Ter overweging              


TER OVERWEGING          6/7 okt.  2018        Gen. 1, 26-31; 2, 1  Luc. 3, 10-14.18

Thema: Zorgen voor de aarde          

            

Op deze dag net na 4 oktober, de feestdag van de heilige Franciscus, die de natuur en mens en dier liefhad, denken we na over onze verantwoordelijkheid voor de aarde. We lezen in Genesis dat God zei: ‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.’

Heerschappij voeren over alles wat leeft op de hele aarde, dat is nogal wat. En er staat: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag.’

Dat heeft de mens gedaan zou je kunnen zeggen... Er zijn nu veel mensen op aarde, die allemaal hun rechten hebben en de wereldbevolking is nog steeds groeiende. De invloed van al die mensen - zoals ze nu leven - op die schepping, op milieu en klimaat is zo enorm dat duidelijk wordt dat er iets moet gaan veranderen. Hoe en wat precies is punt van discussie. Belangen zijn verschillend, gemakkelijke oplossingen zijn er niet.

Paus Franciscus besloot in de zomer van 2015 elke eerste dag van de maand september voortaan voor de gehele katholieke Kerk te bestemmen tot speciale gebedsdag voor het milieu. ‘Wereldgebedsdag voor de schepping’.  Vorig jaar hebben we in onze parochie de hele maand september in dit kader tot ‘Season of creation’ - maand van de schepping bestempeld. Je zou het thema van dit eerste oktoberweekend als een vervolg hierop kunnen beschouwen. Het bord ‘Season of creation’ stond in het weekend daarom ook weer in onze kerk.

In de encycliek ‘Laudato Si’ die ook in 2015 uitkwam, gaat paus Franciscus uitgebreid in op de klimaatverandering en andere ernstige milieuproblemen. Het gaat om verschijnselen die door onverantwoordelijk en egoïstisch gedrag veroorzaakt worden, aldus de paus. Gelovigen mogen daarop niet met onverschilligheid reageren. Wij zijn verbonden met de gehele schepping en ‘vormen met de andere wezens van het universum een waardevolle alomvattende gemeenschap’.

Broeder Aloïs van Taizé zei een jaar of twee geleden in een toespraak het volgende hierover: ‘De aarde behoort toe aan God, de mensen hebben haar ontvangen als een geschenk dat van hun allemaal is. Zij is ons gemeenschappelijk huis en zij lijdt vandaag de dag. De ontregelingen van het klimaat hebben als gevolg dat veel mensen gedwongen zijn hun woonplaatsen te verlaten. De overdreven ophoping van materiële goederen doodt de vreugde en houdt afgunst in stand. De eerste slachtoffers van ecologische rampen zijn vaak de allerarmsten. Onverschilligheid mag geen plaats krijgen in het licht van deze ecologische verwoestingen:

Het geluk bevindt zich daar waar gekozen wordt voor een eenvoudige levensstijl, waar niet alleen voor winst gewerkt wordt, maar ook om zin te geven aan het bestaan, daar waar gedeeld wordt, waar iedereen bijdraagt aan een toekomst. Ja, het uitdrukken van onze solidariteit met de hele schepping is ook een manier om vrede te zoeken. De aarde kent haar grenzen, mensen moeten daarom ook hun eigen grenzen erkennen.’

Als Fairtrade kerk proberen we zelf ook een steentje bij te dragen. Bianca Kruitz (Mondiaal Beleid) heeft ons in dat kader op zondag verder laten nadenken over het werken aan 17 werelddoelen. Welk doel is het belangrijkste? En welk het minst belangrijk? Of hangt het toch allemaal samen?

En we willen ons op de thematiek van het zorgen voor de aarde niet alleen bezinnen maar ook bidden voor Gods schepping: omdat wij erkennen dat zij kwetsbaar is; omdat God van ons verlangt dat wij van onze gekwetste aarde opnieuw zijn vruchtbare en gastvrije thuis maken. Laten we daar samen - ieder op onze eigen manier - iets aan doen...!

 

Elly Bus-Linssen

 


TER OVERWEGING 26e z.d.h.j., 29-30 sept. 2018.

Lezingen: Num. 11,25-29; Mc.9, 38-43; 45. 47-48.

Thema; ‘ontvankelijk’.

 

Het oude verhaal verbinden met de actualiteit, dat is de opdracht voor ieder, die op deze plaats de Bijbelverhalen wil vertalen naar de moderne tijd. En soms is dat heel lastig, en lijken die verhalen ver weg, niet voor ons bestemd. En soms zijn ze zo verrassend actueel, dat je er nauwelijks over durft na te denken, zoveel roepen ze in je wakker. En dat laatste is zeker het geval, wanneer ik het evangelie van vandaag probeer te verbinden met wat wij als gelovige christenen heden ten dage meemaken. Maar uiteraard is dat persoonlijk, al hoop ik dat u er als medegelovigen iets van herkent.

Dat evangelie van vandaag bestaat eigenlijk uit twee onderdelen; het eerste is een uitnodiging tot gastvrijheid, het tweede bevat een fikse waarschuwing. Beide elementen geven ons stof tot nadenken, over hoe wij ons als christenen in deze wereld zouden moeten gedragen. Zouden moeten, het blijft altijd een uitnodiging, die ons oproept daarvoor ontvankelijk te zijn. Ontvankelijk; bereid om te ontvangen, open te staan voor het nieuwe, en in ons geloof nieuwe wegen te beproeven.

Wat het eerste deel betreft is de situatie duidelijk. De apostelen ontdekken, dat er iemand is die niet tot de vertrouwde kring van de volgelingen van Jezus behoort, en toch goede dingen doet aan de medemens. En ze vragen Jezus om maatregelen om daar tegen in te gaan. Maar hij wijst hen terug; belet het niet, want ‘wie niet tegen ons is, is voor ons’. Sterker nog; als jouw goede werken worden erkend door mensen van buitenaf, dan verdienen ze daarvoor wat hen toekomt.

Voor mij raakt die woordenwisseling aan de actualiteit van een diep insnijdend debat in onze samenleving; wie horen er bij ons, en wie niet? Ook in de geloofswereld lijken die grenzen ons steeds weer te verlokken tot duidelijkheid, en buitensluiting. Het is verleidelijk je steeds weer in de eigen binnengrenzen op te sluiten, zoals de apostelen bepleiten. En daar tegenover pleit Jezus voor ontvankelijkheid. Kijk wat er gebeurt, zegt hij; wanneer mensen buiten de eigen kring goede dingen doen aan hun medemens, dan is dat goed; dan hoort dat bij de Goede Boodschap die wij brengen en  het goede dat wij willen realiseren. Sterker nog; als anderen jou erkennen in het goede, dan straalt dat zeker terug op hen zelf.

Waarschijnlijk is dat mooier gezegd dan gedaan. Want de drang tot zelfhandhaving, tot het orde op zaken stellen, zit er diep bij ons in. Onverschilligheid of vijandigheid in de samenleving jegens geloven of gelovigen roept – ook bij mij – een afweerreactie, en vaak boosheid op. Soms is tegenspraak terecht, als er onterechte of onheuse zaken mee in verband worden gebracht. Maar dat kan belemmeren, dat we het goede buiten de eigen kring niet meer waarnemen of op waarde schatten.

En het evangelie laat zien, dat de apostelen niets menselijks ons vreemd is. Zoals in het oude testament al wordt aangegeven, wanneer er mensen zijn – bij name genoemd -, die buiten de gebaande wegen profeteren, d.w.z. iets van Gods grootheid en goedheid willen realiseren. Dat levert altijd discussies op, maar Mozes nodigt degenen, die strikte grenzen wensen te stellen al uit om die grenzen juist te overschrijden en steeds nieuwe wegen tot profetie te zoeken. Kritisch, jazeker, maar ook ontvankelijk voor het goede dat zich meldt. En kijk: in de plaatselijke krant van deze week een bericht over het initiatief van een Zinloophuis. Een initiatief van de protestantse gemeente om van het Gruizenkerkje een ontmoetingsplek te maken voor zinzoekers…..*

Is het eerste deel van het evangelie van vandaag een uitnodiging tot een uitgestoken hand naar buiten, het tweede bevat een grimmige waarschuwing voor ons eigen gedrag, als gelovigen onder elkaar. Grimmig in de beeldspraak; wanneer je hand je ergert, doe er afstand van, wanneer je voet…. Niet alles van de tekst van Marcus – die ook zelf in de bijbel verminkt is gebleven – is voorgelezen om u het ergste te besparen. Maar het belangrijkste is natuurlijk: wat is deze waarschuwing, en hoe moeten we die begrijpen?

Het probleem of de oplossing zit al in de kop van de tekst. In de voorgelezen vertaling staat; ‘Maar als iemand, een van deze kleinen die geloven aanleiding tot zonde geeft’ (Marc.9,42). De vraag is natuurlijk, wat wordt bedoeld met ‘kleinen’ en ‘zonde’. Ook de geleerden zijn er niet helemaal uit. Maar met kleinen wordt waarschijnlijk bedoeld; degenen binnen de geloofsgemeenschap, die zich niet kunnen verweren. Kinderen voorop denk ik, maar ook al degenen, die zich op een of andere manier minder achten dan anderen. En met zonde wordt bedoeld: een schandaal veroorzaken, in diskrediet brengen, letterlijk zelfs; tot afval bewegen. De actualiteit daarvan is niet te ontgaan, ik kan niet anders dan aan al die berichten denken, weer over het misbruik in de katholieke kerk. Een regelrechte vertaling maakt je weer stil; ‘Wie ten aanzien van kleine mensen die zich niet verweren kunnen, een schandaal veroorzaakt…..’

