Ter overweging              


OVERWEGING:                                                                              23-06-2019

 

Wij weten allemaal dat we voedsel tot ons moeten nemen,

want dat anders ons leven niet zo heel lang door zal gaan.

In de bijbel kun je vele verhalen lezen over

het klaarmaken van eten en het samen eten.

Hoe voornaam het was om – vooral - SAMEN te eten.

Het ging in eerste instantie NIET om eten, maar om samen zijn.

Dit is een houding bij vele volkeren in de wereld.

In onze wereld van over het algemeen overvloed, 

worden vele boeken en artikelen geschreven over eten en

hoe het eten voor te bereiden.  

Het begint al bij de Borstvoeding! Die wordt vooral aangeraden.

Maar we zijn nog niet van de borst af, of we worden verteld wat we het beste tot ons kunnen nemen om onze groei zo goed mogelijk te laten verlopen.

Het aantal calorieën staat zelfs op de verpakking.

Maar er is nog meer, dan gewoon de voedingswaarde van voedsel.

Bij vele volkeren is het samen eten ook van heel groot sociaal belang.

Ook wij hebben dat nog.

Wij bieden ons bezoek op z’n minst thee of koffie aan met

vaak nog een hapje erbij.

Feesten zijn niet helemaal af, als er geen drinken en eten bij is.

Bij het volk waar ik jaren heb mogen wonen en werken komt daar nog een ander aspect bij. Als je daar op bezoek was,

was je daar niet echt op bezoek geweest,

als je niet met hen de maaltijd had gedeeld!

Dit zelfs ook al hebben ze zelf vaak maar heel weinig om te eten.  

Voor het eten begint wordt aan alle deelnemers water aangedragen om

de handen wassen, ook al is het water nog zo schaars.

Je eet namelijk met de handen.

Ze weten, dat als de handen niet schoon zijn,

is de kans op ziek worden erg groot. 

Eerst reinigen. Enkele van ons kennen dit gebruik nog.

Vroeger was aan het begin van de Eucharistie viering:

 het “Asperges me!”

Een reiniging van onszelf voor we “aan tafel” gaan. 

Ook nu nog beginnen we de Eucharistie viering nog steeds met

de vraag aan God ons te vergeven  . . . . . . te reinigen. 

Maar naast dit reinigen ligt vandaag vooral de nadruk op

het sluiten van een verbond.

Een verbond dat bezegeld moest worden. Geen handtekening!

Nee bezegelt met bloed.

In de eerste lezing met bloed van een offer, een beest.

 

Christus zelf ging een stap verder.

Het werd Zijn Bloed,

omdat dit het uiteindelijke verbond van God met zijn mensen zou worden.

Jezus zelf nam brood en wijn,

dat op tafel stond vanwege het Joodse jaarlijkse paasmaal.

Jezus sprak daarover zijn zegen en gaf het aan allen die bij Hem aan tafel waren.

Zelfs aan Judas Iskariot, die hem zou verraden gaf Jezus te eten.

Wij hebben het er moeilijk mee te geloven,

dat dit gewone stukje brood (dat in veler ogen zelfs helemaal geen brood is)

en de wijn in de beker, zijn Lichaam en Bloed zijn.

Waarom is dit geloven voor ons zo moeilijk???

Misschien  omdat wij niet echt in vrede en liefde met elkaar leven of 

omdat we liever steeds met elkaar blijven redeneren in plaats van

eenvoudig weg ons hoofd te buigen en te zeggen:

Sorry voor mijn ongeloof, kom mijn ongeloof te hulp!

Zoals vele voorgangers in geloof ons gezegd en beschreven hebben.

Laten we in deze viering samen de Heer vragen ons te hulp te komen bij onze twijfel.

Daarna gaan we samen eensgezind en blij aan tafel met de door Hem bedoelde vrede in ons hart.

Om daarna ook weer onze parochie zoektocht in zijn vrede voort te zetten naar een hoopvolle toekomst met Jezus steeds verblijvend in ons midden.

 

Piet Verhagen

 


OVERWEGING ZONDAG DRIE-EENHEID, 15  en 16 juni 2019, Lezingen: Spreuken 8, 22-31; Joh, 16,12-15

 

Het is nog ochtend, als ik naar buiten loop. Een mild regentje heeft haar werk gedaan, overal dauwdruppeltjes. Opgaande zon, en als ik goed kijk, zie ik de zon glinsteren in een van die planten, in dauw gevangen. Het zonlicht, weerkaatst in al die regendruppels. Een prachtig gezicht.  Zo’n  moment wil je vasthouden. Bijna automatisch loop ik naar binnen om mijn fototoestelletje te zoeken om dit vast te leggen. Maar wat ik ook probeer, die poging is tot mislukken gedoemd. De afbeelding doet geen recht aan wat ik gezien heb en zo graag wil laten zien.

Zo vergaat het mij als ik nadenk over het Godsgeheim en daarover iets probeer te zeggen.  Soms heb je dan een helder moment, waarop alles glinstert – een ervaring, die je boven jezelf uittilt en waarvan je vermoed dat je er meer van doordrongen bent – en zodra je het onder woorden brengt, verbleekt het en is de glans er van af. Godsgeheim, Drie-eenheid, drie-vuldigheid, je kunt er naar reiken, maar nooit bereiken. ‘Zien, soms even’ , zegt de dichter, en daar moet ik het mee doen.

Gelukkig is de liturgie, onze viering waarin wij eer brengen aan God en elkaar inspireren, vanaf oude tijden zeer inventief geweest om dat geheim op een of andere manier tot uitdrukking te brengen, en in ons geheugen te slijpen. Het eerste is het kruisteken, waarmee we de samenkomsten beginnen en afsluiten. Je kunt dat gedachteloos doen, en dat gebeurt natuurlijk vaker. Maar ook heel bewust en geconcentreerd. Want in het maken van het kruisteken betekenen we ons geloof in drie-ene-God.

Een tweede uitdrukking van dat geheim is eigenlijk te vinden in al onze voornaamste gebeden; het Glora,  Credo en het Tafelgebed. Daar vinden we de namen van die Drie-ene God in heel veel variaties terug. En aan het einde van iedere psalm wordt – zeker in de kloosters – eer gebracht aan vader, zoon en geest, en buigt men daarbij.  De drie-ene Naam van God vormt de ondergrond en de soms onzichtbare achtergrond van onze liturgie. Het is als het watermerk in deftig papier, dat je alleen goed ziet, als je er opmerkzaam op bent.

Ik ga even voorbij aan de beelden, zoals de iconen, waarin iets van dat Godsgeheim wordt uitgedrukt. Want in de loop van de tijden is er veel nagedacht over ‘hoe je dat nu moet zien’. En dan lijkt het soms op een niet op te lossen raadsel; drie en toch een, hoe kan dat? Een soort wiskunde. Maar uiteindelijk schieten we daar niet mee op. Want als wij iets zinnigs over de Drie-ene God willen denken en zeggen – ook al ontglipt ons het ultieme begrip daarvan  – dan moet het aansluiten bij onze beleving. Anders kunnen we er helemaal niet meer bij. De volgende gedachte leg ik u voor, ontleend aan het denk- en levenservaring van Gerard Beckers*.

Wij leven in een tijd, waarin we gewend zijn om als individu te leven en zo aangesproken te worden. Ik ben ik, en niemand anders. We voelen en beleven dat ook zo. Als wij dat niet willen, komt niemand ons te na. Al dan niet bescheiden, beschouwen we ons als unieke personen. Misschien veel meer dan vroeger, toen we zonder zelf te willen, deel uitmaakten van familie, stad, land en parochie. Tegelijk voelen we ons vaak inwendig verdeeld over zoveel zaken die ons bezig houden. Op het moment, dat u probeert naar mij te luisteren is er misschien veel meer dat u bezig houden: plannen, zorgen enz.

Maar de vraag is dan; wat is eenheid dan, in onze ervaring en daarboven uit?  Dat is niet zo gemakkelijk te zeggen. Natuurlijk is er verbondenheid tussen mensen, zoals in deze gemeenschap. En in de liefde tussen mensen kan die verbondenheid allerlei gedaanten aannemen. Maar dat is nog geen eenheid.

