Ter overweging              


TER OVERWEGING  10 en 11 febr. 2018      Carnaval                         2 Kor. 3, 1b-6   Mc. 2, 18-22
Thema: Voel je vrij

 

Kiezen voor wat mag, wat kan, wat past bij de omstandigheden van het moment... Je daarin vrij voelen... Is dat niet wat Carnaval ons wil leren? Daarom is dat nu het motto...

Paulus schrijft in zijn tweede brief aan de inwoners van Korinte (3, 1b-6) over:
-Een verbond niet van de letter, maar van de Geest.
-Een brief van Christus, geschreven met de Geest van de levende God, in de harten van levende mensen - als aanbeveling in plaats van getuigschriften.

 

Het evangelie volgens Marcus (2, 18-22) spreekt over de betekenis die Jezus geeft aan vasten en andere voorschriften. Deze worden door Hem in de tijd ingepast, zoals de situatie vraagt. Ook al vasten anderen wel, de leerlingen van Johannes bijvoorbeeld, als de zgn. ‘bruidegom’ er nog is, Jezus in dit geval, hoeft er onder zijn leerlingen niet gevast te worden, dat kan wel weer als hij er niet meer is...


Jezus kijkt naar de uitwerking van voorschriften, naar het belang ervan ten opzichte van wat er gebeurt in het leven van de mensen. Waar gaat het ten diepste om, wat was er oorspronkelijk het doel van deze voorschriften en schieten ze als ze star worden gehandhaafd hun doel niet voorbij? Is het niet belangrijker om elk moment echt te leven?

 

Wij allen worden bepaald door allerlei regels, geschreven of ongeschreven. Door van alles wat ‘moet’, van anderen of van onszelf. Om allerlei redenen. We doen iets omdat het moet volgens de wet. Maar zeker ook omdat we ons ergens door gedwongen voelen... Het komt tevens voor dat we iets niet doen, niet kunnen doen, omdat we beperkt worden door omstandigheden. Gezondheid bijvoorbeeld, of werk, of mantelzorg, of welke andere verplichting dan ook. Ook als we iets doen om erbij te horen, om gewaardeerd te worden, om te passen in de maatschappij, in een familie of vriendenkring, of zelfs omdat ons eigen geweten ons dat ingeeft, zijn we niet vrij... Het kan ook als je je vanuit je idealen - christelijke idealen misschien wel - enorm inzet voor andere mensen, toch goed zijn om dat even los te laten, eens voor jezelf te kiezen en zo de accu eens op te laden... Al is het maar, om daarna weer met volle kracht ertegenaan te gaan...

 

Als de reden waarom je iets doet helemaal uit jezelf komt en je bent je daar van bewust, dan geeft dat een vrij gevoel, je doet iets gewoon omdat het kan... Ik hoor het mensen ook wel vaker zo zeggen: ik schrijf me in voor de marathon, omdat het kan, omdat ik er de tijd voor kan nemen en omdat mijn lichaam mij dat toelaat. Of, ik kies een vakantiebestemming of een hobby omdat ik dat graag wil en me dat nu eindelijk financieel kan permitteren. Of, ik voel me bevrijd nu ik na een lange periode weer kan autorijden, weer kan lopen of zelf naar iemand toe kan gaan...

 

Ook Carnaval is bij uitstek een feest dat in vrijheid mag gevierd worden. Je neemt de ruimte en de tijd om je te verkleden, je te schmincken, mee te zingen en te dansen en helemaal uit je bol te gaan. Een manier om los te komen van het alledaagse ‘moeten’. Je vrij te voelen...

Herman Veugelers schrijft er in 1985 zo over in één van zijn liedjes (Laeve, uit: Welteröste leef Limburg p.36):

Wae hie es minsj wilt laeve, zo lieërt os de profieët
Dae mót d’r good aan dènke, dat d’r zich neet bènje lieët

Wat hulp dich prakkezere
en maore óm bezit
Es doe hie moos vertrèkke
dan nums te toch niks mit
Dat sjtiekeme verlange
nao ieërekruus of lintj
applaus en carrière
‘t Is jage nao de wèndj.