Die niet mis te verstane waarschuwing is door Jezus bedoeld als een aanwijzing, hoe wij als gelovigen met elkaar zouden moeten omgaan. En ik probeer dat positief te verstaan. Oog hebben voor het kwetsbare, je voet bewegen in de richting van degenen, die het nodig hebben, je hand uitsteken naar degene, die je nog maar zo slecht kent. En soms helpt het, als je de evangelietekst een stukje verlengt, en het is me een raadsel waarom dat niet bij de tekst van vandaag hoort. Daar staat bij Marcus – en ik volg de voorgelezen versie – het volgende. “ Ieder zal met vuur gezouten worden. Het zout is iets goeds: maar als het zout zouteloos wordt, waarmee zult ge het dan zijn smaak hergeven? Heb zout in u zelf en leef in vrede met elkaar” (Mc9,49-51). U herkent ongetwijfeld de Bergrede.

Zout is – zeker in de oudheid, zonder koelkast in een warm klimaat – het middel tegen bederf. Wij worden dus aangespoord mensen zonder bederf te zijn, integere mensen. Misschien mag je zelfs vertalen ‘mensen met pit (in hun donder)’ te zijn. En zo in vrede met elkaar. Gastvrij en ontvankelijk wat ons van buiten tegemoet komt en daarin de goede dingen waarderen en onderscheiden. Met oog, oor en voet aanwezig zijn bij ieder die onze aandacht vraagt in deze gemeenschap. Ga er maar aan staan!

Die houding en praktijk van ontvankelijkheid is niet vanzelfsprekend, ook voor mezelf niet. Naast onze povere daden kunnen we er soms alleen maar om bidden. Of zingen, zoals straks in het volgende lied:

“Gij geeft het uw beminden in de slaap. Gij zaait uw Naam in onze diepste dromen.

Gij hebt ons zelf ontvankelijk gemaakt, zoals de regen neerdaalt in de bomen.

Zoals de wind, wie weet waarheen hij gaat, zo zult Gij uw beminden overkomen.”

 

Ren Lantman

 

*interview met ds. Irene Pluim in VIA van deze week.


TER OVERWEGING   23 sept. 2018  50 jaar St. Josephkoor / Mc. 9, 33-37

25e zondag d h j B                           Thema: Zingend bidden                 

 

Het geheim van ons bestaan klinkt door in het lied van de merel... zo schrijft Anselm Grün in zijn stukje ‘Het jubelen van de merel’ (Het grote boek van het ware geluk p. 136). Het gefluit van een merel kan je raken... Muziek kan je raken... een bijzondere uitvoering, een mooie compositie... Zelf meedoen daarin raakt nog weer op een andere manier. En het is niet gemakkelijk uit te leggen wat je precies raakt. Wie zingt in een koor heeft meestal ook wel een eigen voorkeur voor bepaalde muziekstukken... Wellicht raken sommige liederen een gevoelige snaar omdat ze in gedachten gelinkt worden aan een bepaalde gebeurtenis of persoon. Misschien zijn ze gezongen bij een bruiloft of een begrafenis. Het zijn liederen die raken aan het eigen leven.  Als zanger of luisteraar ben je van binnenuit erbij betrokken. En daar waar je van binnen geraakt wordt, kan muziek een gebed worden. Bij het zingen in de eredienst is dat precies ook de bedoeling en is er daarnaast dus tevens tekstueel sprake van een gebed. Een Kyriëlied bijvoorbeeld is een vraag om ontferming, een smeekgebed. Zo is zingen tweemaal bidden. En dat is wat het St. Josephkoor al 50 jaar doet... reden voor een feest...!

 

Een koor is een gemeenschap, zoals ook de groep leerlingen rondom Jezus een gemeenschap was. In zo’n gemeenschap hoor je bij elkaar en heb je eenzelfde doel. Tegelijk beleeft ieder dat op zijn eigen manier. In die groep leerlingen is er ruzie over wie er nou de grootste is onder hen... (Mc. 9, 33-37) Ook in een koor dat 50 jaar bestaat kan het in al die jaren niet altijd koek en ei zijn, zo weet ik vanuit mijn eigen ervaring als koorlid elders... Maar uiteindelijk gaat het om een gezamenlijk iets, het zingen.

 

Augustinus stelt zich in zijn ‘Belijdenissen’ vragen over wel of niet zingen in de liturgie. Mooie melodieën en goede zang kunnen afleiden van waar het om gaat. Maar, zo zegt hij, ‘ik heb ook het gevoel dat onze geest ontvankelijker wordt voor de inhoud van een psalm en meer opengaat voor het vuur dat hem bezielt als hij gezongen wordt, dan wanneer je hem niet zingt.’ Dat lijkt mij een goede reden om zeker wel te zingen... Dan wordt een lied nog meer een gebed.

 

Bidden - je kunt het doen met woorden, gesproken of gezongen, of in jezelf, van binnen, in je hart. Maar welke vorm het ook krijgt, het gaat om reiken naar God, een poging tot ontmoeting met de Eeuwige. Het is verlangen. Bidden is opengaan voor het geheim van het leven,  voeling houden met de bron waaruit jouw leven voortkomt. En als je zingt, dan wordt je bidden gedragen door je adem, je hele lijf resoneert er in mee. Wie zingt uit volle borst voelt het leven in zichzelf... Zingen kan het gebed intenser maken. Zingend bidden kan loven prijzen danken jubelen zijn maar ook een protest, klagen en vragen.

 

Bidden is niet vanzelfsprekend, ook niet voor de leerlingen van Jezus... Kun je wel echt bidden als je eigen ik op de voorgrond moet staan, als je ruzie maakt over wie de grootste is?‘Kijk naar wat er het belangrijkste is...’ Dat is de boodschap die Jezus zijn leerlingen meegeeft. Hij plaatst een kind in hun midden. Kijk naar dit kind... Eenvoudig weg zorgen voor wie dat zelf niet kan, dienstbaar in het leven staan in plaats van proberen om aanzien of macht te krijgen. Elkaar zien staan, oog hebben voor elkaars mogelijkheden.

 

Ook een kerkkoor is in wezen een dienaar, staat ten dienste van het samen vieren, de zang is bedoeld om God te eren en mensen dichter bij God te brengen. Het gaat niet om de prestatie, het hoogste zangniveau of de moeilijkste zangstukken. Het gaat ook niet om het zangplezier ‘an sich’, al komt de zang qua klank ongetwijfeld dichter bij de onderliggende bedoeling als de koorleden enthousiast zijn en graag meedoen. Het zingen dient een hoger doel. Het brengt ons bij God. Net als de merel trouwens... Het is zingend bidden...

 

50 jaar is een lange tijd. Het is allemaal begonnen in Stadbroek, in een ander kerkgebouw dan dit, met veel andere mensen die er nu niet meer zijn... Nog drie leden van het huidige koor zijn er vanaf het begin bij betrokken. In 50 jaar is veel gebeurd in de wereld. En in het leven van mensen hier. De parochie van Stadbroek is gefuseerd, al weer twintig jaar geleden, met de parochie Vrangendael. We vierden dat eerder dit jaar... Het koor is nu ook het koor van Vrangendael. Een jubileum doet je nadenken over die tijd die is verstreken. Een jubileum stemt dankbaar. We danken God voor al het goede dat het koor, het zingen, het samen optrekken en het luisteren naar de koormuziek ons heeft gebracht. Proficiat aan het hele koor en speciaal aan de jubilarissen!

 

Elly Bus-Linssen

 


                   Generaties voor vrede. Oecumenische viering Vredesweek zondag 16 sept. 2018.

 

Lieve mensen

 

Met het thema ‘Generaties voor vrede’ zie ik onmiddellijk kinderen voor mij, die als ongewenste vluchteling in tentenkampen worden opgeborgen, of geworteld in een nieuw thuisland weer moeten vertrekken. Ik zie ouderen voor mij, die niet anders konden dan de kans wagen en soms al in de overtocht naar een nieuw land strandden voor de kust.. Ik zie jonge mensen voor mij, die verlangen naar een betere toekomst, met heel wat ervaring en kennis op zak, maar ook met de constante vraag in hun hoofd: vind ik wel ruimte, mogelijkheden?  Ik zie mensen voor mij met zorgelijke, getekende gezichten, want wie wil nu geweld, armoede, oorlog… als een mens geschapen is om de vrede te bewaren..?

 

“Vrede valt pas echt op als het er niet is”. Lidewij van 23 staat met deze uitspraak op een poster van PAX voor deze vredeszondag. En terwijl ik deze zin intyp, kijk ik uit mijn werkkamer de zonnige straat in. Met wat bouwgeluiden op de achtergrond een vredig beeld.

 

Ik kén geen oorlog, ik heb nooit oorlog ondervonden.

Ik heb alleen de verhalen van toen gehoord, van oudere mensen in ons eigen land,

of ervaringsverhalen van mensen uit andere contexten, nu.

Ik hoor en zie de effecten, soms op de hele lange termijn,

maar ik kén ze niet. Ik ken geen oorlog, maar misschien ook wel geen vrede.

Want Vrede valt pas echt op als het er niet is..

 

Ik kán mij ervoor afsluiten, voor het gebrek aan vrede in andere landen. Ik kán mijn ogen sluiten, mijn oren dichtdoen, mijn hart vergrendelen..Ik kán het en meer dan eens veroorloof ik mij deze luxe… Ga ik op in mijn eigen leven. De oorlogen, conflicten, gewapende strijd, al de verschillende partijen en belangen. Het is té veel, té groot..

 

Geloof ik er eigenlijk wel in, dat vrede mógelijk is?

