeden; de bijklank van trompetgeschal en de taal van de macht. Vloekt dat niet met de Christus die geboren werd in een stal, geen steen had om zijn hoofd op neer te leggen en stierf aan het kruis? Hoe past dat koningschap over het heelal in de lente van paus Franciscus, die zijn kerk een kerk van de armen wil laten zijn?

Maar als we zo denken – politiek correct en kort door de bocht vanuit de tijdgeest van nu – missen we dan niet de boot? Missen we dan niet de clou van Jezus’ boodschap? De omkering van alle waarden waartoe hij ons uitdaagt? Misschien is het beter naar Jezus zelf te luisteren dan naar Pius XI of naar onze progressieve tegenzin. Op diens vraag of hij de koning van de joden is, antwoordt Jezus Pilatus: ‘“Mijn koningschap is niet van deze wereld. Zou mijn koningschap van deze wereld zijn dan zouden mijn dienaars er wel voor gestreden hebben dat Ik niet aan de Joden werd uitgeleverd. Mijn koningschap is evenwel niet van hier.” Pilatus hernam: ‘“Gij zijt dus toch koning?” Jezus antwoordde: “Ja, koning ben Ik. Hiertoe werd Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen om getuigenis af te leggen van de waarheid. Alwie uit de waarheid is luistert naar mijn stem.”’

Het feest van vandaag vraagt ons niet naar onze mening over zin van het koningschap in deze tijd, maar vraagt ons om te luisteren naar een man met een bebloede koningsmantel, een koning met een doornenkroon. Vraagt of wij oog hebben voor dat andere koningschap van Christus. Vraagt of wij de waarheid willen weten omtrent het koning-zijn van een veroordeelde, bespotte en gekruisigde Christus. Het koningschap waarom hij veroordeeld werd tot de kruisdood. De aanklacht tegen hem stond boven zijn hoofd op het kruishout gekalkt: “Koning van de joden”. Geen koning die oordelen en veroordelingen uitspreekt, geen koning die heerst. Maar een die, ter dood veroordeeld en stervend aan een kruis, een ultiem koninklijk gebaar maakt naar een gekruisigde misdadiger naast hem en hem belooft samen met hem als eerste de heerlijkheid van zijn rijk binnen te gaan. Jezus’ koninkrijk is deze wereld omgekeerd.

In de brief die Paulus schreef aan Jezus’ volgelingen in Kolosse, een stad in het huidige Turkije, lazen we: ‘Hij [de Vader] heeft ons ontrukt aan het domein van de duisternis en overgebracht naar het koninkrijk van zijn geliefde Zoon.’ Dat lees ik ook als een realiteit en toekomstbeeld voor ons hier in deze kerk. En het is een teken van dat koninkrijk – dat domein van het licht, die omgekeerde wereld – : dat een ter dood veroordeelde, door Jezus tot zijn recht gekomen crimineel van ons allen de eerste was. Hand in hand met Jezus Christus – zijn zonden vergeven, verzekerd van zijn bevrijding – is deze getekende als eerste van ons allen burger geworden van Christus’ koninkrijk. De laatsten de eersten; de minsten de beste plaatsen.

Christus Koning. Een mooi feest dat raakt aan het hart van Christus missie in onze wereld. Het feest van een koning die niet kwam om te heersen, maar om te dienen. Ja, het feest van de Koning van het Heelal die geen steen had om zijn hoofd op neer te leggen. Die zijn vrienden de voeten wast. Een andere koning. Zo’n koning. Wat een prachtig visioen. Hoewel, visioen? Jezus noemt het “waarheid”. Durven wij ons partners maken in die waarheid?

‘Om mensen gaat het; dat ze tot hun recht komen’ – zouden we dat motto van onze parochie vandaag niet aan Jezus kunnen aanbieden, als wapenspreuk van zijn domein van licht? Omdat die spreuk, ons motto, deel uitmaakt van het visioen. Omdat het onze waarheid, waarin Jezus’ waarheid herkennen. Onze waarheid waarin we zijn evangelie van dienstbaarheid én fierheid én naastenliefde verwoorden. Onze waarheid die we van dag tot dag met vallen en opstaan proberen waar te maken.