Het zijn de Godzoekers, de mystici met name, die met hart en ziel zoeken naar de eenheid, die de verdeeldheid in zichzelf hebben ervaren proberen te overwinnen. Het is dit verlangen naar eenheid met God, die hun inspiratie en motivatie is. En soms ervaren ze daarvan iets, zoals de glinstering van de dauwdruppels op die ochtendplant.

En nu even die denkoefening volhouden. Want zou het niet zo kunnen zijn, dat dit beeld van de Drie-ene God een voorafspiegeling is van de menselijke voltooiing? Een beeld van iets, dat we nu nog niet kennen en weten, maar waar we hartstochtelijk naar verlangen? In het evangelie kunnen we met name bij Johannes, en ook vandaag in de evangelielezing, weer die hartstocht naar de eenheid in God proeven. Een eenheid, die nu nog uitstroomt in de wereld (Vader, Zoon en Geest zijn niet hetzelfde), maar uiteindelijk een voltooiing vindt in die eenheid.  En wat ons mensen betreft: zou het niet zo kunnen zijn, dat wij in dit Godsbeeld een voorteken mogen zien van onze eenheid in Hem. Nu nog uniek, verdeeld of menigvuldig, maar dan opgenomen in die eenheid?> Of – zoals ik het voor mezelf formuleer – ‘geborgen in God’?

Dat alles lijkt ver weg, maar dat is het niet. In onze intenties van dit weekend denken we aan dierbare doden, met wie we een band hadden en hebben. Als een dierbare mens gestorven is, zeggen we vaak; ‘hij is niet meer’. Of – zoals ik een keer las op een bidprentje’’waar jij bent, ben ik niet meer; waar ik ben, kun jij niet komen’. Het zijn woorden die de scheiding tussen de levenden en de doden benadrukken. Anders is het, als we zeggen, dat iemand door de dood zijn of haar bestemming bereikt heeft. En dat wij ook op weg zijn naar die bestemming. Dat onze liefde door de dood heen gaat en in God haar voltooiing vindt. Dat is, met de woorden van deze feestdag:  ons verlangen tot rust gekomen, in de Drie-ene God.

In het maken van het kruisteken, onze gebeden en onze liederen vandaag bezingen en benoemen wij uitdrukkelijk de namen van de Drie-ene- God, zoals ze ons zijn overgeleverd; Vader, Zoon en Geest. Het is goed, om daar vandaag eens uitdrukkelijker bij stil te staan. Maar als u een opmerkzame zanger bent,zult u merken dat het slotlied daar helemaal van afwijkt. Daar komt dat Gods beeld niet terug. En toch geeft dat lied in de kern dat verlangen naar onze menselijke eenheid en geborgenheid in God aan. Van grond en vuur zult Gij ons maken. Grond:  ons aardse bestaan, alles wat ons aan onze lichamelijkheid en de aarde bindt. Vuur: alles wat ons inspireert, en ons optilt boven de aarde, liefde, geborgenheid, genegenheid. Het lied omspeelt dit gegeven van grond en vuur met begrippen uit de psalmteksten. Het is voorzien van een vurige en dynamische melodie, en in het hart daarvan vindt u in het tweede couplet:

                                         Niet meer beklemd en verdeeld

                                         Niet meer in woorden gevangen

                                         Een en gekend en bevrijd

                                         Eindelijk mens zal ik zijn.

 

Mogen we dan op het einde van de viering weer als gezegende mensen van hier gaan. In het teken van het kruis, een betekenen van de belofte. Meer bewust van onze bestemming als mens. Soms te ervaren als een glinstering op onze levensweg.

REN LANTMAN

 

·       Deze overweging is voorbereid in gesprek met Gerard Beckers, die zich met dit onderwerp intens bezig houdt.

  


TER OVERWEGING 30 mei 2019              Hnd. 1, 1-11  Lc. 24, 46-53

Hemelvaart van de Heer             Thema:         Een uitdaging!   

              

Hemelvaartsdag, de naamdag van onze parochie…

‘(…) alles scheen plotseling onzeker, hij

was er wel, maar toch ook niet,

hij scheen van het toegezegde rijk

niet te willen weten, hij beloofde wel

iets van kracht, maar wanneer ? Zij

stonden met lege handen, harten met

nauwelijks nog vermoeden van toekomst

en voor ze konden vragen om zekerheid, was

hij verdwenen, ergens omhoog, achter

een raadselachtige wolk.’

 

Een stukje van een gedicht van Gabriël Smit… getiteld ‘Hemelvaart’…

Er is een streep gehaald door het toekomstbeeld…

Als Jezus wordt gekruisigd is voor de leerlingen van Jezus alles onzeker geworden. Maar geleidelijk pakken ze de draad weer op. Er gloort licht, want ze zien dat Jezus leeft, ook al is hij gestorven. Hij is nog bij hen, hoewel niet zoals voorheen. Toch is er ook het afscheid van het leven dat ze samen met hem hebben gehad. Het wordt definitief anders. Ze groeien toe naar meer eigen verantwoordelijkheid. Jezus’ leerlingen leren vertrouwen dat ze geestkracht zullen krijgen om verder te gaan in zijn spoor, als getuigen. Hulp vanuit de hemel. Om te werken aan zijn koninkrijk. Een hele uitdaging, waar moed en creativiteit voor nodig is.

Alles schijnt plotseling onzeker geworden. Dat gevoel… het overkomt ons allemaal… Soms gebeurt er iets, groot of klein, waardoor je het even niet meer weet…

Al jaren is iemand lid van een koor. Een fijne groep mensen met onderling een goede band, een leuke hobby waarin ze iets van zichzelf kwijt kan. Het is altijd een koor geweest met een heel speciale repertoire keuze. Het bestaat zo’n 45 jaar. Maar de oprichter en dirigent kan om gezondheidsredenen niet verder. De vereniging wordt met pijn maar in onderling goed overleg opgeheven. Ze zal een nieuwe plek moeten zoeken… Een vergelijkbaar koor is te vinden op twintig kilometer afstand. Wil ze dat? Er is een andere mogelijkheid, een ander type vereniging wel dichterbij. Misschien ook een optie…?

Een stel van in de vijftig ziet de kinderen volwassen worden en vertrekken naar het midden van het land. Er worden kleinkinderen geboren, die het echtpaar niet vaak ziet vanwege de afstand die toch telkens te overbruggen is. Op een dag hakken deze opa en oma de knoop door. Hun huis wordt verkocht. Ze zoeken en vinden een nieuwe baan en een andere woonomgeving. Het is wennen en aanpassen. Niet alles is fijn vanaf het begin… Is het een goede keuze geweest om te vertrekken?  Er is heel wat energie voor nodig… Na enkele jaren kijken ze toch met een positieve blik terug op deze beslissing.

Er zijn problemen op het werk. Er gebeuren dingen waar iemand zelf niks aan kan doen. Van hogerhand gevoerd beleid valt op de werkvloer bij meer mensen niet in goede aarde, maar protest helpt niet. En een nieuwe baan zoeken is niet zo vanzelfsprekend als je wat ouder bent.

Hoe met de situatie om te gaan? Ook thuis blijft hij ermee bezig. Loslaten is moeilijk.

Zo zijn er heel veel voorbeelden... Als iemand wegvalt door overlijden is het nog weer veel ingrijpender… Het leven wordt dan echt totaal anders.

En tal van andere gebeurtenissen kunnen genoemd worden: een serie aardbevingen zoals in Groningen, een kind verbreekt het contact met de ouders, of hier in onze kerk: de eigen geloofsgemeenschap vergrijst en krimpt…

Waar ben ik in verzeild geraakt? Hoe moet ik hiermee omgaan? Hoe kan ik verder?

Dat geldt zeker voor de leerlingen van Jezus als die wegvalt. Gabriël Smit schrijft dan:

Er is nauwelijks nog vermoeden van toekomst

En toch… het is ook een uitdaging.

Elly Bus-Linssen

Ik ga met u weer terug naar de lezingen. Beide lezingen zijn van dezelfde schrijver. Het boek Handelingen is het vervolg op het evangelie volgens Lucas. We lezen de teksten dus eigenlijk in de verkeerde volgorde. En het moment van de Hemelvaart van Jezus wordt in beide teksten beschreven. Niet helemaal hetzelfde, maar dat is ook niet waar het hier om gaat. Belangrijk is hier nog één ding, en dat horen we zo meteen nog een keer: Jezus voorzegt dat zijn vrienden kracht zullen krijgen en dan zendt hij hen uit om voortaan altijd en overal zijn getuigen te zijn, zijn boodschap verder te dragen. Dat is de uitdaging waar zij voor staan…

Ook wij mogen hopen op kracht uit de hemel bij de uitdagingen, klein of groot, in ons eigen leven…

Luisteren we naar het evangelie volgens Lucas…

 

Elly Bus-Linssen

 


OVERWEGING 6e zondag van Pasen, 26 mei 2019. Lezingen. Handelingen 15,-2, 22-29; Johannes 14, 23-29 (in de ‘praktijk’ ingekort).