Als ik de brandhaarden zou téllen in de wereld.

Als ik al de hatelijke uitspraken en vastgeroeste beelden van uitsluiting en vervreemding zou meebeluisteren. Als ik bedenk wat mensen elkaar kunnen aandoen..?

 

Een mens is geschapen om de vrede te bewaren, dat is het ideaalbeeld.

Maar wat is de realiteit? Mijn realiteit is niet die van Syrië, of Afghanistan, of van overvolle mensonterende tentenkampen op Lesbos..

 

Wie ben ik eigenlijk om hierover te overwegen, op deze vredeszondag?

Ik leg mijn oor te luisteren bij bijbelse perspectieven en dan is dit misschien wel de vraag die mij vandaag gesteld wordt:  

 

Welke realiteit wil ik zien?

In welke realiteit wil ik betrokken zijn?

 

In het bijbelverhaal dat we vanmorgen beluisterden komt veel emotie naar boven.

De emotie van de vader die zijn zieke/bezeten jongen bij Jezus aanbeveelt. De emotie van de leerlingen die deze jongen al eerder zagen en niet konden helpen (waarom niet Jezus?)

De emotie van Jezus die tegen een muur van onbegrip en ongeloof aanloopt, hebben jullie het nou nog niet begrepen, hoe hou ik dit vol! En dan zijn er nog schriftgeleerden, is er een menigte mensen, is er de jongen zelf en zijn kwade geest, die tekeer gaat..

 

De jongen wordt steeds weer ‘stom’ gemaakt, op de grond gegooid, kan zichzelf niet meer uiten en ontplooien. Een andere, kwade geest heeft hem tot zijn bezit gemaakt..

De jongen is hulpeloos, de vader is machteloos.

 

Deze vredeszondag geeft een heel bijzondere context aan dit verhaal, geeft mij een bijzondere bril waarmee ik deze scene bekijk, die dan niet zozeer gaat over een letterlijke genezing, maar over het uitbannen van kwade geesten, het uitbannen van ongeloof. Het terugwinnen van geloof, of liever gezegd: het terugwinnen van vertrouwen.

 

Al een aantal decennia geleden sprak ook Dorothee Sölle over deze tekst, bij een bijeenkomst over de wapenwedloop in Amsterdam. En zij pakte dit moment uit deze scene: de vraag van de leerlingen: ‘waarom konden wij de boze geest niet uitdrijven?’

 

En dat is ook een heel veelzeggend moment in dit verhaal. De vertwijfeling van de leerlingen. De moedeloosheid ook. Wat jij kan Jezus, dat willen wij ook kunnen. Wat jij teweeg brengt, zouden ook wij teweeg willen brengen.. Wat is er eigenlijk nodig om te kunnen wat jij kunt?

 

Ze wíllen het wel: rust brengen, genezing, kwade geesten uitbannen..maar ze geloven er eigenlijk toch ook níet in, lijkt dit verhaal te willen vertellen.

Ze geloven er uiteindelijk niet in, dat ze het verschil kunnen maken. Dat ze deze jongen op de been kunnen helpen. Dat ze zijn situatie kunnen doorbreken.

 

En ik stel mij zo voor dat er in de discussie met de schriftgeleerden heel veel gepraat wordt, het een en ander beleden wordt,

maar dat de goede moed, het gevoel, het vertrouwen ontbreekt,

omdat de vertwijfeling en de aarzeling, de angst en het tekortschieten de overhand hebben.

 

Een sleutelwoord in deze tekst is daarom, vertrouwen. Het woord dat we zo vaak met ‘geloof’ vertalen, maar in de bijbelse grondtekst beide betekenissen draagt.

 

Er blijkt een tweestrijd te zijn tussen ‘geloof en ongeloof’

of tussen vertrouwen, en er niet meer op (kunnen of durven, of willen) vertrouwen..

 

En de vader van de jongen heeft dit uiteindelijk heel goed door, hoe die tweestrijd bij hem werkt. Hoe die kan tegenwerken en kan tegenhouden..

 

Wanneer Jezus bij de groep komt en vraagt wat er allemaal gaande is, geeft hij eerst het plaatje. Zijn zoon is ziek en de leerlingen konden hem niet helpen.. En de situatie is ernstig, van jongs af aan wordt het kind geplaagd en in extreme situaties gebracht. En vervolgens vraagt hij of Jézus medelijden wil hebben, kun jij hem dan helpen..?

 

Als je gelooft, kan alles… zegt Jezus dan.

 

Zo, dat je het maar even weet..

Dit is misschien wel een van de uitspraken van Jezus die het meest uit de context is getrokken. Als je maar genoeg gelooft, genoeg bidt, dan zul je verhoord worden… zul je genezen, zal jouw situatie veranderen..

Mensen zijn erop stuk gelopen, zijn erop beoordeeld, God is ermee weggezet..

 

Als je gelóóft, kan alles..  Zeg dat maar eens tegen mensen die alle houvast kwijtgeraakt zijn.. en voor wie de toekomst onzeker is..

Alsof oorlog verdwijnt, misere oplost, als je maar gelooft..

 

Toch, als je alle geloof, alle vertrouwen kwíjt bent, kan er niets meer ontstaan,

kan er niets meer groeien, kun je alleen maar verder zinken.

Als je alle vertrouwen kwijt bent, raak je volledig ten prooi aan wat jou in het water en in het vuur gooit. Raak je ten prooi aan kwade geesten, aan geesten van vertwijfeling, angst, verstarring, wanhoop

 

Als je vertrouwen hebt, je vertrouwen weer oefent, dan is er weer toekomst mogelijk. Breekt jouw leven weer open. Kan er weer licht bij jouw duister komen, kan er weer vrede bij jouw onvrede gevonden worden.

 

Voor mij is dat het wat Jezus in deze situatie als belangrijke levensles meegeeft.

En de vader van de bezeten jongen hoort deze les. Maar hij kent zichzelf ook.

Hij weet hoe hij soms even een lichtpunt ziet, maar ook de moed weer kan laten zakken.

Hij weet hoe het vertrouwen hem bij de handen kan afbreken, als hij aangevochten word, teleurgesteld raakt, ziet wat zijn kind moet meemaken. Hij kent de realiteit, die er best somber uitziet, maar wil toch ook blijven hopen, blijven verlangen.. en hij zegt daarom:

Ik geloof! Maar kom mijn ongeloof te hulp!

 

Dat is eigenlijk een heel wezenlijk moment in dit verhaal.

De vader kent zijn beperkingen, zijn menselijkheid

(wat heeft het ook voor zin om je geloviger voor te doen dan je bent. Om de spanningen, de angsten en de twijfel die in je leven te ontkennen)

En hij zoekt daarin de hulp van Jezus.

Het is een schreeuw vol hoop eigenlijk van de vader. Een schreeuw die richting heeft.

En Jezus hoort het

 

De jongen vindt uiteindelijk genezing vertelt het verhaal ons.

De kwade geesten roeren zich nog, maar kunnen niet tegen de gebiedende stem van Jezus op.. En hij nam de jongen bij de hand en liet hem opstaan.

De jongen kan weer volop leven.

 

Maar de vader óók. Hij heeft zijn wanhoop én zijn hoop laten spreken.

Aan het einde van dit verhaal horen we Jezus tegen de vertwijfelde leerlingen zeggen: 

Je kunt dit soort geesten alleen wegjagen door te bidden.

 

Welke geesten kunnen dat zijn op deze vredeszondag?

Vertrouwen wij nog dat vrede mogelijk is?

Dat wij daar aan kunnen bijdragen? Met welk klein initiatief ook.

Staan we open voor de mogelijkheid van vrede?

 

Laten we de verhalen horen en delen van mensen die op ons pad komen

Ons met hen verbinden

laat ons bidden zo groot als de wereld zijn

 

Maar vooral: laat ons roepen als die vader die de hoop niet verloren is,

tegen de klippen op misschien

 

Dat we blijven geloven dat een mens geschapen is om de vrede te bewaren.

Dat we betrokken zijn in Góds realiteit

Dat de geest van vertrouwen ruimte blijft vinden

En dat we niet ten prooi raken aan een geest van onverschilligheid,

Een geest van onmacht, van angst en wraak..

 

Dat we eerlijk bekennen: Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp!

 

Dat we bidden, blijven bidden om vrede..

 

Irene Pluim

 


 

OVERWEGING : 24ste Zond. Jaar B 15 09 2018, zaterdag

Jes. 50, 5 – 9a Marcus 8, 27-35

 

Beste mede gelovigen,


het is natuurlijk helemaal toeval,
maar dit weekeinde heeft deze parochie samen met
de gelovigen uit de Johannus kerk gedacht om
als een gelovig volk van God samen te vieren en
wij hebben dit weekeinde daarom een Oecumenische viering op zondag.
Dit om Jezus grootste wens:
dat we samen EEN zijn, zoals Jezus een is met de Vader!
Naar deze eenheid zijn we al jaren op zoek,
nadat onze wegen uit elkaar zijn gegaan.
Om deze eenheid weer te vinden moeten wij allen er verzekerd van zijn dat
- zoals we lazen in de eerste lezing:
De Heer Jahwe ons bij staat,
want pas dan komen wij op onze zoektocht niet bedrogen uit!
Maar er zijn er onder ons die op Petrus lijken en
daarvan zegt Jezus weer heel duidelijk:
“Ga weg, satan, terug!
want gij laat u leiden door menselijke overwegingen en
niet door wat God wil.”
Jezus geeft ons dan meteen een duidelijk advies als het zegt:
“Wie mijn volgeling wil zijn,
moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en
zijn kruis op te nemen.
En dat kruis is in Jezus woorden:
Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen.
Maar wie zijn leven verliest omwille van Mij en het Evangelie,
zal het redden.
Maar zoals Petrus willen wij toch eerst en
vooral aan onszelf denken en NIET aan Jezus wens!
Zal Jezus wens om samen EEN te worden,
ooit echt onze wens worden . . . . . .
Laten we – terwijl we hier samen met Hem vieren en
hem met elkaar delen –
hier eens even echt over nadenken en
de juiste stappen ondernemen……………………..