 

Meindert Muller

 


OVERWEGING ALLERZIELEN 2019 3 november 2019

En dan, dan wordt alles anders…

samen, samen is niet meer.

Je partner, kind, ouder, vriendin

zo vanzelfsprekend in jouw bestaan aanwezig

is niet meer.

Het leven valt stil.

De wereld draait door.

En niets is nog wat het lijkt.

De leegte van een huis

waarin bijna elk gewoon voorwerp

ineens een teken van afwezigheid is geworden,’

zoals Marjoleine de Vos schrijft.

Je herkent jezelf niet meer.

Het verlies dringt door in élk levensgebied.

Het lijkt bizar.

De dode blijkt nooit zó intens aanwezig geweest als juist nú,

nu je haar blik niet meer vangen kunt in een woordeloos gesprek,

zijn stem nooit meer horen zult.

Nooit meer...

En dan,’ dan komt dat averechts weefgetouw van de rouw op gang,

dat draad voor draad de doden uit ons losmaakt,

om ze vervolgens, op een andere manier

weer met ons te verknopen’.

Een prachtig, troostvol beeld dat schrijver Erwin Mortier

de rouwende mens aanreikt.

Het weefgetouw van de rouw…

Traag, moeizaam, draad voor draad,

hoeveel tijd dat niet vraagt

losmaken

en sommige draden wíllen niet los,

pijn, loslaten,

maar niet om te vergeten, niet om af te sluiten.

Afval kun je verwerken, verlies niet’ zegt Marinus van den Berg.

Nee, losmaken, om opnieuw verknoopt te raken,

langzaam, op een andere wijze dan vroeger:

de dode geliefde weven in je bestaan dat verder gaat.

In een  weefwerk dat nooit af raakt.

Dag na dag Week na week maand na maand Jaar na jaar nieuwe kleurschakeringen, een andere structuur.

De jongeling in het lege graf stuurt de vrouwen naar Galilea,

daar waar ze wonen en werken, dáár zullen ze Jezus vinden.

Door zijn goede voorbeeld na te volgen,

in het verhaal dat ze over hem blijven vertellen,

het verhaal van een levende.

Moge dat ook óns gegeven zijn.

 


TER OVERWEGING 16 / 17 nov. 2019               diaconieweekend   

Thema: Ontmoeten           Hnd. 4, 32-35  Lc. 6, 36-38

Het diaconieweekend… Zo hebben we het weekend 16/17 november genoemd. Jaarlijks vestigt de stuurgroep diaconie van onze parochie ergens in november in onze weekendvieringen de aandacht op een diaconaal thema. Dit jaar plaatsen we in dat kader ons eigen ontmoetingscentrum het Kruispunt in het middelpunt, vanwege het 10-jarig bestaan ervan dat in het voorjaar in het Kruispunt zelf al gevierd is.

‘Het woord ‘diaconie’ komt van het Griekse diakonia en betekent dienst. Vanaf het allereerste begin heeft de Kerk de dienst aan de naaste als een van haar belangrijkste taken gezien. In het diaconaat geeft de Kerk handen en voeten aan Gods bedoeling te werken aan een rechtvaardige wereld, waarin ieder mens tot zijn recht komt’, zo staat geschreven op de officiële website van de Rooms-Katholieke kerk in Nederland.

In de eerste lezing die we gekozen hebben in dit weekend komt dit helemaal terug: De menigte die het geloof had aangenomen, was een van hart en een van ziel en er was niemand die iets van zijn bezittingen zijn eigendom noemde; integendeel zij bezaten alles gemeenschappelijk.’ en ‘Aan ieder werd daarvan uitgedeeld naar zijn behoefte.’ En in het evangelie: ‘Weest barmhartig, zoals uw Vader barmhartig is.’