 

Op Goede Vrijdag zond de televisie een portret uit van prior Thewesen, een Nederlandse monnik, levend in de abdij van La Chartreuse, diep in het Franse hooggebergte. De verslaggever Leo Fijen vroeg hem naar de betekenis van het kruis. Daarop ontspon zich een boeiend gesprek met een man, die zijn geloof diep doorleefd had. Hij vertelde, dat hij vroeger erg aangetrokken  was door de Christusfiguur als de Pantokrator, de Albeheerser, de Machtige. U kent ongetwijfeld de afbeeldingen van die Christus. Boven kerken, met name kathedralen, vind je ze boven de hoofdingang, waardoor je naar binnen gaat. Je gaat dan als het ware onder die almachtige, oordelende Christus naar binnen.

Maar, zo vertelde hij ingetogen, voor hem was Christus gaandeweg steeds meer een mens geworden. Een mens, die op hem toekwam in zijn leven, in zijn woorden en in zijn daden. Een mens van vlees en bloed, waarvan het evangelie ons steeds weer een glimp laat zien. Het woord, waaraan wij ons vasthouden. Die menselijke Christus, zo zei hij, is steeds meer tot mij gaan spreken.

Die twee kanten van Christus laat het evangelie van Johannes ons vandaag weer zien. Aan de ene kant de soevereine figuur, die zijn leerlingen uitlegt, wat zijn afkomst is en zijn bestemming; hij is afkomstig uit de vader en keert daarnaar terug. Aan de andere kant de menselijke Jezus, die zijn leerlingen  voorhoudt de moed niet te verliezen; hij zal bij hen blijven in de zending van de Geest, en hij bezweert ze bij elkaar te blijven in de liefde. Aan de ene kant beluisteren we in zijn afscheidsrede vandaag de verheven, onaardse figuur, hoog verheven boven de stormen van de tijd en van wat hem te wachten staat. Aan de andere kant de mens, die weet van de droefheid van afscheid nemen, van vragen om duidelijkheid van de kant van zijn leerlingen; Heer, hoe moet dat met die boodschap van U, als wij zonder U verder moeten?  Souvereine zekerheid en twijfel tegelijk.

In het evangeliefragment uit de afscheidsrede, hier gekozen op de zondag voor Hemelvaart, vinden we vier ankerpunten van de christelijke boodschap, die ook voor onze tijd onverminderd gelden.  U vindt ze in de tussenzang, die we gezongen hebben, in het gebed om de Geest. Alle vier de strofen zeggen ons iets over dat gelovig geheim, waarin we zijn opgenomen; woorden, ons gegeven ten leven; het verbond tussen Jezus, zijn vader en de mensen. En de vrede, voor alles de vrede, die ons dit zal brengen. Het is de moeite waard te overwegen, wat u en ik van ons geloof hierin terugvinden.

Maar ondertussen leven wij in deze wereld met zijn mooie, boeiende kant, en de verscheurdheid door conflicten. En daarin mensen zoals wij, die proberen dat geloofsgeheim te bewaren en voor te leven – mensen van vrede te zijn. En dat gaat door alle gewone menselijke verhoudingen, zelfs door allerlei crisis heen. De lezing uit Handelingen geeft ons een voortreffelijk voorbeeld, hoe ons geloven zich niet in een hemelse sfeer bevindt, maar dat het steeds moet worden waar gemaakt in harmonie met onszelf en met onze omgeving.

In het verhaal van de Handelingen wordt verteld over een conflict, dat zich al heel vroeg aandient bij de verspreiding van het christelijk geloof in het oude oosten. Begonnen als een joodse stroming vindt het geloof gehoor bij niet-joden, klassiek heidenen genoemd. In Antiochië ontstaat zo’n groep volgelingen van Jezus van Nazareth. Het geloof is voor deze Romeinse onderdanen aantrekkelijk, want in die gemeenschap is ieder gelijk, wat zijn afkomst, status of inkomen ook is. En dan ontstaat er een probleem. Want sommigen vinden, dat deze heidenen eerst jood moeten worden om christen te mogen zijn. Inclusief de besnijdenis, het uiterlijke maar zeer dierbare teken van het joodse geloof. Anderen vinden dat niet noodzakelijk, juist omwille van de gelijkheid van iedereen. En dan is natuurlijk de kwestie; wie horen er bij de geloofsgemeenschap, wie niet. Een oude kwestie, maar hij zal in de geschiedenis steeds weer opduiken. Er volgt dus beraad tussen Paulus en de andere apostelen, en uiteindelijk komt er een compromis. Aan de heidenen wordt niet de besnijdenis opgelegd, maar wel een paar leefregels. Ze zijn voor ons niet zo navoelbaar, maar ze betekenen; hou je verre van afgodendienst, en ga geen verboden relaties met elkaar aan (volgens het joods recht). IN eigentijdse bewoordingen: hou je bij de Ene God, en draag zorg voor de grenzen van je relaties. Belangrijk is in het herderlijk schrijven dat uitgaat van dit beraad de aanhef: “De heilige Geest en wij hebben namelijk besloten u geen zwaardere last op te leggen dan het strikt noodzakelijke”.

Uit deze geschiedenis kunnen we leren, hoe meningsverschillen in de geloofsgemeenschap overwonnen kunnen worden door het meest wezenlijke – de gelijkheid tussen geloofsgenoten -  daaruit te redden. We zullen dit in onze geloofsbelijdenis van vandaag uitdrukkelijk uitzeggen. En vergist u niet; het was toen een echte crisis; als dit probleem tussen joden en heidenen toen niet was opgelost, hadden wij heidenen het christelijk geloof nooit gekend, en ook niet hier naast elkaar gezeten, en elkaar herkend in het christelijk geloven. Zoals de evangelist Johannes ons dat schetst.

Er zijn heel veel dikke boeken over de geschiedenis van het Christendom geschreven. Hans Kung, die heel nauwgezet heeft beschreven hoe het christendom door pieken en dalen is gegaan, verzucht op laatste bladzijde, ik beloof op blz. 588, hoe het toch mogelijk is, dat de geloofsgemeenschap nog steeds levend is. Zijn conclusie; de Heilige Geest moet wel bestaan, het kan niet anders.

En ik voeg daar aan toe, dat die Geest ons vandaag inblaast: ‘Verlies de moed niet’.

 

Ren Lantman

 


TER OVERWEGING 18 en 19 mei 2019

Inleiding

Voor de verjaardag van hun vader maakten Cas en Puck op school een tekening, Cas, van negen, tekende een huis, een modern huis, meer in de hoogte dan in de breedte gedacht met in rechte lijnen alle kleuren van de regenboog erop aangebracht. Er was een grote deur in het rode gedeelte. Warm en uitnodigend. Alle ramen waren in het zonnige gele deel aangebracht, hoge ramen over de hele gevel en het dak in elkaar overlopend. Méér dan dat huis was er niet. Maar ik zag vertrouwen, en creativiteit en een warm welkom.

Puck van zes tekende de binnenkant van een huis als een poppenhuis dat openstaat. Hij tekende de keuken en de kamer, de badkamer en de slaapkamer met meubels erin. Het viel Puck op dat ze sámen een heel huis hadden getekend voor papa: hij de binnenkant en zijn broer de buitenkant.

Een plek om er als gezin veilig te wonen met grote vanzelfsprekendheid. Een zelfgemaakt cadeautje van een kind vanuit blijdschap en dankbaarheid jegens hun vader.

Toch is samenwonen als gezin of als echtpaar allang geen vanzelfsprekendheid meer. Er zijn veel meer vormen van wonen dan ooit.

Over dat woord “wonen” gaat het vandaag. Een “woonplaats” van God tussen de mensen. Samenwonen met God, een wonen dat u misschien net als ik vooralsnog ervaart als in een latrelatie: living apart together. Allerminst vanzelfsprekend en soms opeens inmens vertrouwd en warm.