 

P.Verhagen



TER OVERWEGING     9 sept 2018              23e d h j   B  
Thema: Ga open       Jes. 35, 4-7a  Mc. 7, 31-37
                                          
Af en toe overkomt het een mens. Een hersenbloeding verlamt zijn halve lijf. Vaak is ook de spraak aangetast. Hij wil van alles zeggen, maar er komen alleen maar geluiden zonder betekenis uit zijn keel. Als je zo iemand bezoekt, voel je je machteloos.
Ik bezoek wel eens iemand die door dat lot getroffen is. Hij begint dan heftige klanken uit te stoten en lacht me vriendelijk toe. Zijn vrouw zit iedere dag naast hem. “Hij wil u bedanken” zegt ze, “hij zegt dat hij het fijn vindt dat u komt. Hij kent u nog wel.” zij verstaat hem steeds beter. Niet omdat de zieke beter gaat praten, maar omdat zij steeds beter leert verstaan. Ze heeft genoeg aan minder dan een half woord. Goede luisteraars helpen stommen spreken en doven horen. Ik ken ook iemand die bij een sprakeloze patiënt muziek gaat draaien die hij mooi vindt. Zo communiceren zij met elkaar.

Iemand bevrijden die in een communicatiestoornis gevangen zit, dat is ook wat Jezus doet vandaag. Marcus beschrijft het tot in de details. Jezus neemt de man buiten de kring. Want Hij wil geen sensatie, geen aandacht voor zichzelf. Hij concentreert zich op de zieke. Hij raakt zijn oren aan en zijn tong. Met speeksel. Aan speeksel, vooral ochtendspeeksel werd in de oudheid genezende kracht toegekend. Mijn oma adviseerde nog, als je ergens een wratje had, om er nuchter speeksel op te doen
Jezus geneest, zoals alle genezers in de oudheid, op suggestieve wijze. Door een vertrouw-volle relatie tussen geneesheer en patiënt. Met een bevelend woord: Effeta!  Met een vaderlijk gebaar, vanuit gezag en met gebed. In het besef dat de genezing niet uit eigen kracht, maar van God komt. Marcus ziet het genezen als Gods genade en de genezer als Gods werktuig.  Mijn vroegere exegeseprofessor moest een geopereerd worden. De arts had tegen hem gezegd: Pater, als het fout gaat, heb ik het natuurlijk gedaan. Als het goed gaat heeft God het gedaan.” En toen antwoordde de pater: “Dokter, God heeft uw handen.” Ja, waarom niet. God kan ook de handen van een goede arts hebben. En of er nu genezing komt door behandeling van een arts of een opbeurend compliment, of door een geduldig aanhoren van de klacht, of door een kuur met kruiden of pillen, of door een kusje van mama op de zere knie, het zijn allemaal tekens van God.
Hartelijk contact alleen al kan genezend zijn. Een bezoekje van iemand van de zonnebloem. Aangeraakt worden door warme belangstelling kan doofheid wegnemen en tongen losmaken. “Effeta!” Ga open!

Mensen kunnen op vele manieren doof zijn en stom.
Ze kunnen zó geslagen zijn door het leven, dat ze dichtklappen,  verdoofd zijn van verdriet.
Mensen kunnen zó met zichzelf bezig zijn, dat ze geen oor meer hebben voor een  een ander. Let maar eens op hoeveel gesprekken er mislukken, omdat mensen niet echt luisteren naar wat een ander zegt en steeds over zichzelf praten.
Soms bijten mensen op hun tong en zeggen niets meer, omdat ze overal veroordeling en afwijzing ontmoeten.

“Effeta”, ga open! zegt Jezus. Een verlossend woord. Marcus schrijft zijn evangelie in het Grieks. Het is opvallend dat hij dat ene woordje liet staan in het Aramees. Dat was Jezus' spreektaal. Het kwam ook in de Joodse eredienst voor. Het werd gezegd voordat de Schriftlezing begon. “Ga open!”  Jezus zegt het tot die ene doofstomme, maar ook tot al die andere verstopte oren en verkilde harten.
“Effeta”, in de doopliturgie wordt het nog tot elke dopeling gezegd. De priester raakt dan de oren, de ogen en de mond van de dopeling aan en bidt: Ga open voor het leven. Voor wat het je bieden zal en vragen zal. Voor de mensen om je heen. En voor God die tot je spreekt in zoveel mensen en dingen, maar vooral in de liefde. “Effeta”, een uitnodiging om je te openen. Jij mag er zijn van God. Kom uit je schulp. Jij mag er zijn, ook van mij. Wij mogen Jezus' bevrijdend woord verder spreken. Amen.

Pastoor Frans Delahaije

 


TER OVERWEGING        8 sept 2018                        23e d h j   B        

Thema: Ga open                Jes. 35, 4-7a        Mc. 7, 31-37

Er is iets gebeurd. Je kunt het bijna niet bevatten. Het is te onverwacht… of te groot… of niet te begrijpen… Je slaat helemaal dicht. Je kunt er niet over praten… En woorden van anderen komen niet meer binnen… Misschien herkent u dat... Je bent als het ware doofstom...

Je leest het in de krant of op internet, je hoort het op de radio of tv. Alweer een ramp. Alweer een oorlog. Alweer misstanden in de kerk of de politiek. Je kunt het niet meer horen. Je wilt er geen foto’s meer van zien of discussies meer over voeren. Op slot...

Dat gebeurt soms. En waarom? Je beschermt jezelf. Je kwetsbare kant wil je niet laten zien. Of je bent bang dat je jezelf laat meeslepen in negatieve gevoelens, in pessimisme over de toekomst. De toekomst van jezelf,  van je kinderen of misschien ook wel van ons land of onze wereld. Je pantsert jezelf. Je zoekt het gezellige en prettige deel van het leven op en je houdt je verre van het kwaad en de ellende...

Jezus houdt zich niet afzijdig van de mensen die het moeilijk hebben, zo lezen we in het evangelie. Hij engageert zich. Hij opent zich en laat zich raken. En dan raakt Hij de doofstomme aan... Diens oren gaan open en hij kan spreken...

Hoe kan dit verhaal voor ons van betekenis worden? Is het mogelijk dat wat er via de media verspreid wordt aan noden in de wereld nog bij ons binnen komt? Kunnen we nog geraakt worden door wat mensen om ons heen meemaken...? Door hun vragen en wensen, in woorden of ook onuitgesproken?

Vat moed, God komt om je te redden zegt Jesaja. God wiens naam is Ik-zal-er-zijn voor jou. En ook Jezus is zoals God present. Als je onrustig wordt van alles wat te veel, te moeilijk is... Als je je wilt afschermen, dan kan het misschien helpen om God om hulp te vragen... Opdat er evenwicht komt tussen de zwaarte van het leven en de lichtheid, de vreugde, vrijheid.  Je mag open staan voor beide kanten van het leven! Genieten is niet egoïstisch. Maar daarnaast moeten we open blijven staan. Open, met het evangelie in onze oren... En ontvankelijk en benaderbaar, empathisch en vrij rondkijken in de wereld, in de samenleving, in onze buurt, parochie en familie.

Zo wil ik deze tekst ter overweging laten aansluiten op de laatste zin van de tekst van Meindert Muller van vorige week, zoals die ook staat op onze website: wie een beetje evangelie in zijn oren heeft hoort Jezus zeggen: ‘Allereerst de zwakken. Allereerst de kleinen. Dat ze tot hun recht komen.’

Kijk wat Jezus deed... Kijk hoe hij dat deed: zonder groot vertoon, nauwelijks een woord maakte Hij eraan vuil. Doe gewoon wat gedaan moet worden: open je ogen en je oren en zie de nood om je heen, ga daar niet aan voorbij. Laat je raken, steek je handen uit de mouwen, kom in beweging. En dat niet omwille van jezelf, maar van die ander. Dat is ‘er zijn’, zoals Jezus. Dat is handen en voeten geven aan Gods programma, dat is Gods heilige Naam uitvoeren. Zo kunnen we samen gemeenschap vormen hier in deze parochie. Zo kunnen we bij elkaar horen, het isolement en de eenzaamheid voorbij... Zo kunnen we ook betrokken zijn op mensen elders in de wereld. Dan komen we weer tot leven... De steppe zal bloeien...

Ga open...!

 

Elly-Bus-Linssen

 

 


Preek weekeinde 1 en 2 september 2018

Jacobus 1, 19-27; Marcus 7, 1-8

 

Er was een predikant die zijn tekst niet meer wist te vinden. Die was hem uit handen geslagen door lieden die in zijn kerk het hoogste woord hadden.  Zij preekten de passie, maar de gelovigen moesten op hun kinderen passen.

Er was een predikant die liever zou zwijgen. De preek die hij wilde houden bleef als een graat in zijn keel steken. Niet om wat de media over zijn kerk zeiden en schreven, want dat was waarheid. Niet om de hoon en afkeer die zijn geloofsgemeenschap ten deel viel; die was terecht. Maar uit schaamte over het seksueel misbruik van kinderen en afhankelijke mensen door zoveel dienaren van zijn kerk.