Dat ideaal – hoewel moeilijk te verwezenlijken - onderschrijven wij in deze parochie. Daarom is er in onze diensten vaker aandacht voor diaconie, en vandaag in het bijzonder voor ons eigen project het Kruispunt. Het lijkt erop dat - gezien de ontwikkelingen van de laatste tijd - in het bisdom dit ideaal minder van belang wordt geacht. Om het maar duidelijk te zeggen: het ontslag van de medewerkers bij de Dienst Kerk- en Samenleving vanwege noodzakelijke bezuinigingen – u hebt erover kunnen lezen in de krant of van gehoord via de radio of tv – dat ontslag vind ik en vinden velen met mij dan ook een onbegrijpelijke keuze. Gelukkig kunnen - en willen we ook - als parochie zelf, binnen onze mogelijkheden, diaconaal bezig zijn, omdat ‘het om mensen gaat, dat ze tot hun recht komen’... Naast het Kruispunt kunt u bij wat onze diaconiegroep voorstaat denken aan de actie voor de Voedselbank die volgende week weer start, aan de kledinginzameling voor de Éngele, aan HiP, aan onze aandacht voor projecten in andere landen.

Ontmoeten… Dat is het thema… Ontmoeten is voor elk mens van wezenlijk belang. Gezien worden, een mens tegenkomen met wie je kunt praten en iets kunt delen. Dat in ieder geval. En soms gaat het verder… ‘Ik word door het gelaat van de ander uitgenodigd om mij in te zetten - ik word, sterk gezegd, uitverkoren tot en belast met verantwoordelijkheid, met een taak tot zorg’ aldus een artikel over het gedachtegoed van de filosoof Emmanuel Levinas. Dat is waar zorgen voor de ander begint. In de ontmoeting met een ander mens. Iemand die je in de ogen kijkt en waarmee een contact ontstaat.

Wat er in het Kruispunt gebeurt staat in dezelfde lijn. Ik hoor gasten vertellen over:

-dat je welkom bent, elke week weer, het hele jaar door

-dat het altijd gezellig is

-dat iemand die regelmatig komt, maar dan een tijdje niet, ook wordt gemist, omdat er betrokkenheid is tussen de gasten

-dat een luisterend oor zo fijn is

-dat zelf kletsen met iemand echt iets toevoegt als je je eigen stem die dag nog niet hebt gehoord.

En iemand zei: “Al gaat de kerk ooit dicht, als het Kruispunt dan maar blijft bestaan.”

Waar gaat het om als je christen bent? Dat je niet onverschillig voorbij gaat maar geraakt worden door hoe het met mensen gaat. Dat je niet onbewogen blijft maar mensen echt ziet.

En wat is dan de betekenis van het Kruispunt? Ontmoeting! Mensen tegenkomen is een zeer wezenlijk iets, een belang op zich. Misschien is God wel juist daar aanwezig waar mensen elkaar in alle kwetsbaarheid ontmoeten.

Elly Bus-Linssen

 


Getuigenis: Sterven om te leven zondag 10 nov 2019

Elke mens moet sterven. En dat sterven is omweven met veel ideeën in filosofie en theologie. In vielen onze voorouders terug op de zekerheid dat God het goede beloont en het kwade straft, in dit leven. Wie goed leeft, wordt oud, stamvader van veel kinderen en kleinkinderen.  Maar dat idee klopt niet. Oneindig geliefde kinderen sterven. Onschuldigen worden gemarteld. Slechteriken gaat het voor de wind. Altijd al.

In de drie eeuwen voor Christus, de tijd waarin ook het boek Makkabeeën werd geschreven, dook een nieuw denkbeeld op: dat God ná dit leven, dat soms vol onrecht en lijden is, alles zal rechtzetten. De kwade zal zijn lot niet ontlopen in een onbarmhartige hel. De goede mens zal beloond worden met een eeuwige zaligheid. En de martelaar kan in die overtuiging moedig de dood onder ogen zien, want haar of hem kan niets meer gebeuren.