De eerste lezing uit de Apokalyps schildert de buitenkant van dat wonen. Het evangelie de binnenkant….  En in elk lied bijna vind je ergens wel het woord wonen….

Misschien ervaart u dit gebouw als zo’n woonplaats van God. Een plek die allerminst vanzelfsprekend is en waar we aan het begin van deze viering God eerbiedig groeten naar alle richtingen + (grote gebaren)  hemel en aarde alles daartussen van oost tot west….  langs de weg van het kruis waarbij we als mens heel lichamelijk onszelf betrekken: + hoofd, buik, hart… + verstand, gevoel en ziel, + Vader, Zoon en Heilige Geest….

 

Getuigenis

Op de voorlaatste bladzijde van de bijbel staat de tekst die we lazen als eerste lezing. Een bladzijde met een visioen waarin alles  verandert zal zijn. Zo’n visioen dat je in de kerk haast niet mag hebben, omdat daar maar heel weinig mag veranderen.

De tekst uit de Apokalyps spreekt over een nieuwe stad, een plek waar God beloofd te komen wonen. Stel je voor. Jeruzalem, stad van vrede. Icoon voor een andere tijd, níeuwe tijd. Gods tijd.

Wónen. Woonplaats… Het zijn prachtige woorden. Ze roepen hopelijk voor ons allemaal warme, vertrouwde beelden op. Een plek waar je thuis bent, helemaal jezelf kunt zijn. En niet alleen bed, bad en brood vindt maar genegenheid, gastvrijheid, verhaal, vertrouwen, gemis, herinnering, veiligheid, liefde. Maar wat heeft God nodig om te kunnen wonen??? Een tabernakel? Een kerk? Wat voor kerk?

Een paar jaar terug liepen Peer en ik in Schotland een kerk binnen naast de ruïne van een abdij. En we waren enorm verrast door de open en uitnodigende ruimte ofschoon er niemand was.

Er stonden alleen stoelen vooraan in de middenbeuk. Opzij was een ruimte ingericht als ontmoetingsplek, met gemakkelijke stoelen, een leestafel, met een ruilboekenkast, en ook een ruimte voor kinderen met veel kleur, kussens en knutselmateriaal en heel  bijzonder catechese materiaal.

De andere zijbeuk was een stille plek. Er was ruimte om te mediteren in een kring van stoelen rondom een warmgekleurd tapijt . Er borrelde en stroomde iets van water. En er waren beelden van hout en steen. Eerder vormen dan beelden. Genoeg ruimte om te denken te geven… Er was een gedachtenisplek met een prachtige schaal met stenen en schelpen waarop namen stonden van lieve mensen.

Er was een boompje in een grote pot waarin briefjes waren opgehangen. Iemand had die briefjes in prachtige kleuren en vormen geknipt. Ze lagen klaar om te beschrijven met een gebed.

Er was ook veel lege ruimte. Op die lege plek zou je kunnen dansen met God … Wij hebben door die kerk gedwaald als reizigers die na een lange reis thuiskomen. Zondags hebben we weer het hele eind gereden om dáar de viering bij te wonen. Het was onvergetelijk…. Woonde God daar op die plek? Woont hij dáár liever als ergens anders?

Kun je je zo’n plek voor God überhaupt denken: een plek waar de onkenbare, de geheel Andere, de Barmhartige en Rechtvaardige kan wonen?

Wie is God? Wat heeft hij of zij nodig om te wonen? Een ark van verbond in een tent onderweg… De buik van moeder Mirjam Maria, door dezelfde “Kracht van God overschaduwd” waarin het wonder van de incarnatie kan plaatsvinden…? Een klein houten kerkje zoals dat van Peerke Donders in een melaatsenkolonie…

het hart van een priester in Auschwitz, die zich elke dag weer een regel uit de Bijbel herinnert, een hoopvolle, bevrijdende tekst die hij aan tien mensen verder fluistert zodat  die ze  weer aan tien anderen kunnen verder geven, aan tien anderen, aan tien anderen…

Wil Hij wonen in elke gevangeniscel, in elk vluchtelingenkamp? In elke herstelkliniek? In elk dubbel gehandicapt kind? In elke hoopvolle vreemdeling hier in onze stad? Ons hart zegt ja! Ja! Dáár woont God. Hij  de barmhartige, de liefdevolle, de rechtvaardige.. Hij is overal waar mensen zijn! en daarom komt Jezus steeds weer en tot vervelens toe terug op de liefde, de naastenliefde, de liefde zelfs voor onze vijanden…

want als God één eigenschap bezit, dan toch zeker zijn grote, ruime, vergevende, scheppende liefde. Die liefde van God voor ons, en van zijn mensen voor God, dat is de binnenkant van het huis waar God woont…

In de Joodse mystiek wordt Gods Aanwezigheid vaak verbeeld als een vogel, de Sjechina … en wij christenen hebben natuurlijk ook onze duif als beeld voor de heilige geest. We zouden een nestje kunnen bouwen waar die vogel kan nestelen. Dat is wat een chassidische rabbi uit de 18e eeuw me ooit vertelde en dat vind ik zo mooi en uitdagend: zorg dat je hoofd een nestje wordt waar God kan nestelen…

Dan moet er eerst uit wat je allemaal denkt te weten en aan vaste gewoontes hebt ontwikkeld, zodat er lege ruimte ontstaat… Lege ruimte die God kan vullen zonder dat al jouw eigenwijsheid in de weg zit…. Verder blijft het een mysterie: God bedoel ik…

Er is een lied van Oosterhuis dat ik al twee weken zing in gedachte. Een soort pelgrimslied voor onderweg. Misschien kent u het: Ik zal in mijn huis niet wonen, ik zal in mijn bed niet slapen, ik zal mijn ogen niet dichtdoen,  ik zal niet rusten, geen ogenblik, voordat ik heb gevonden…. Een plek waar Hij wonen kan, een plaats om te rusten voor hem die God is, de enige ware..

 

Marian Boselie

 


TER OVERWEGING  12 mei 2019  4e van Pasen C       

Thema: Willen wij bewust schaap zijn?           Hnd. 13, 14.43-52  Joh. 10, 27-30

 

Waar gaat het om in het leven? Wat is voor u wezenlijk? Wat doet goed? Of geeft betekenis aan het eigen bestaan? Wat zijn voor u richtingwijzers in het bepalen van het eigen doen en laten? Waartoe bent u, zijn wij, geroepen?

Op de vierde zondag van Pasen, roepingenzondag, horen we altijd een deel uit het tiende hoofdstuk van het evangelie volgens Johannes. Dit jaar, we lezen de teksten van het C-jaar, is het korte laatste deel van het hoofdstuk aan de beurt. Eigenlijk moet je zo’n hoofdstuk in zijn geheel lezen, vind ik. En in de juiste context plaatsen. Ik pak enkele voorgaande verzen, met uitspraken van Jezus, er even bij… Hij zegt – in de woorden van de evangelist – het volgende:

Ik ben de deur voor de schapen. 9Ik ben de deur; wie door Mij binnenkomt zal gered worden: die kan vrij in en uit gaan en zal weidegrond vinden.

11Ik ben de goede herder. Een goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen. 14Ik ben de goede herder: Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen Mij, 15zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken;

16Ik heb nog andere schapen dan die uit deze hof. Ook voor hen moet Ik een herder zijn: ze zullen luisteren naar mijn stem. Zo wordt het: één kudde met één herder.

En dan tegen een bepaalde groep Joden:  26Maar omdat u niet tot mijn schapen behoort, wilt u niet geloven.

Om tenslotte in de tekst van vandaag te zeggen:

27Mijn schapen luisteren naar mijn stem; Ik ken ze en ze volgen Mij. 28Ik geef hun eeuwig leven: nooit zullen ze verloren gaan

De Joden in die dagen zijn het niet eens. Op de verdeeldheid tussen de Joden reageert de auteur van Johannes door de verbondenheid tussen Jezus en God centraal te plaatsen – hij schrijft 30Ik en de Vader, Wij zijn één.’ - , en uit te nodigen om deel uit te maken van die verbondenheid.

Zo komen we tot een aantal sleutelwoorden, en de volgende samenvatting:

Jezus als de deur, waardoor je binnenkomt, de goede herder die zijn leven voor je geeft en vraagt om naar Hem te luisteren, die wil dat er vanuit de diverse volken, joden en heidenen, één kudde is, die het eens is, zoals Jezus het eens is met zijn vader. Dan is er voor de schapen in die kudde eeuwig leven.