De kerk draagt een loodzware last van ongeloofwaardigheid en het is nog maar de vraag of ze die te boven komt. Preken, mooie woorden,  zullen lange tijd aan ongeloofwaardigheid lijden. Maar zwijgen is ook geen optie; is wegduiken; is wegkijken. Waar vind je woorden die de zwarte realiteit niet verloochenen en toch hoop geven?

En hij dacht: laten we maar eens beginnen met woorden van de man die in zijn verantwoordelijkheid ook onder zware kritiek staat, maar vooralsnog zich kwetsbaar opstelt en vertrouwen verdient. Ik lees u enkele passages voor uit de brief van woensdag 22 augustus van paus Franciscus over seksueel misbruik in de kerk: een “brief aan het volk van God’; een brief aan ons:

In de afgelopen dagen werd een rapport openbaar gemaakt waarin de ervaringen van minstens duizend overlevenden werden beschreven, allemaal slachtoffers van seksueel misbruik,  machts- en gewetensmisbruik door priesters in een periode van ongeveer 70 jaar. Hoewel we kunnen zeggen dat de meeste van deze gevallen tot het verleden behoren, hebben we toch de pijn van veel van de slachtoffers leren kennen.

We beseffen dat deze wonden nooit verdwijnen en dat ze ons dwingen deze gruweldaden te veroordelen en met vereende krachten deze cultuur van de dood te ontwortelen.

De hartverscheurende pijn van deze slachtoffers, die het uitschreeuwen tot in de hemel, werd lang genegeerd, stil gehouden of het zwijgen opgelegd. Maar de schreeuw was krachtiger dan alle maatregelen die haar tot zwijgen wilden brengen en dan beslissingen die een oplossing moesten bieden, maar het in feite nog erger maakten door in medeplichtigheid te vallen. […..]

Met schaamte en berouw erkennen we als een kerkelijke gemeen­schap dat we niet waren waar we moesten zijn, dat we niet tijdig hebben gehandeld en ons bewust waren van de omvang en de ernst van de schade die aan zoveel levens werd toegebracht. We toonden geen zorg voor de kleinen; we lieten ze in de steek.

[…..]

De omvang en de ernst van alles wat er is gebeurd, vereist een alomvattende en gecoördineerde aanpak. Hoewel het belangrijk en noodzakelijk is voor elke weg tot bekering om de volle waarheid te erkennen, dit is op zich niet genoeg.

Waar we in het verleden reageerden met verwaarlozing, moet solidariteit voortaan in de diepste en meest uitdagende zin onze handelwijze zijn in heden en toekomst.’

Een brief aan ons. Wat kunnen wij doen? Hoe machteloos we ons ook voelen bij zo’n ongekend schandaal, we mogen ons niet achter machteloosheid verbergen. Onze parochiegemeenschap maakt deel uit van een kerk die zichzelf in de beklaagdenbank heeft gezet. We kunnen niet doen alsof het ons niet aangaat. Niet bukken en wachten tot de bui overgaat. We zullen actief bij onszelf, en wellicht ook bij anderen, te rade moeten gaan wat ons te doen staat.

Allereerst zullen we onze eigen geloofwaardigheid langs de meetlat van het evangelie moeten leggen. Persoonlijk, en als geloofsgemeenschap. Linksom of rechtsom heeft die geloofwaardigheid zware averij opgelopen door het misbruikschandaal, machtsmisbruik en het  wegmoffelen van misdaden. Wat doen we dan aan het herstel ervan op de plek waar wij kerk van Christus proberen te zijn? In Vrangendael? In Sittard? Kunnen wij daarbij steun zoeken bij anderen?

Hoe weet je dat je op een zuivere – ja, zuivere – manier kerk bent? Hoe weet je dat je God dient op een authentiek evangelische wijze? Jacobus zegt het in zijn brief heel eenvoudig, kernachtig en voor ieder verstaanbaar: Dit is de ware en zuivere manier om God, onze Vader, te dienen: Help weduwen en kinderen zonder vader in hun moeilijkheden. Doe wat God wil, en leef niet zoals de mensen die God niet kennen.’  Wat paus Franciscus zei: ‘solidariteit moet voortaan in de diepste en meest uitdagende zin onze handelwijze zijn’.

Soms is het goed om alle bijzaken, tierelantijnen en ballast radicaal aan de kant te schuiven. Nu blijkt dat het evangelie in zijn kern – de zorg voor de zwakken – op grote schaal binnen de kerk verkracht is, is het zaak ons geloofsleven te herijken aan wat wij onszelf als ijkpunt hebben gesteld: ‘Om mensen gaat het’. En wie een beetje evangelie in zijn oren heeft hoort Jezus zeggen: ‘Allereerst de zwakken. Allereerst de kleinen. Dat ze tot hun recht komen.’

 

Meindert Muller

 



Overweging 21e zondag van het jaar, 25-26 augustus 2018.
Lezingen; Jozua 24,1-2a, 15-17.18b; Joh. 6,60-69.

En Jezus vroeg aan de twaalf; ‘Willen ook jullie soms weggaan?’. Het is een scherpe vraag, die in dit laatste stuk van dit evangelie de aandacht vraagt. Woorden die in onze oren blijven hangen; is het een verontrustende vraag. Zit er  een verwijt in , of worden de leerlingen hier voor het blok gezet; kies je voor mij, blijf dan; kies je niet, ga dan rustig weg. Ik hoor in die vraag nog iets anders; heb je er vertrouwen in, of niet?

Willen ook jullie soms weggaan? Dat zijn woorden, die in de traditie en ook in de prediking hun uitwerking niet hebben gemist. Ik herinner mij een protestantse kerkdienst, die ik lange tijd geleden met een vriend bijwoonde. Als bezinningsmoment op de zondagmiddag, en ook wel uit nieuwsgierigheid wat er zich in mijn toenmalige woonplaats afspeelde aan kerkelijke activiteit. De dominee toen herhaalde die vraag van Jezus en verbond deze vanzelfsprekend met de actualiteit van kerkverlating. Het werd min of meer een donderpreek, waaraan ik niet zo gewend was. Zo kwam de vraag bij mij binnen: willen ook jullie soms weggaan?  Mijn vriend en ik keken elkaar verbaasd aan, eerst geneigd om op te stappen. Toch deden we dat niet, en bleven zitten. We bleven dus.

Achteraf heb ik vaak aan deze woorden en hun verklanking teruggedacht. Waarom ben ik gebleven? Was het uit nieuwsgierigheid? Of uit geestelijke luiheid? Wilde ik gewoon bij de groep blijven horen, die trouw in de kerk blijft komen, wat er ook gebeurt? Ieder van ons kent die overwegingen, en trekt een eigen spoor daarin. Maar ik kan eerlijk zeggen, dat ik gebleven ben, omdat ik steeds meer geboeid ben geraakt door de verhalen en het optreden van Jezus van Nazareth, al is het soms lastig, en maakt hij het ons vaak niet gemakkelijk. Zoals hier in zijn onderhoud met de leerlingen.

Want dit stukje evangelie sluit een hoofdstuk van het evangelie van Johannes af, waarin heel veel beweging zit. De mensen – zo begint het – zijn geraakt door het optreden van die man uit Nazareth, hij heeft hun brood gegeven in overvloed. Ze willen hem daarom tot hun heer en koning maken, maar Jezus zegt resoluut nee tegen alle machtsaanspraken. Hij wil iets anders, en dat legt hij later voor aan de mensen in zijn kerk, de synagoge. We hebben dat andere de afgelopen weken ook bij herhaling gehoord; hij wijst op zichzelf als het levende brood, op zijn eigen leven dus, en daarmee op zijn levensverhaal. Hij wijst op zijn leven ten bate van anderen, in de woorden en in de daden die samen evangelie vormen, bedoeld als een goede boodschap voor mensen en maatschappij van toen. Dat lokt tegenspraak uit, verdeeldheid, en tenslotte die scherpe vraag aan de leerlingen.

Het geeft ons weer te denken. Als het geloven gemakkelijk is, zoals de mensen bij de feestelijke maaltijd van de broodvermenigvuldiging meemaakten, dan is het volhouden daarvan niet moeilijk, dan levert geloven wat op. Of als geloven een sfeer is, waarin je zonder veel nadenken meedoet met de traditie. Maar als geloven tegendraads wordt, omdat je met veel meer facetten van het levensverhaal van Jezus wordt geconfronteerd, dan wordt het lastig. Want zijn woorden vragen om daden, en daar hebben we natuurlijk niet altijd de energie en de mogelijkheden voor. Maar het is wonderlijk, die daden gaan tot op de dag van vandaag door. Ze worden ons ook vandaag weer aangereikt, zoals vandaag in de verkeersmiddelenactie van de MIVA, de ondersteuning van mobiliteit van mensen met een handicap in projecten in de derde wereld.

Maar misschien moeten we ons nu even tot de woorden beperken. Want ook woorden zijn machtig, ze kunnen mensen verbinden met elkaar, maar ook verwijderen. Ze kunnen verzachten, maar ook kwetsen. Ze kunnen een richting geven, maar ook mensen van elkaar afsnijden. Dat is een actueel thema, we kunnen het dagelijks in de media vernemen. En er staat wel degelijk wat op het spel. Welke woorden hebben betekenis? Welke woorden zijn van waarde voor onze samenleving? Hoe kunnen we elkaars woorden begrijpen en verstaan van bedoeld wordt? Datzelfde geldt ook voor ons als gelovige gemeenschap. In welke woorden kunnen we ons als gelovigen herkennen, en welke verbinden ons met elkaar?