Veel christenen zijn in de Romeinse tijd gemarteld en gedood in de onwankelbare zekerheid van hun eeuwige ziel. Zou Jezus ook zó gestorven zijn? Hij was immers ook martelaar voor zijn geloof…. de eerste van een lange lange reeks.

Als je op internet de tijd neemt om getuigenissen te zoeken van vervolgde christenen in onze dagen dan sta je verbijsterd. Verbijsterd over de kracht van hun geloof. Verbijsterd over de aantallen: in vijftig landen van de wereld worden in totaal 245 miljoen christenen gepest, opgejaagd, vernederd, gediscrimineerd, verkracht, ontvoerd, gemarteld, vermoord.  In het Midden Oosten, bakermat van het Christendom slinkt het aantal christenen sneller dan de ijskap…. En hun getuigenissen zijn duidelijk: God is bij mij. Ik ben in Zijn hand. Hij blijft mij trouw. Hij zal mijn leven leiden. Ik zal niet sterven, ik zal eeuwig leven…. Zouden wij dat zo ronduit durven zeggen? Zou ik er voor sterven als het moest???

Ik ben er zeer van onder de indruk en vraag me af: waarom weten we er zo weinig van, waarom heeft de pers en de politiek, met uitzondering van de Christen Unie en Martijn van Helvert, zo’n blinde vlek voor de vervolging van christenen wereldwijd? Het lijkt politiek correct alleen verontwaardigd te zijn om de vervolging van andersgelovigen…

Als martelaar vol overtuiging sterven voor God. Dat staat in groot contrast met onze Nederlandse kerk. Steeds meer mensen twijfelen… En vele anderen betwijfelen of er überhaupt een leven na de dood is. In dat steeds uitgestrektere heelal lijkt er geen plaats te zijn voor een hemel….. en hoe valt een hel te rijmen met Gods grote barmhartigheid? Heeft geloven überhaupt nog enige maatschappelijke relevantie?

Ikzelf weet het ook niet …. “we zoeken naar wat we kunnen waarnemen, maar er is heel veel waar we niets van weten…” zei Jo Salden in de voorbereiding. Een wolk van niet-weten waar je niet doorheen lijkt te komen. Wat doen we dan tóch in de kerk?

Onze liturgie lijkt meer en meer in tegenspraak met onze werkelijkheid. Of reikt ze ons een ándere werkelijkheid aan?

Afgelopen zondag was er hier een mooie Allerzielenviering. God werd aangesproken als iemand, die weet wat in mensen omgaat aan hoop en twijfel. Eerbiedig werden de namen van de overledenen genoemd, terwijl voor hen een kaars werd aangestoken met het licht van de Paaskaars. Wat doet dat goed! Er waren heel mooie liederen en gedichten en er was iemand van ons,  die weet wat het betekent om een partner te verliezen en er troostende, wijze beelden en woorden voor vond: het averechts weefgetouw van de rouw… Eigenlijk is zo’n liturgie al iets van leven na de dood….

Er was in die viering geen verlegenheid om de dood ter sprake te brengen. Geen dogma’s maar gedichten. Geen geloofsbelijdenis maar een lied: Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig…..

Opeens wist ik dít weer  met zekerheid: het is zéér belangrijk dat er een gemeenschap is, hoe klein en grijs ook, die  gastvrij ruimte biedt om samen te komen om verbondenheid te vieren of te gedenken. Dat er oude en nieuwe verhalen vertelt worden, van troost en wijsheid.