Willen wij die schapen zijn? En hoe kunnen wij die schapen zijn in deze tijd? Hoe kunnen wij het totaalprogramma van Jezus, waar het hier over gaat, in onze tijd handen en voeten geven? Wat is daarvoor nodig? Kunnen wij het daarover eens worden?

Hoe kunnen wij het goede doen voor andere mensen en - om de woorden uit de eerste lezing mee te nemen – als christenen een licht zijn en redding brengen, nog maar liefst tot het uiteinde van de aarde? Dat is nogal wat… Het is een opdracht die heel dichtbij begint, bij het liefhebben en steunen van de mensen waar je elke dag of elke week mee te maken hebt,  je partner, je ouders en je kinderen, je buren, je collega’s, je mede koorleden en medeparochianen. Maar daarmee zijn we er niet. Als er gesproken wordt over het uiteinde van de aarde, dan gaat het ook over orkanen, overstromingen en de daarop volgende noodtoestand in landen zoals Mozambique. Het gaat over de milieu- en klimaatproblematiek. Het gaat ook over wat wij doen om daar verbetering in te brengen. Over ons stemgedrag bij de verkiezingen voor het Europees parlement. Over CO2 uitstoot, gebruik van grondstoffen, vlees eten, en per vliegreis op vakantie gaan. Kortom ze is niet klein, maar groot, deze opdracht.

En ze kan ons een machteloos gevoel geven, want waar moet je beginnen? En hoe kunnen we het daarover eens worden, eraan werken zonder elkaar te verketteren?

Bewust Jezus navolgen gaat over het nadenken over en werken aan al deze zaken. Ook als we er eigenlijk nu wel genoeg van hebben. Ook als we graag genieten en de wereldproblemen opzij willen schuiven. Laten we beslissen om ze toch toe te laten, maar er in het klein – op een behapbare manier ieder voor ons zelf aan te werken. In het vertrouwen dat dat helpt. Want het goede doen, de intentie alleen al, dat geeft eeuwig leven, dat heeft eeuwigheidswaarde. Het blijft voor altijd…

 

Elly Bus-Linssen

 


Ter overweging 4 en 5 mei 2019

Handelingen 5, 27b-41; Johannes 21, 1-14

 

Hoezeer de apostelen volgelingen van Jezus werden en tot welke consequenties dat leidde, hoorden we in de eerste lezing. Het klonk als een variant op het begin van het lijdensverhaal van hun Meester. De plaats van handeling is dezelfde: Jeruzalem. De apostelen genezen er tal van zieken en winnen zo het hart van de mensen. Maar de herinnering aan het lot van Jezus van Nazareth, in wiens naam ze de wonderen verrichtten en van wie ze getuigden, is nog levend in de stad. Het is voor de inwoners gevaarlijk zich te zeer met die mannen in te laten, ook al zoeken die voor hun optreden de schamele beschutting van de tempel.

De woede van de hogepriester en leiders vanwege het doorzieken van de opruiende leer van die Jezus – ondanks hun krachtdadig ingrijpen van toen en hun geslaagde pressie op de landvoogd – en vanwege de groeiende populariteit van zijn leerlingen, leidt tot een herhaling van zetten. De apostelen worden in de kraag gevat en aan de Hoge Raad, voorgezeten door de hogepriester, voorgeleid. Ze werpen echter alle schroom van zich af en getuigen van Jezus, door toedoen van diezelfde Raad onschuldig ter dood gebracht,: hij leeft, hij is door Jahweh ten leven gewekt, hij is de leidsman en verlosser van het volk.

Als niet die ene man in de Raad, Gamaliël, zijn moreel gezag had doen gelden, had ook deze  zitting met een doodvonnis kunnen eindigen. Eén rechtvaardige keert het onrecht. Eén wijze: ‘Laat de volgelingen van Jezus met rust. Laat ze hun gang maar gaan. Want als hun werk niets met God te maken heeft, dan mislukt het toch wel. 39Maar als het Gods werk is, dan kunnen jullie niets tegen hen doen. Als jullie dat toch proberen, dan vechten jullie tegen God!’

Gamaliël. Het is steeds weer één mens die het verschil maakt. Eén vrouw. Eén man. Eén mens die de rug recht. Eén mens die getuigt. Eén mens die de waarheid spreekt. Eén mens die zwijgt. Eén mens die weigert; die opstaat; die zich verzet.

Misschien is dit een wat onwennige gedachte in een kerk die – en dat strekt haar tot eer – zo de nadruk legt op ‘elkaar’, mensen samen, gemeenschap. Dat is goed, nodig en heilzaam. Maar blijft daarbij niet de keerzij soms wat onderontwikkeld: de deugd van kritiek, van verzet? De deugd van Luther: Hier sta ik, ik kan niet anders.’ – een vermaarde uitspraak van Luther voor de Rijksdag in Worms.

De geschiedenis vraagt op gezette tijden ook de moed tot eenzaamheid. Het nemen van een besluit waarmee je alleen komt te staan. Het trouw blijven aan een woord, een overtuiging tegen de storm in. Het gaan waar niemand gaat. Als deze dagen ook de mensen uit het verzet herdacht worden, mensen die op het kompas van hun overtuiging hun leven inzetten tegen de bezettende overmacht, mensen als Hannie Schaft, Gerrit van der Veen, Titus Brandsma, dan stelt dat ook vragen aan onszelf – onze overtuiging, ons geloof; onze kerk.

Het is vaak die ene mens die het verschil maakt en daar de prijs voor betaalt. Veelal in anonimiteit, naamloos gebleven. De meesten. Maar er zijn er ook wier naam we kunnen noemen ; in wie we alle anderen kunnen gedenken: Ghandi, Rosa Parks, Nelson Mandela, Edith Stein. Mensen die zichzelf, hun ideaal en hun medemensen trouw bleven. Vaak in grote eenzaamheid. Een vrouw als Maria: ‘De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.’ Een man als Paulus: ‘Ik heb de goede strijd gestreden, de wedloop volbracht, het geloof behouden.’ (Paulus, wiens leraar Gamaliël was, schriftgeleerde, lid van het Sanhedrin, het hoogste joodse rechtscollege.)

En zo kunnen we vandaag kijken naar Petrus, de soms wankelmoedige rots – maar een rots! – aan wie Jezus zijn missie toevertrouwde. Hij komt is beide lezingen prominent aanwezig. Trouw aan zijn zending, voert hij voor de Hoge Raad namens de apostelen het woord, waarbij hij de woede riskeert van leden van de Raad die hij herinnert aan hun smadelijke rol bij de terdoodveroordeling van Jezus van Nazaret: ‘Het is belangrijker om naar God te luisteren dan naar mensen. Jullie hebben Jezus aan het kruis gehangen en hem gedood. Maar de God van onze voorouders heeft hem uit de dood laten opstaan.’ Petrus, dezelfde die Jezus driemaal verloochende – ‘Ik ken die man niet!’ Dezelfde die in de vroege ochtend op het mistige meer als eerste de stem van zijn verrezen Heer herkende en hem verheugd en ongeduldig tegemoet sprong. Dezelfde die na die wonderlijke visvangst met het schaamrood op de kaken Jezus driemaal moest bezweren dat hij van hem hield.

Mannenverhalen. Over mannen die ertoe deden. Die de trouw aan hun Meester bijna allen met de dood moesten bekopen. Hun namen staan vermeld. En in de schaduw van hun namen, merendeels onleesbaar, de namen van vele vrouwen die ertoe deden. Moedige vrouwen die het verschil maakten. Maria, Jezus’ moeder. Maria van Magdela. Enkele vrouwen genoemd in brieven van Paulus: Tryfene en Tryfosa, Julia, Aquila en Prisca, Claudia. 

Zoveel namen. Zoveel mensen. Zoveel beelden van God.

 

Meindert Muller

 


Ter Overweging:  28 april 2019 Thema: Niet te geloven.

Een paar weken geleden bezocht ik een kerkdienst niet ver hiervandaan.

Tijdens de voorbede hoorde ik het volgende:

Laat ons bidden voor hen die ongelovig zijn geworden, dat zij de weg van de Heer toch weer snel mogen gaan bewandelen.