Het joodse volk, waarover het in de eerste lezing gaat, was zich terdege bewust van de betekenis van woorden. De schepping kwam immers voort uit dat woord van God; ‘Er zij licht’. De joden hebben in een vroeg stadium de richtinggevende woorden van hun geloven vastgelegd. Wij noemen dat de tien geboden, maar eigenlijk zijn het tien woorden. Tien woorden waarin ze hun verbond met de eeuwige, Ene God vastlegde. Maar wat was het moeilijk om dat vast te houden. Die andere goden leken zo veel meer te beloven, vruchtbaarheid van het land voor alles, geld en macht als het ultieme wapen tot zelfbehoud. En die joodse God die zweeg zo vaak, was niet gemakkelijk grijpbaar, wat was Zijn bedoeling met ons?

 Als je dat in gedachten houdt, begrijp je die lezing uit Jozua. Hij riep de mensen bij elkaar en vroeg hen in alle vrijheid te kiezen; voor de goden uit hun omgeving of voor de God, die hen uit het slavenhuis had geleid, die hen nabij was geweest in de woestijn van het leven, en hun leven tot dan had beschermd. En het antwoord van het volk toen was duidelijk, maar – zo zeggen schriftgeleerden – die oproep om het verbond te gedenken en te actualiseren moest elk jaar gedaan worden. Anders glipten de levengevende woorden in de tijd weg. Wat een actuele levenswijsheid!

En zo moeten we de woorden van Jezus ook verstaan. Woorden die niet gemakkelijk zijn soms, maar bedoeld om ons met hem en met elkaar te verbinden. Niet om mensen te kwetsen of buiten te sluiten, maar juist deel te laten zijn van de gemeenschap van mensen. Woorden, die steeds ons gehoor vragen, en die ons geloof kunnen schragen en onderbouwen, zonder uitsluiting.

De dominee, over wie ik het had, eindigde zijn donderpreek met verlossende woorden. Genomen uit datzelfde evangelie waar Petrus Jezus antwoordt: Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven. Dat is een geruststellend einde, of niet. Want ik blijf er toch bij haken; eeuwig, is dat niet wat veel van het goede? Je moet ze in bijbelse zin verstaan; eeuwig betekent hier – van nu af aan. En dat sluit aan bij de verbondsgedachte. We moeten steeds de woorden van Jezus willen horen om er van te leren, en daarmee de toekomst in te gaan. Woorden die ons verbinden met elkaar binnen en buiten onze gemeenschap. Woorden die troost kunnen bieden en leed verzachten. Woorden die oprichten, en ons de hand doet uitsteken naar elkaar, naar mensen die onze aandacht en daadkracht vragen. En oprecht tegen elkaar zeggen; Vrede zij jou! Vertrouw er maar op!

REN LANTMAN


Ter Overweging 18 en 19 augustus 2018

Thuis komen, voor de meeste mensen een fijn gevoel. Het betekent rust, vertrouwdheid, jezelf kunnen zijn op welke manier dan ook.
Maar misschien betekent het ook nog meer.

Maar mijn huiselijke rust werd door het nieuws wreed verstoord.
Het instorten van de brug in Genua. Al die slachtoffers, al die mensen die niet meer naar huis konden gaan. Of die hun huis kwijt waren.

En toen, dat nieuws uit de VS. Massaal sexueel misbruik door 100den priesters in de staat Pennsylvania. Duizenden kleine kinderen, gruwelijk misbruikt en als voorwerp doorgegeven van de ene priester naar de ander. Toegedekt door de bisschoppen , daders die nooit werden bestraft.

En waar ik bij ‘Genua’ gevoelens had van ontzetting en ongeloof, kwam daar bij het nieuws over het sexueel misbruik door leden van de kerk, nog het gevoel bij van indringende plaatsvervangende schaamte. En ik dacht aan de  Paus.  Hoe hij zijn handen vol heeft aan de ‘lagere instanties’ in zijn eigen organisatie.

Want de Paus spreekt ook over een ‘Hogere instantie’ en de betekenis daarvan voor ons.
Een paar jaar geleden schreef Franciscus zijn encycliek Laudato Si.
Het gaat over het milieu in onze wereld. Hij zegt daarin en dat trof mij:
Als je je als mens niet kunt of wilt verantwoorden naar een Hogere Instantie dan jijzelf, dan ga je af op je eigen moreel besef.
Vroeg of laat zal dan het recht van de sterkste gelden en wordt de aarde onleefbaar.
Hij pleit dus om de aarde menswaardig te houden door contact , door verbinding met een Hogere Instantie.
Je bent pas mens, zo zegt Franciscus, als je jezelf als mens overstijgt.
Een mooie gedachte, contact houden met een Hogere Instantie dan jijzelf bent.
Het ultieme thuis komen, zo zegt Franciscus:
jezelf verbonden weten met een Hogere Instantie.
Deel uitmaken van een groter geheel.

Ja, en vandaag hoorden wij over het eten van het vlees van de Mensenzoon en over het drinken van Zijn bloed.
Wat betekent dat nou eigenlijk? En wat heeft dat nou te maken met thuiskomen? Het kan luguber klinken.

Ooit, tijdens een Paasspel in de kerk voor kinderen van een basisschool in Geleen, deden ook een paar Marokkaanse meisjes mee . Een van die meisjes kwam met haar vader de kerk binnen en ik hoorde haar tegen haar vader zeggen. Dus hier, papa, eten zij het vlees van Christus en drinken zij ook zijn bloed?
Het was natuurlijk hectisch op zo’n avond en ik had geen gelegenheid om er op in te gaan. Maar ja, wat had ik moeten zeggen? Dat het wel echt waar is?
Ook al leek het op brood en wijn? Niet uit te leggen.
Het is een geloofswaarheid, zo zeggen wij dan.

Vrouwe Wijsheid,  in het boek Spreuken nodigde uit om haar brood te eten en haar wijn te drinken. Open te staan voor die uitnodiging , ja zeggen en volop leven. Thuis komen, door op bezoek te gaan bij Vrouwe Wijsheid. Waarom niet?
Een mooi verhaal, zo zult u misschien denken.

Maar, wij weten natuurlijk best.
Dat gevoel van thuis zijn is helaas niet voor iedereen weggelegd.
Als je alleenstaand bent. Weduwe of weduwnaar. Alleen thuiskomen, een leeg huis, alleen in bed, alleen ontbijten, niemand die tegen of met jou praat.
En het huiselijk geweld.   
Kindermishandeling, mishandeling van ouderen en eergerelateerd geweld.
Het aantal instanties dat zich hiermee bezig houdt is oeverloos.
En dan nog de dak- en thuislozen, en de slachtoffers van oorlog en geweld:
Verdreven van huis en haard.
En als klap op de vuurpijl: al die duizenden kinderen, de slachtoffers van sexueel geweld door priesters van de Katholieke kerk in Pensylvania in de VS.
Hoe kunnen al die slachtoffers ooit thuis zijn bij zichzelf?

'Triomfalisme'

Kerkhistoricus Peter Nissen vindt dat in de reactie uit Rome op het rapport uit Pennsylvania te weinig oog is voor de structurele oorzaken van het misbruik. "De kerk benadert misbruik nog steeds als een individueel probleem, maar kijkt niet serieus naar de gevolgen van het celibaat en hun eigen geheimhoudingscultuur."

Nissen proeft in de reactie van het Vaticaan ook "een zeker triomfalisme, omdat uit het rapport uit Pennsylvania blijkt dat er weinig nieuwe misbruikgevallen voorkomen na 2002. Maar dat is misleidend, want we weten dat slachtoffers vaak decennialang stil blijven voordat ze erover durven te praten."

(Inmiddels heeft de Paus zijn schaamte en verdriet uitgesproken en vastgesteld dat de katholieke kerk een grote cultuurverandering zal moeten ondergaan)

En Jezus zegt:
Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, die heeft eeuwig leven.
Hij of zij die mij eet, die zal eeuwig leven en ik zal zijn in hem of haar.
Vooral bedoeld, zo lijkt mij, voor al die mensen die dat thuisgevoel moeten missen. De verbinding met elkaar.

Het leven kan moeilijk zijn. Geen thuisgevoel ervaren. Zonder dat je er iets aan kon doen. Schuldloos. Hoe moet je dan verder?

Jezus van Nazareth steekt Zijn hand uit. Naar al die thuisloze mensen
Hij nodigt uit, zoals Vrouwe Wijsheid in de eerste lezing.
Om thuis te komen, bij een Hogere instantie, zou de Paus zeggen.
Jezus biedt ons Zijn woning aan. Hij wil verbinden.
In brood en wijn, in vlees en bloed.
Want wie van Zijn brood eet zal eeuwig leven.
En wij? Wij mogen het proberen. Hoe dan ook, gekwetst en beschadigd. Om die uitgestoken hand aan te nemen en om open te staan voor Zijn uitnodiging, om deel uit te maken van een groter geheel.

Amen.

Hans van Druten


OVERWEGING 19e zondag d/h jaar. 11/ 12 augustus 2018.  Lezingen: 1 Kon. 19,4-8; Joh. 6, 41-51.

Het zou een gemakkelijke vakantiepreek kunnen worden, met deze lezingen. Niet al te moeilijk, voor iedereen begrijpbaar. Een profeet, die moe is, zich terugtrekt en uitrust. En Jezus die woorden over zichzelf spreekt, die een aantal van zijn tijdgenoten moeilijk vinden om te begrijpen, maar die wij herkennen. Hij is voor ons immers het hemels brood, uit de hemel neergedaald.