Het gaat niet om waarheid bij die verhalen en rituelen maar om diep doorleefde, verankerde gewoonten die je kunnen dragen als je zelf helemaal nérgens meer bent van verdriet: een kaars aansteken bij een kruisje, een vredeswens doorgeven, brood delen, om zegen vragen, perspectief bieden…. Mensen om je heen die wél kunnen zingen, terwijl jij het allemaal niet meer weet…. de steppe zal bloeien, de ballingen keren, de dode zal leven…

Dat er iemand goede woorden vindt, iemand muziek maakt, iemand zingt, iemand om zegen bidt…

Een laatste overdenking bij dit alles….De dood is en blijft een raadsel, evengroot als de geboorte.

Een klompje cellen ontwikkelt zich, organen, spieren, kraakbeen, bloedsomloop. Maar dan opeens is er zóveel meer! Een mens met karaktereigenschappen, humor, hunkering, creativiteit, een bezíelde mens!! Wanneer en hoe wordt dat toegevoegd aan dat klompje cellen? DNA? Is dat het antwoord? Ik wil het toch liever “ziel” noemen, “unieke persoonlijkheid” of “Godsgeschenk”

En als die unieke mens sterft, dan wil ik wel  geloven, dan wéét ik op het niveua van het hart en de intuïtie,  dat er méér is dan dat graf van voorbij met spieren, botten en huid. Dat iets ontsnapt… of juist blíjft. Iets onvervangbaars. Ook als het een kindje is dat maar zes dagen leefde. Zeker als het gaat om een mens die gemarteld wordt en vermoord.. Dat het wezenlijke terugkeert naar waar het vandaan kwam. Samenvloeit…Goddelijke vonk. Energie. Licht. Liefde... En dat het dan goed is. Heel goed. En dat geen enkel leven zomaar en voor niets geleefd is…

Om mensen gaat het, bidden wij hier , dat zij tot hun recht komen in het licht van God…    

                                                                             

Marianne Boselie

 


Getuigenis 26/27 oktober 2019  ZONDER AANZIEN DES PERSOONS

Afgelopen week stonden de ‘zeurende’ weduwe en de rechter tegenover elkaar. De weduwe kreeg door haar geklaag dan toch maar haar zin, omdat de rechter bang was voor zijn aanzien, voor zijn ‘public relations’…

Vandaag komen we de weduwe (er waren en zijn er helaas altijd veel van) weer tegen. Ook klagend, maar anders ontvangen, want God luistert wél en blijft luisteren… Het gebed van de arme dringt door de wolken heen… het laat niet af, totdat de Allerhoogste zich erbarmt.

In de eerste lezing wordt pijnlijk duidelijk dat, hoewel het speciaal de koningen zijn aan wie de zorg voor weduwen, wezen en armen is opgedragen, daar in de praktijk weinig van terechtkwam. Weinig verschil dus eigenlijk met nu, ook nu worden de rijken rijker en de armen armer. Een probleem dat dus al duizenden jaren aandacht verdient. Triest, maar het is ook zo dat er ook al duizenden jaren vanuit religieuze teksten wordt opgeroepen om dat anders te doen. God wil niet dat de zwaksten in de samenleving altijd de dupe zijn! Een blijvende opdracht dus voor de koningen van nu, of ze nu wel of niet naar de kerk gaan: raadsleden, college van B&W, provinciebestuur, de rijksoverheid, maar ook de kerken zelf, en daarbinnen wij als gelovigen. In die zin is het verbijsterend en dieptriest te lezen dat de Dienst Kerk en Samenleving van ons bisdom wordt opgeheven, ook al is de precaire financiële situatie van het bisdom te begrijpen. Juist daar, bij de diaconie, ligt een van de centrale opdrachten, natuurlijk voor iedere parochiegemeenschap in de eerste plaats, maar zeker ook voor het bisdom, om te enthousiasmeren, begeleiden, coördineren. Een stuk van de ziel wordt uit de kerk gehaald op deze wijze. Maar het gebeurt en dat betekent dat wij in onze gemeenschap nog eens extra moeten kijken naar wat we zelf kunnen doen én we in onze regio moeten bezien hoe we dat met elkaar kunnen delen, letterlijk en figuurlijk. Opdat wij doen waar God toe oproept: Zoals de schrift zegt: wie anderen bijstaat wordt welwillend ontvangen