Ik wist niet of ik mee moest bidden, het ging zo snel en wat werd er nou eigenlijk mee bedoeld, met mensen die ongelovig zijn of zijn geworden.

Wat is dat nou toch? Geloof en ongeloof.

Een tijd geleden lag in het hospice in Geleen een mevrouw, 59 jaar oud en zij had nog maar een paar weken te leven. Ziekenzalving, dat hoefde ze niet. 

Nee, zo zei ze, ‘Mijn geloof dat ben ik allang verloren.

Toch had ze nog één wens.  Haar dochter was in verwachting.

Als zij haar eerste kleinkind nog maar kon zien. En die wens ging in vervulling.

Het was een meisje en zij kon haar kleinkind nog in haar armen houden.

En zij zei: Ik geloof niks, maar dat kind, dat is niet te geloven, echt: een wonder!

Een paar dagen later overleed zij, zonder geloof, met veel verdriet over wat zij moest gaan missen, maar ook een groot vertrouwen op  het leven dat op dat kleine meisje zou wachten.

Geloof en ongeloof dwars door elkaar heen? Ik vond het heel menselijk.

Ik zou niet weten waarom ik voor deze vrouw zou moeten bidden dat zij toch maar weer op de weg van de Heer zou belanden. Zat zij daar niet allang? Op haar manier?

In de eerste lezing hoorden wij hoe de mensen hoopten dat, al was het maar de schaduw van Petrus, die aan hen voorbijging, op de zieken zou vallen. Dan zouden ze genezen.

En ik citeer uit Handelingen:

‘Zij brachten zieken mee en mensen die leden aan onreine geesten en allen werden genezen.’

Genezen, alleen door de schaduw van Petrus die langsging.

Wie gelooft nu nog in zoiets?

Meer mensen dan u denkt, zo lijkt mij.

Iedereen wil graag op een selfie met Frenkie de Jong. Of nu met Matje van der Poel.

Misschien word je dan net zo’n goed voetballer, of fietser.

Zelf fiets ik graag. Sinds een maand sta ik op een foto met Joop Zoetemelk.

Waarom  doe ik dat? Toch vanuit een soort onbestemd vertrouwen dat iets van zijn talent of kracht, of schaduw op mij afstraalt? Ik vond het leuk, het deed mij goed.

‘Geloof’ dat wordt binnen onze kerk dikwijls gereserveerd om een heel systeem van regels en voorschriften aan te duiden, waarin je dan moet geloven om mee te kunnen doen.

Doe je dat niet, dan ben je als de ongelovige Thomas.

Je bent van je geloof gevallen en in de kerk wordt er dan voor je gebeden.

Zou het begrip ‘vertrouwen’ niet meer aangeven wat wij bedoelen met geloof?

En breder van betekenis ook  dan het woord ‘geloof’ alleen.

Vertrouwen, een mooi woord.

Ja, hoorde ik laatst iemand zeggen, je moet wel heel veel vertrouwen hebben om in je auto te stappen en aan het verkeer mee te doen.

Als je toch bedenkt hoe afhankelijk je bent van al die andere duizenden mede-weggebruikers. Die moeten het allemaal goed doen en daar hangt jouw leven van af.

Wat een groot vertrouwen hebben wij eigenlijk. Het is toch niet te geloven.

‘Vertrouwen’ , dat impliceert ook geloof.

Gelovig ben je, als je rechtop en met open ogen je aan een ander mens durft toe te vertrouwen. Als je aanspreekbaar bent, als je iets durft te verwachten van of voor een ander.

Als je je kunt laten raken en roepen, of , zoals die mevrouw in het hospice, als je verwachtingen hebt van de toekomst voor je kleindochter.

De apostel Thomas wordt wel eens beticht van ongeloof, hetgeen niet helemaal zou deugen.

Maar, deze Thomas staat in het Paasverhaal tussen tal van Bijbelse figuren die ook hun twijfels hadden, hun onzekerheden.

Jezus zelf voorop: toen Hij aan het kruis hing, in zijn doodsangst:

Mijn God, mijn God , waarom hebt U mij verlaten?

Daarna Maria Magdalena die meende de tuinman te zien in plaats van de verrezen Jezus.

Logisch, want het idee dat je iemand die al gestorven is, nog kunt tegenkomen, onbestaanbaar.

En de Emmaüsgangers , zij zagen in Jezus een vreemdeling en zij herkenden hem pas bij het breken van het brood.

En tenslotte de leerlingen : zij zaten niet voor niets in een zaal met de deur op slot. Bang voor de buitenwacht. Niet in staat om de vreugde van de Verrijzenis tot zich te laten doordringen.

Thomas is zo het prototype van een gewone mens. Met  angst, en twijfel, en  ongeloof.

Maar  ook met levensvreugde en met vertrouwen  in de toekomst.

Omdat Jezus tussen hen en ook ons in kwam staan, en die ons aansprak

En die zei: Vrede zij u.

En zo schonk Jezus ons het vertrouwen, ofwel het geloof, om onze Levensweg te gaan.

Het zit in ons, in u en in jou en mij. Het is ons geschonken, van jongs af aan.

Het is niet te geloven..  Amen.     

                 

Hans van Druten.

 


Ter Overweging 6 en 7 april 2019

Hoopvolle teksten vandaag. Teksten die deels best lastig en zelfs afstotend zijn (realiseren we ons wel dat die oudtestamentische straf, die stenigen is, ook nú nog her en der gebeurt, en dat het (eveneens verbijsterend en mensonterend) ook nu nog zo nog is dat de vrouw die overspel heeft gepleegd degene is die gestenigd wordt en niet de man, die natuurlijk net zo schuldig is?) Maar de teksten zijn vooral toch ook: hoopvol. Jesaja ziet paralellen tussen de uittocht uit Egypte en de periode waarin hij zelf leeft, de tijd aan het einde van de Babylonische ballingschap. De Perzische koning Kores of Cyrus zal de joden terug laten keren naar hun land. In dit licht moeten we ook een deel van de problemen in het huidige Israël en De Palestijnse gebieden zien. Voor de derde keer in de geschiedenis konden de Joden terugkeren naar hun land, daar zullen ze dus niet zomaar weer afstand van doen. Doordat anderen daarvoor van hun land werden verdreven, bleken oplossingen zo nieuwe problemen te creëren…

Dichterbij, in onze eigen situatie (maar ook relevant voor het Midden Oosten) kunnen we van deze Bijbeltekst ook wat leren. We mogen er bijvoorbeeld hoop uit putten dat we als mensheid, hoe erg we de wereld ook al beschadigd hebben, kunnen en mogen overleven. Ook als de situatie uitzichtloos lijkt, is er hoop.. zie, ik ga iets nieuws beginnen, het begin is er al, ziet ge het niet? Ja, ik zie het! Ik zie mondige en positief-opstandige jeugd bijvoorbeeld, en het oude spreekwoord zegt het al: zíj hebben de toekomst!

Jezus is vandaag in zijn element. Weinig teksten intrigeren me zo als deze. Wijs als zijn voorganger koning Salomo weet hij kunstig de kern te raken. Wie is immers zonder zonden? Een verschil met nu lijkt me wél dat de farizeeën met de staart tussen de benen afdruipen, zij wisten zich met argumenten verslagen. Er zijn mensen in ónze dagen die zo'n oogkleppen op hebben dat ze zouden blijven schreeuwen dat zíj gelijk hebben, ook al weten ze dat dit absoluut niet zo is. Toch een beetje sympathie van mijn kant dus voor die ongetwijfeld wijze mannen die de farizeeën ongetwijfeld óók waren ...