Op vakantie heb ik deze lezingen vaak gehoord, als ik op de camping in de gelegenheid was om ergens in de Franse omgeving een viering bij te wonen – en dat was niet elk jaar mogelijk trouwens - , en dan kon ik mij er helemaal in herkennen. Na een intensief jaar van samenleven en werken was ik meestal wel toe aan rust, en het op krachten komen. Deze lezingen versterkten me dan ook in het besef, hoe noodzakelijk voedsel voor onderweg is, het belang van het levende brood, waarmee Jezus zichzelf aanduidt, en die cyclus van reizen en rusten, die ons leven bepaalt. En misschien vergaat het u precies als ik, bent u ook toe aan een rustmoment, en nodigen deze lezingen en deze viering u uit om weer op krachten te komen, en na te denken over het belang van geestelijke voedsel…

Toch is de beschrijving van de rust van de profeet Elia, zoals we die in de eerste lezing hoorden, bedrieglijk, en hebben we die indruk te danken aan het feit, dat we maar een klein gedeelte van het verhaal horen. Want wat er aan voorafgaat, en wat volgt, schetst een heel ingewikkeld beeld van de ervaringen van de profeet. En ik wil me maar beperken tot het voorafgaande, een horror-verhaal.

De profeet Elia is in conflict gekomen met de koning Achab en koningin Jizabel. Nu zijn profeten en koningen, zeker in de beschrijving van het boek van de koningen, altijd al twee tegenstrijdige machten. Na heel wat overleg hebben de Israelieten onder Samuel een koning gekozen – Saul, David, Salomo, U kent ze – maar dat koningschap is niet zonder gevaar. Koningen hebben de neiging het oor naar het volk te laten hangen, en het oorspronkelijke geloof in Jahweh, als het zo uitkomt, op een laag pitje te zetten. En zo gaat het ook met koning Achaz. Hij geeft de voorkeur aan de verering van Baal en Astarte, het godenechtpaar, dat geëerd wordt met vruchtbaarheidsriten, kinderoffers en tempelprostitutie. Het is de taak van profeten, om daar tegen in verzet te komen. En dat doet Elia dan ook. Deze profeet verzint een spectaculaire list om te laten zien, dat Jahweh groter is en machtiger is dan die andere goden. Er wordt een wedstrijd gehouden tussen de priesters van Baal en Astarte aan de ene kant, en Elia aan de andere kant. In het kort: ze bouwen een offeraltaar. Van wie het offer het eerst door de goden wordt geaccepteerd, doordat het vlam vat, die is de machtigste. Heftige taferelen volgen, maar de bijbel is partijdig – en Elia wint natuurlijk. Zijn offer vat vlam, wordt dus door Jahweh geaccepteerd, en de Baalpriesters blijven ontredderd achter. Dan komen de Jahwehgelovigen in opstand, doden de priesters van Baal, en Elia vlucht de woestijn in.

De rust, die de lezing uit Koningen uitstraalt, is dus bedrieglijk. Het is geen vakantie, het is vlucht. Elia is waarschijnlijk bang, en dat niet zonderreden, dat de aanhangers van de koning hem een kopje kleiner willen maken. Maar misschien is het ook wel zo, dat Elia zich even geen raad wist, een moment van verwarring, waardoor hij het liefst wilde slapen en vergeten. Want er was geweld gebruikt, er waren doden gevallen; in naam van Jahweh? Hoe kon dat gebeuren, moest dat zo gaan? Moet je zo profeet van deze God zijn? Het duurde niet voor niets een tijd dat Elia weer opstond om op weg te gaan naar de Horeb, de berg waar hij zijn profetische opdracht zou voortzetten.

Dat brengt ons bij de ongemakkelijke vraag naar het geweld en de rechtvaardiging daarvan. Geen kost voor een zomerpreek, maar in de preekpraat na afloop komt het vaker ter sprake. Wat moeten we met die verhalen uit het Oude Testament zoals dit, verhalen van moord en doodslag, in naam van God nog wel? Dat is geen uit een ver verleden, het houdt ons ook nu vandaag bezig, als we worden geconfronteerd met allerlei geweld, in naam van….Ik kan u de voorbeelden daarvan besparen.

Op die moeilijke vraag zijn een aantal antwoorden mogelijk, zonder een definitieve oplossing. Je kan zeggen, dat die vraag naar het gebruik van geweld in naam van de godsdienst steeds een probleem is geweest. En het joodse volk is zich daar zeer bewust van geweest. Vanaf de sluiting van het verbond, waarmee het volk en God zich met elkaar verbonden. Daar stond ook het woord; ‘Gij zult niet doden’ Steeds is er strijd binnen het joodse volk zelf  geweest over wat hier onder verstaan moest worden.

Terug naar het verhaal van Elia. Hij verzet zich tegen de koning, die de Baal en Astartecultus ondersteunt. En die godsdienst kost kinderlevens en prostitutie gaat zeker ten koste van het welzijn van vrouwen. In naam van Jahweh verzet hij zich daar demonstratief tegen, dat gaat eerst vreedzaam (Het concurreren met elkaars offer) maar dan eindigt het toch met geweld. Goed te praten? Nee,maar ik denk dat Elia daar zelf ook mee geworsteld heeft. Dat hij deze afloop gezien heeft als de mislukking van zijn profetische roeping.  Dat hiervoor de woorden van het verbond (de tien geboden)  niet geschreven waren. Zijn nadenken hierover wordt onderstreept met het voedsel dat hij krijgt.

En Jezus draait die zaken grandioos om. Hij zegt – overigens niet zonder tegenspraak – dat hijzelf het levend brood is, dat voeding geeft aan ons leven. En waarin wij zoeken naar woorden en daden, om dit steeds weer waar te maken. Al die moeilijke kwesties, zoals die van het gebruik van geweld, doordenken we dan weer op een andere manier, vanuit het leven van Jezus,  vanuit zijn liefde, zijn inzet voor mensen, zijn geloof in een liefdevolle God, die hij zijn Vader noemde..

Wie over de samenhang van deze lezingen – Elia in de woestijn, die gesterkt wordt door voedsel, en Jezus die zegt het Levende Brood te zijn – verder wil nadenken, zou een plaats van rust moeten opzoeken, te weten in onze dagkapel. Wiel Meertens heeft de deuren van het tabernakel bewerkt door in een houtsnede juist dit tafereel af te beelden. Elia, rustend, met een engel boven zich, toegang tot het Levende Brood. Woord dat brood wordt. Brood dat woorden nieuwe glans geeft.

REN LANTMAN
(de gesproken tekst is – in verband met de gewaardeerde muzikale opluistering door Vaals Vocaal – ernstig ingekort).


Getuigenis: Kom nu eens mee naar een eenzame plaats….

(bij Jeremia 23, 1-6 en Mk 6, 30-34)

 

Cursief: de te lange preek op zaterdag (21 juli). Deze gedeelten waren op zondag (22 juli) geschrapt!

 

Eén van de commentaren op de bijbelteksten van vandaag, wees Lieke en mij op een aspect van Jezus dat in deze korte tekst van Marcus mooi tot uitdrukking komt: zijn rol als geestelijk begeleider. Voor zijn leerlingen en toehoorders toen, en voor ons vandaag als we dat zouden willen.

Ziet u Jezus als uw herder, als uw geestelijke leider? Een goede herder in tegenstelling tot de slechte herders waar Jeremia over schrijft? Hebt u dat nodig, een herder?

Een traditioneel beeld van geestelijke leiding is het beeld van de herder. We lazen Jeremia en zongen Ps 23. Goede en slechte herders.

Slechte herders, in bedrijfsleven, ministeries, organisaties en geloofsgemeen-schappen, maken dat de kudde uiteenvalt, en schapen verstrooid raken. Een schaap alleen is ten dode opgeschreven….

Het beeld van de herder is een dierbaar maar heel mannelijk  beeld, uit vervlogen tijden en geografisch afgelegen plekken. We zijn ervan vervreemd en toe aan andere vormen van leiderschap waarin we niet als schapen worden verondersteld te volgen. We worden niet graag in een bepaalde richting gedwongen, en al helemaal niet als deel van de massa gezien.

Niet voor niets is de term “geestelijk leiderschap” in onze hoek van de kerk, ingeruild voor “geestelijke begeleiding”. Een term die gelijkwaardiger is en een andere rol beschrijft. De wijsheid ligt immers niet bij de geestelijk leider alleen. In elke mens ligt wijsheid besloten. Elk mens heeft weet van het goddelijke op grond van eigen ervaring. De geestelijk begeleider of begeleidster mag helpen die wijsheid aan het licht te brengen, zoals een vroedvrouw een kind… Dienstbaar aan wat er al is en toch al gebeurt. Want het is in alles God die werkt, initiatief neemt, aan ons trekt…

Als je zou vragen naar voorbeelden van Jezus als geestelijk begeleider

dan komen de vele verhalen en parabels in mijn gedachten -

dan zie ik twee mensen verward onderweg naar Emmaus, terwijl Iemand naast hen loopt en met hen in gesprek gaat om hun ervaringen te helpen verwoorden en te zoeken naar de betekenis ervan voor het volgende stuk van hun levensweg.

Ik zie Maria Magdalena (misschien omdat ze morgen/vandaag op de heiligenkalender staat), ik zie haar op Paasmorgen huilend in de tuin, na de overweldigende  ervaring van Jezus’ dood en de verwarring van dat lege graf …  Jezus ziet haar, noemt haar naam en zegt: houd me niet vast. Zo heeft hij oog voor haar en haar rouw en helpt haar open te staan voor het nieuwe…  (Joh 20)

Terug naar het turbulente zesde hoofdstuk van Marcus waaruit we maar vier verzen lezen vandaag. Johannes de Doper is in het voorafgaande zinloos en brutaal vermoord. Hij was voor velen jarenlang een geestelijk begeleider geweest. Het heeft mensen kwaad gemaakt en verwart.  Om de willekeur van die moord, om de belofte van een geile man aan een mooi meisje, om het gekonkel aan het hof. We kennen die kwaadheid en machteloosheid.