Wie in principe ook welwillend werden ontvangen waren de Farizeeën, mannen van geloof en strenge wetvolgers. Wijze, gestudeerde mensen, en in tegenstelling wat velen denken, meestal geen priesters, maar leken. Ze hadden wel aanzien, maar meestal geen hoge sociale status, een soort gerespecteerde hogere middenklasse dus zouden wij nu zeggen, een beetje zoals wij hier bij elkaar zitten wellicht? Ze hielden zich streng aan de vastenwetten en leefden grotendeels voorbeeldig. Jezus moet ze inhoudelijk goed hebben aangevoeld, hij leek wel wat op hen. Maar: daar waar hij absoluut niet op hen leek, was het strikt wettische en de grote eigendunk die ze moeten hebben uitgestraald. Precies dáártegen komt Jezus iedere keer opnieuw in opstand.

Ook in het evangelie draait het daar om. Opnieuw staan twee mensen tegenover elkaar, in dit geval een farizeeër en een tollenaar. De farizeeër vast meer dan de wet eist van hem, en geeft veel geld, en ja, dat werd onder andere voor de armen gebruikt. Nee, dan de tollenaar. Belasting innen is al niet zo populair, maar nog wat extra afpersen, zoals de gewoonte was, maakte hen paria’s in de samenleving, hoe rijk ze soms ook waren.

Het verschil zit hem dan ook niet in het uiterlijk, maar in het innerlijk. De farizeeër is overtuigt van zijn gelijk: Híj zal de hemel beërven, want hij leeft immers goed. Dat is nog tot daar aan toe misschien. Maar: dan zet hij zich af tegen de tollenaar naast hem. En dat doet hij in de tempel, tegenover God zelf!

De tollenaar daarentegen is zich bewust van zijn fouten. Mogelijk is hij op dat moment in een soort bekeringsproces, heeft een hekel aan zijn baan en aan zichzelf gekregen, wie zal het zeggen. Hij klopt zich op de borst en zei, wees mij zondaar genadig. Borstklopperij heeft in onze dagen een heel andere betekenis gekregen, maar toen betekende het oprecht berouw (denk aan de schuldbelijdenis; door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn grote schuld). En ook dat deed deze tollenaar in de tempel, tegenover God.

En God zag dat het goed was…

Want dát is het centrale thema: hoe leef je je leven: Voldaan en arrogant, of Integer en gewetensvol. En daar is dat geweten weer. Ik noem het graag de heilige Geest in onszelf. Dat stukje God in ons, dat ons helpt het Goede leven te leven, waaraan je jezelf mag ijken, spiegelen. En dat kan ver gaan. Enkele weken geleden werd, in ons land in alle mediastilte, een zeer groot man heilig verklaard: John Henry kardinaal Newman. Ooit de bekendste Anglicaanse wetenschapper van zijn tijd (2e helft 19e eeuw), die zich bekeerde tot het (destijds) wervende en in Groot Brittannië arme Roomse geloof. Het gevormde geweten is een centraal thema in zijn werk, dat pas met Vaticanum 2 ten volle de aandacht kreeg die het verdiende. Zijn werk raad ik u nu nog aan… Toen hem werd gevraagd om op de Paus te klinken bij een diner, antwoordde hij graag te drinken op de Paus, maar pas nádat hij een toast had uitgebracht op het eigen geweten. Dát is de kern: de tollenaar was gewetensvol naar zichzelf én God toe en kreeg Jezus’ waardering en een nieuwe kans, de farizeeër had zijn ‘moment of fame’ in zijn beperkte leventje van eigendunk al gehad, daar hoefde Jezus geen tittel of jota respect meer aan toe te voegen.  

Amen

Peer Boselie


naar de vorige pagina ...