Opvallend is natuurlijk dat Jezus in het zand schrijft. Zouden we niet allemaal graag weten wat daar stond?! Maar dat lijkt me nu precies zijn bedoeling te zijn geweest, dat we dat níet moeten weten. Jezus breekt hier niet met de joodse wet, maar vult de oude joodse wet aan en geeft er een herziene wet voor terug, die van inkeer, vergiffenis en kans op een nieuw begin. Hij lijkt hiermee een vingerwijzing te geven naar een ándere manier van straffen, door oprecht berouw te hebben en opnieuw te beginnen. Daar waar Mozes' wet (Gods wet eigenlijk natuurlijk) letterlijk in steen gebeiteld was, lijkt Jezus hier aan te geven dat ook in Gods wet beweging moet zitten, dat ook Gods wet dynamisch is, tijdgebonden als letters in het zand, die door wind, water of een handgebaar kunnen worden weggeveegd en veranderd. En misschien lijkt Jezus hier ook wel een beetje het eigen geweten te introduceren. Kern van zijn opdracht is immers: je krijgt ook van mij geen straf, maar kijk in je hart en zie dat het fout is wat je hebt gedaan. En vervolgens: doe het voortaan anders. En dan is een schuldbelijdenis, of we die in gezamenlijkheid in een viering doen, of in een persoonlijk gesprek, maar ook in een 'biechtgesprek' een heel goede en waardevolle zaak. Het ontlast je geweten en je kunt ‘verlicht’ weer verder. Het geweten bestond natuurlijk al, maar kardinaal John Newman introduceerde het in onze moderne kerk. Hij was als een van de beroemdste Anglicanen van zijn tijd Katholiek geworden (een destijds wervend geloof!).

In de jaren 1870, kort na de verklaring van onfeilbaarheid van de paus, werd hem een strikvraag gesteld: of hij op de Paus wilde toasten bij een diner. Zijn antwoord was: Ik zal eerst toasten op het geweten én daarna op de Paus. Zo zette hij wijs de piketplaatjes uit, waar denk ik de húidige paus Franciscus het van harte eens mee zal zijn!

Onlangs stond een column in de krant: De bioloog Marc Hauser gaf een aantal jaren geleden in Moral Minds het voorbeeld van vijf mensen die vast zitten op een spoor. Denise, een denkbeeldig persoon, staat bij een wissel. Door die om te zetten kan ze de vijf mensen redden. Maar dan zal de trein wel een persoon doden die op een ander spoor loopt. Veel mensen vinden het moreel toegestaan (en zelfs verplicht) om de wissel om te zetten. Richard Dawkins zet hier in zijn boek God als misvatting een interessante kanttekening bij: wat doe je als die ene man Beethoven is? Of een goede vriend? Een ander dilemma van Hauser is nog pregnanter: het draait om een ziekenhuis waar vijf mensen liggen te sterven omdat er geen donororganen voor hen zijn. De chirurg ziet een gezonde man in de wachtkamer zitten. Die heeft de organen om de vijf mensen te redden. Bijna niemand zal zeggen dat het doden van die ene man moreel gerechtvaardigd is. De twee voorbeelden lijken op elkaar maar veel mensen, merkt Dawkins op, voelen intuïtief aan dat er een cruciaal verschil is. Ook al kunnen ze dat niet precies onder woorden brengen. Het interessante is dat er geen verschil is tussen gelovigen en niet-gelovigen bij het beantwoorden van deze vragen. Niet alleen het kwaad maar ook het goede zit in ons allemaal. Los van God.

Ik wens ons en onze kerk en onze hele samenleving veel wijsheid toe, veel mensen als kardinaal Newman én paus Franciscus toe en vooral veel aandacht voor een ontwikkeld en gevormd (zo mogelijk Christelijk) geweten.

Peer Boselie


TER OVERWEGING bij Lucas 15, 11-32 

Thema: Onze voetstap op aarde  31 maart 2019

Een aantal jaar geleden waren we met ons gezin aan het kanoën en legden we zomaar ergens aan voor een picknick. Daar zagen we op een warme steen een libel, naast de oude huid waar die net uitgekropen was. De vleugels waren nog niet te zien. De kinderen zaten er natuurlijk met hun neus er boven op. Ze begrepen dat de libel op dat moment heel kwetsbaar was en niet weg zou kunnen vliegen als er een vogel langs kwam die de libel als een lekker hapje zou beschouwen. We moesten blijven, vonden ze, totdat de libel kon vliegen. Uiteraard hebben we dat gedaan. Het was zo mooi ook om te zien hoe betrokken de kinderen waren. Deze momenten van verwondering moeten we koesteren en hebben we nodig, omdat ze zo belangrijk zijn voor onze houding ten opzichte van de natuur en daarmee voor de keuzes die we dagelijks maken, voor onze levenshouding.

Vandaag lezen we in het evangelie over een verloren zoon. Het verhaal staat in een reeks van verhalen over verloren dingen, het verloren schaap, het verloren muntje. Naar het schaap en het muntje werd net zolang gezocht totdat het gevonden was. Dat geldt echter niet voor de verloren zoon. Naar hem werd niet gezocht. Er werd wel vol verlangen naar hem uitgekeken, maar hij moest zichzelf terugvinden, zichzelf leren kennen.

In onze wereld gaan ook veel dingen verloren. Ik denk aan het verlies van planten en dieren. Vorig jaar werden we opgeschrikt door een onderzoek in Duitsland waaruit bleek dat 75% van de insecten was verdwenen. Ook het WNF kwam met verontrustende cijfers over verlies van de biodiversiteit. Oerwouden verdwijnen en vele andere leefgebieden voor mens, plant en dier. De jeugd ziet haar toekomst verdwijnen en is daar ook massaal de straat voor op gegaan. Zou dit alles kunnen komen doordat we de verwondering voor de natuur zijn verloren? Wanneer beleefde u voor het laatst zo’n verwonderingsmoment, dat je tot in je ziel raakt?

Paus Franciscus schrijft in de encycliek Laudato Si’ “Als we zonder openheid voor verbazing en verwondering de natuur benaderen, als wij niet meer de taal spreken van broederschap en schoonheid in onze relatie met de wereld dan zullen we ons als een overheerser gaan gedragen en de natuur uitbuiten voor ons eigen belang.” Als we eerlijk zijn en om ons heen kijken zullen we moeten concluderen dat het al zover gekomen is. Ons economisch model dat gericht is op groei en maximale winst heeft een keerzijde die leidt tot vernietiging van natuur, klimaatverandering en uitbuiting van mensen. We beseffen dat het anders moet. Maar dat gaat niet altijd van harte.

Ik heb het idee dat duurzaamheid vaak als een plicht wordt gezien, iets dat van buitenaf wordt opgelegd. Dat het wordt ervaren als lastig, vervelend, en duur. Een soortgelijke houding zien we de oudste zoon die was thuisgebleven. Hij reageerde niet met blijdschap op de terugkomst van zijn broer. Hij was boos, wrokkig, verontwaardigd. Was hij immers niet trouw gebleven aan zijn vader en had hij niet alles gedaan wat moest, wat van hem verwacht werd? Deze houding roept vragen op. Was de oudste zoon thuisgebleven omdat hij het graag wilde, omdat hij hield van zijn vader, het land en het bedrijf? Of was hij gebleven omdat hij vond dat het zijn plicht was. Herkennen wij ons zelf in de oudste zoon? Zien we duurzaamheid als een plicht?

Ons geloof nodigt ons uit om anders te kijken. Gelovig gesproken is duurzaamheid namelijk geen vervelende, moeizame of dure verplichting, maar een kwestie van verbondenheid. Paus Franciscus schrijft: “Als we ons innerlijk voelen met alles wat bestaat zullen soberheid en zorg spontaan ontstaan.” Wij worden opgeroepen om opnieuw te leren leven met alle andere schepselen in ons gemeenschappelijke huis. Dan is duurzaamheid geen plicht die van buitenaf wordt opgelegd, maar een manier van leven van binnenuit, vanuit het hart, vanuit de liefde voor al wat leeft.

Paus Franciscus stelt dan ook dat we een ommekeer van ons hart nodig hebben. Dat valt in een maatschappij die meer waarde hecht aan bezit, geld, status en macht eerlijk gezegd niet mee. Het verhaal van de verloren zoon laat ons zien dat we eerst iets moeten verliezen, voordat we beseffen dat is waardevol is. De verloren zoon genoot aanzien door het geld dat hij had te besteden kwam pas tot zichzelf toen hij geen geld meer had, en zijn zogenaamde vrienden hem hadden laten vallen als een baksteen. Hij was een niemand geworden. Hij had zichzelf verloren in de uiterlijke schijn van zijn leven. Maar als hij helemaal aan de grond zit, in het diepst van zijn ellende gebeurt er wat. Hij komt tot zichzelf, hervindt hij zichzelf. Hij erkent dat hij een verkeerde richting is ingeslagen en keert om, hij gaat terug naar zijn vader. Die ontvangt hem met open armen, want hij had vol verlangen naar hem uitgekeken.