Het hoofdstuk zal straks uitlopen op een maaltijd waar een beetje brood genoeg blijkt voor velen. Jezus voedt hun honger, eerst naar inzicht en dan ook naar brood. En zo maakt hij van die zoekende individuen een nieuwe gemeenschap die tot op vandaag - en hier en nu bestaat.

Ben je een zoeker? Dan  hoor je erbij! Verlang je diep naar antwoorden? Dan hoor je erbij. Durf je uit je wanhoop steeds weer de hoop op te graven? Dan hoor je er bij. Ga je op weg, in vertrouwen dat God wéét wat je nodig hebt? Dan hoor je er bij. Ben je bekommert om een ander? Dan hoor je erbij.

Van de leerlingen vraagt Jezus wat anders. Hij is bezig hen om te vormen tot geestelijke begeleiders voor al die zoekende mensen. Daarom heeft hij hen eerder dit hoofdstuk op weg gestuurd. Niet alleen, maar twee en twee. Mensen lopen stuk als ze ervaringen niet kunnen delen en uitwisselen. Elkaar niet kunnen bemoedigen.

Hij geeft hen “macht onreine geesten uit te drijven”, staat er. Wat dat is weet ik niet precies, maar ik wil het wel  leren. “Ze maakten het goede nieuws bekend om mensen tot inkeer te brengen, en ze dreven veel demonen uit en zalfden veel zieken met olie en genazen hen”, staat er simpelweg. Ze deden kortom wat ze Hem hadden zien doen: vol eerbied en aandacht en mededogen bogen ze zich over mensen die outcasts waren door geestelijke of lichamelijke beperkingen en hieven hun isolement op.

Er staat niet dat ze preekten, maar dat ze “het goede nieuws brachten” en ik veronderstel dat dat geen lege woorden waren. Goed nieuws! Eu – angelion. Evangelie!

Terug naar Jezus in zijn rol als geestelijk begeleider.

Hij leeft zijn leven met hen en is hun voorbeeld. Dat op de eerste plaats.

Hij bemoedigt hen het te gaan proberen, op hun eigen manier,  maar niet alleen.

Hij luistert naar hun ervaringen, maar heeft nog even geen commentaar.

Hij kent de waarde van rust en zelfreflectie, maar wil daaraan voorbij en nodigt uit:

Kom nu  eens mee naar een eenzame plaats. En hij gaat met hen aan boord en het meer op. Zo brengt hij hen terug bij zichzelf. Tenslotte waren het vissers!

Met alles wat ze beleefd hebben, hun moed en hun twijfel, gaan ze aan boord en worden binnen de kortste tijd omgeven door wind, water, vogelgeluiden, golfslag. Ze worden bewogen door diep vertrouwde beelden, geluiden, gevoelens, bewegingen. De tros wordt losgegooid… Dan valt elk spreken stil. Dan adem je dieper en ontspan je. En er ontstaat ruimte… En dáár gaat het om.

Jezus is een Godzoeker. En hij wil ons de weg naar God wijzen. Ieder van ons. Hoe vaak staat er in het evangelie niet: en hij ging een berg op om er te bidden? Want het is niet zijn bedoeling dat je Hém volgt, maar dóor Hem, met Hem, in Hem aan het goddelijke geheim raakt: God zelf. Daarvoor is een eenzame stilte noodzakelijk.

Je denkt misschien, waar vind ik een eenzame plaats? …

Misschien ben je het wel zelf, die eenzame plaats, op het moment dat je je uit-knopje vind en je oor en je blik naar binnen richt. Je vind die plek precies daar waar jij bent.

Dus wat te zeggen van een uur op het meer van Genesaret? Is dat genoeg?

 

Het blijkt van wel. Want in plaats van rust vinden ze aan de overkant veel ménsen. Bij het zien van al die mensen wordt Jezus diep door medelijden bewogen.

Zal hij dát zijn leerlingen ook kunnen leren, zal hij het ons ook leren? Hoe je zó door mededogen bewogen wordt dat je ingewanden zich zowat binnenstebuiten keren en je niet anders kunt doen dan: iets doen?

Want dat is wat dat Griekse woord ἐσπλαγχνίσθη betekent. En dat is wat Jezus deed. Hij onderrichtte hen langdurig staat er. Dat kan hij omdat hij voortdurend contact maakt God.

En dat wil hij als onze geestelijke begeleider ook graag voor ieder van ons.

 

Een hoofd zó leeg dat er ruimte is voor God. En dan weer: een hart zó bewogen dat er ruimte is voor mensen.

 

Lieke Annegarn en Marianne Boselie

 


TER OVERWEGING        30 juni  en 1 juli 2018                     Wijsheid 1, 13-15; 2, 23-24 Mc. 5, 21-43
Thema: Aangeraakt                        

Goed en kwaad = leven en dood. Onze God is de God van het leven, van de levenden, de God van mensen die kiezen voor het goede, voor gerechtigheid. Wie kiest voor het kwade is op een doodlopende weg... Het boek Wijsheid is er duidelijk over. Gerechtigheid, het goede doen,  is gekoppeld aan leven voor altijd.

Maar je kunt er niet altijd zelf iets aan doen... Er kunnen ook omstandigheden zijn die leiden tot dorheid, tot doodsheid in het leven. Soms overkomt een mens iets, ongevraagd.... Je schoolbestuur maakt fouten waardoor de afronding van je schoolopleiding onzeker wordt en je niet meer weet of je aan een vervolgopleiding kunt beginnen... Of, verder weg, maar wel ingrijpender, je wordt als vluchteling gered uit de Middellandse Zee, maar het schip dat jou aan boord heeft genomen mag nergens aan wal komen...

Er kan in een mensenleven van alles gebeuren: een ongeluk, werkloosheid, faillissement, ziekte van jezelf of iemand in je naaste omgeving... Slepende kwesties als gepest of buitengesloten worden, te weinig inkomen en oplopende schulden, een blijvende handicap of een reorganisatie op het werk. Hoe kun je vertrouwen, als de grond onder je voeten is weggeslagen...?

Het is een vraag van alle tijden... Het evangelieverhaal van vandaag, eigenlijk twee verhalen, in elkaar gevlochten, gaat daar ook over. Het begint met Jaïrus, een voornaam man, die genezing vraagt voor zijn dochter die op sterven ligt. Jezus gaat onmiddellijk met hem mee. En dan wordt het verhaal onderbroken door een vrouw die al twaalf jaar aan bloedverlies lijdt – een  rampzalige aandoening, waardoor zij continu onrein is en door allen in de samenleving buitengesloten wordt. Ze heeft niets te verliezen en wil ongemerkt naderbij komen om Jezus’ kleren aan te raken. Genezing volgt onmiddellijk, maar Jezus heeft gevoeld dat er een kracht van Hem is uitgegaan. Hij is niet boos, maar prijst haar: geloof is genoeg om genezen te worden. Dan komt het bericht voor Jaïrus dat zijn dochter is overleden. Jezus roept hem op vooral te blijven geloven en gaat dan - hoewel het te laat lijkt - met hem mee naar zijn huis. Het verhaal wordt zo verteld dat het een dodenopwekking wordt. Jezus neemt het meisje bij de hand – waarmee Hij, als ze werkelijk dood zou zijn, eveneens onrein geworden zou zijn – en doet haar opstaan. Of ze werkelijk dood was, is misschien zelfs van ondergeschikt belang, want ook bevrijding uit lichamelijk, emotioneel of sociaal isolement is een vorm van opstanding uit de dood. Sta op en leef...!

Terug naar de vraag...  Hoe kun je vertrouwen, hoe kun je in zo’n uitzichtloze situatie positief blijven? En tòch is dat wat Jezus tegen Jaïrus zegt: ‘Wees niet bang, heb vertrouwen’...  Tòch is dat wat de vrouw laat blijken: Jezus’ kleed aanraken zal haar kunnen helpen... het is als het ware haar laatste kans.  ‘Je vertrouwen heeft je gered...’ Het is kwetsbaar en weerloos moed tonen, je durven overgeven aan het contact met iemand/Iemand, met of zonder hoofdletter.

Voor ons eigen leven kan het, afhankelijk van de omstandigheden waarin we zijn, gaan om twee mogelijke kanten: helpen vertrouwen krijgen of zelf weer leren vertrouwen... Het is geven of ontvangen, het is aanraken of aangeraakt worden. Kracht putten uit het omgaan met een medemens: aangeraakt wòrden. Of vanuit de andere kant: iemand aanraken, je met iemand inlaten die in nood is en hem of haar nabij zijn - en zo handelen naar Gods wil...

Aanraken of aangeraakt worden. Dat gaat over nabijheid. Iets of iemand komt dichtbij, je kunt het voelen. En dat kan genoeg zijn... Het geeft kracht. Genoeg om weer verder te kunnen gaan. Dat vragen we ook aan God. Want waar de dood in welke vorm dan ook in ons leven komt, waar mensen weerloos en kwetsbaar zijn, daar moet hulp komen...
Raak ons aan, dat wij opengaan voor het licht van jouw gelaat...
Raak ons aan, dat wij volstromen met jouw genezende adem...
Raak ons aan, dat wij onszelf terugvinden in de ruimte van nieuw leven...

Elly Bus-Linssen


naar de vorige pagina ...