We zijn denk ik allemaal een beetje als de verloren zoon, als de oudste zoon en als de vader. Jezus wil ons met dit verhaal, en al zijn verhalen, vertellen dat er altijd een Vader is bij wie je steeds terug kunt komen. Er is altijd een Onze Vader die je behoedt, die je uitdaagt, die uiteindelijk op je wacht. Dat geeft een grote kracht om steeds opnieuw je te keren in de juiste richting.

 

Marjolein Tiemens-Hulscher


OVERWEGING 2E ZONDAG VAN DE VASTENTIJD 16 EN 17 MAART 2019. Lezingen:  Genesis 15,5-12.17-18, Lucas 9,28b-36.

Inleiding

(enkele inleidende woorden over de aanslag in Christ Church in Nieuw Zeeland)

In de vastenperiode zijn er altijd een aantal ‘vaste’ lezingen op de zondag. En deze tweede zondag horen we het verhaal van de verheerlijking op de berg Tabor. Drie evangelisten hebben dit verhaal opgetekend, soms van elkaar verschillend. En dit jaar luisteren we naar de versie van Lucas.

In de eerste lezing gaat het over het Verbond, dat God met Abraham sloot; zijn belofte van een groot nageslacht en een plek op aarde. Dat verbond wordt bevestigd met een offer, dat uitvoerig wordt beschreven. Het is een eerste Verbond, en in de komende zondagen zullen we de geschiedenis van dat Verbond van God en de mensen in het Eerste Testament tegenkomen.

De bedoeling van de twee lezingen is duidelijk. Ze willen ons duidelijk maken, hoe God nabij is aan mensen, en zich soms toont in een overweldigende ervaring, die zich manifesteert in de natuur. Onze voetstap op de aarde en Zijn voetstap horen bij elkaar. En we staan verwonderd en verbaasd over alles wat daar gebeurt, en wat er in onszelf gebeurt. We bloeien op, en dat ontbottend groen vinden we ook in de versiering terug.

Overweging

Vandaag nodig ik u uit eens aandacht te kijken naar het doek, dat rechtsvoor in de kerk hangt. Het is een beeldende vormgeving van wat in de beide lezingen, vooral in het evangelie wordt verteld. U herkent het ongetwijfeld; het is de berg, die de aandacht trekt, met daarachter het opvlammend licht. En in het dal de dorpjes en de steden, de plaats waar de mensen wonen, elkaar ontmoeten en elkaar verhalen vertellen over het leven; hoe het was, het is, en het misschien worden zal. Ik wil met u vandaag rondwandelen door dat beeld, en misschien kunt u zichzelf een plaats geven op dat doek.

Ik begin in het dal, bij de huizenpartij ligt. Daar vond de prediking van Jezus plaats, de roeping van de apostelen, zoals we een paar weken geleden gehoord hebben. Kennelijk vonden ze deze rabbi uit Nazareth zo aanstekelijk in zijn woorden en daden, dat ze alles achterlieten en hem volgden, huis na huis, dorp na dorp. Maar als je het verhaal van Lucas – dat vaak een reisverhaal wordt genoemd – nauwkeurig gaat lezen, dan besef je, dat voor de leerlingen de toekomst allesbehalve duidelijk en glorieus was. Er zijn prachtige momenten in het volgen van rabbi Jezus; Hij breekt het brood voor de menigte, en ze eten in overvloed. Wie zou niet bij zo’n meester willen horen! Maar dan is er de lijdensvoorspelling – met name in Jerusalem loert het gevaar,zo lijkt het,  en dat wordt in de uitspraken van Jezus voelbaar. Zou je wel bij zo’n meester willen horen?  Ik kan me voorstellen, dat de voetstappen van de leerlingen getekend werden door een aangevochten geloof en twijfel aan de goede weg – en we kunnen ons soms heel goed in hen herkennen.

Maar dan die gebeurtenis op de berg. Dat maakt alles toch weer een tikje anders. In dat samenzijn met Jezus wordt aan drie van zijn meest getrouwe leerlingen duidelijk, waar het allemaal over gaat, en waar het goed voor is. Ze zien iets, wat normaal voor mensenogen verborgen blijft, en worden daarin bekrachtigd door de stem uit de hemel. Ja, dit is hij, zegt die stem; de mensenzoon – hij is het volgen waard.  Hun aanvankelijke aarzelingen worden er door weggenomen, minstens door verzacht.

Achteraf geven drie evangelisten hun eigen interpretatie van dit verhaal. Op basis van de mondelinge overlevering, zoals die werd doorgegeven in de dorpen en de steden onderaan de berg, toen ze weer waren afgedaald.  De leerlingen waren veranderd, wat was hen overkomen?

In het verhaal van Lucas staan een paar bijzonderheden, die we bij de andere evangelisten niet terugvinden. Het zijn Mozes en Elia die met Jezus spreken over zijn  ‘exodus’ , zijn uittocht in Jerusalem. Daarin wordt al iets aangeduid van de betekenis van zijn gang naar het kruis – het is als de exodus uit Egypte voor de joden, geen eindpunt, maar een doortocht naar nieuw leven.

Maar vooral dit. Het moet een overweldigende ervaring zijn geweest, op die berg. De drie leerlingen, zo staat er alleen bij Lucas, die in slaap gesukkeld waren, zijn ineens klaarwakker. Ze zien ineens helder, waar het allemaal goed voor is, waar die tocht met Jezus langs dorpen en steden allemaal toe dient. Ze zien Jezus in een flits zoals hij zijn plaats heeft in de traditie, tussen Mozes, de wetgever, en Elia, de eindtijdelijke profeet. En ja, hoe geef je daar woorden aan. Gestotter en gestamel. Petrus probeert het moment vast te houden. Laten we drie tenten bouwen, suggereert hij. Dat heeft niets te maken met het oprichten van een camping op de Tabor. Het heeft te maken met wat het joodse geloof de ‘shekina’ noemt, de plaats waar God zich manifesteert en zijn ‘qabod’ , zijn heerlijkheid, laat zien en voelen. Ooit in de tempel, waar hij zijn woning had. Maar nu is de God van het Verbond, ooit gesloten met Abraham en Mozes – zo wordt hen nu bevestigd – aanwezig in Jezus, de uitverkorene, het is onder hen menselijk aanwezig.

Een overweldigende ervaring. Ik kan mij als gelovige daar heel goed in vinden. Want ook ik woon in dat dal met zijn huizen en mensen, en zie veel voorbijtrekken en hoor vele verhalen. En wat het geloven betreft is het niet ondenkbeeldig, dat ik in slaap sukkel, overmand door geloof en twijfel. En het is goed om daar in de Vastentijd eens wat extra bij stil te staan.  Want je wordt geslingerd tussen wat er aan goeds en brood breken tussen mensen gebeurt – ik kijk even achterom en zie weer zoveel meeleven, verzameld voor de voedselbank – en alles wat het goede leven in kerk en samenleving afbreekt of zelfs vernietigt. En dan zijn er toch momenten van die overweldigende ervaring, van de bevestiging van het menselijk bestaan – dat het leven goed is, in goddelijke handen, en dat daarin - ondanks alles - het goede gerealiseerd kan worden.

Overweldigende ervaring – hoe kan dat en hoe geef je er woorden aan? Het is niet voor niets een berg als plek van die ervaring, het is niet zomaar een stuk natuur. Maar gaande op zo’n berg kan het een plek zijn, waar je overvallen kan worden door de ontzagwekkende schoonheid van de schepping, door wat je ziet en voelt en wat het met je doet. Dat er als het ware een andere werkelijkheid achter het gewone oplicht, die toch helemaal deze aardse werkelijkheid is. Kijk nog maar eens aandachtig. Je ziet daar een alles overstromend licht, en daarin worden alle kleuren van het leven veranderd.

Ieder van ons kent zo’n ervaring van dat overstromende licht, op een berg, of zomaar ergens,, dichtbij huis of verder weg. Het is – net als bij de apostelen in het evangelie – moeilijk onder woorden te brengen, wat er met je gebeurd is. Maar je gaat weer anders op weg. Je daalt weer anders af naar de stad van de mensen. Met minder aarzeling op weg naar die exodus, het Pasen, waarover het gesprek tussen Jezus, Mozes en Elia gaat. Want in je tocht door het dal zet je zelf je voetstappen. Maar wordt je eigen voetstap meer en opnieuw gedragen door de voetstap van God.

 

Ren Lantman

 

naar de vorige pagina ...