Want wae es minsj wilt laeve, zo lieërt ós de profieët
Dae mót d’r good aan dènke, dat er zich neet bènje lieët

Mer laps te willekeurig
mer alles aan dien sjoon
En fladders te mer doelloos
zo wie de vlinders doon
Zeen al dien laeves-dage
gevöld mit laege sjleur
Dien laeve zal verdampe
‘t sjtelt geine bliksem veur

Want wae es minsj wilt laeve, zo lieërt ós de profieët
Dae mót d’r waal óm dènke, dat d’r zich neet drieve lieët

Wae aaf en toe kènt lache
óm wat d’r is en zaet
En weigert óm te gluive
dat niks mieë zin hie haet
Zal neet es damp vervlege
of hel zeen wie ‘ne sjtein
De humor van ‘t laeve
dae hilt ‘m op de bein

Dae zal zich neet versjäöre, is neet zien eige proeëj
Dae minsj zit neet gevange, in zien zelf gemaakde koeëj.

Voel je vrij!! Hoe u deze dagen ook doorbrengt, hopelijk met datzelfde vrije gevoel... Als een levende mens. Om met Paulus te spreken: ‘met de Geest van de levende God in je hart’. 

 

Elly Bus-Linssen

 


Ter Overweging weekeinde 27 en 28 januari 2018
1 Korintiërs 7, 32-35; Marcus 1, 21-18

 

De tweede lezing staat bijna aan het begin van het evangelie van Marcus. Bij hem geen kindeke Jezus, geen herders en wijzen. Zijn verhaal begint met het optreden van Johannes de Doper. Dan loopt Jezus het verhaal binnen en laat zich door hem dopen in de Jordaan. Vervolgens trekt Jezus zich veertig dagen terug in de woestijn als om zich voor te bereiden op zijn taak. Als Johannes gevangen zit, neemt Jezus het stokje over. In Galilea begint hij het ‘goede nieuws’ te verkondigen en verzamelt hij zijn eerste volgelingen.


Na deze summiere inleiding, waarin Jezus als ’t ware uit het niets verschijnt, klinkt als een klaroenstoot uit de hemel: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde,’ en volgt het eerste  meer gedetailleerde verslag: Jezus’ optreden in de synagoge van Kafarnaüm. Zijn visitekaartje, kun je zeggen; zijn eerste proeve van bekwaamheid. Deze nog onbekende rabbi bewijst zich als begiftigd spreker, en als een doortastend heelmeester wanneer een onreine geest hem uitdaagt. Er is een nieuwheid in zijn woorden die diepe indruk maakt. Hij straalt gezag uit; verbaast zijn toehoorders: ‘Wat is dit allemaal? Een nieuwe leer met groot gezag!’


Wat is dat gezag? In ieder geval geen macht. Jezus is nog een onbekende timmermanszoon uit Nazareth, met nog slechts vier volgelingen – Simon, Andreas, Jakobus en Johannes – , mannen met nog de vislucht in hun kleren. Dat kan je moeilijk een machtsbasis noemen. Daar kan zijn gezag niet op gebaseerd zijn. Waarop dan wel? Het antwoord komt uit de meest onverwachte hoek, wanneer de bezetene Jezus toeschreeuwt: ‘Ik weet wel wie je bent, de heilige van God.’ Kinderen en dwazen… Vanuit zijn duistere, gekwelde gemoed herkent de bezetene de helderheid van het licht; het heilige, helende, goddelijke licht. Waar dit gezien wordt en herkend, wordt met gezag gesproken.


En het is deze door het kwaad geketende die Jezus vanuit de tenen van zijn onmacht de vraag toeschreeuwt die al twee eeuwen doorklinkt in alle godshuizen, de kernvraag van ons geloof: ‘Wat hebben wij met jou te maken, Jezus van Nazareth?’ Godvrezend leven vraagt om bekering. Geloven gaat om zuivering van onreinheid, loutering, heling van bezetenheid, bevrijding van ketenen, hunkering naar het heilige – dat is van alle tijden. Maar wat heeft dat met jou te maken, Jezus van Nazareth?


Het is deze vraag waar we een antwoord op zoeken als we hier samenzijn. Het is de vraag naar de menswording van het Woord. Het is de vraag naar God in ons midden. Wanneer beleven we de sensatie van die jonge rabbi die een nieuwe leer verkondigt? Waar herkennen we het heilige dat woorden gezag geeft?


Het heilige zit niet opgesloten in heilige huisjes. Niet in kerken, tempels en synagogen. In kerken en tempels en synagogen verworden gezagswoorden vaak tot machtswoorden. Wordt het blijde licht vaak afgedekt met dwingende uitspraken. Wordt oprechte verbazing omgebogen tot valse jubel.


Het heilige wacht ons overal, op de straten en markten van de stad, in de huizen van de mensen. Zo gaat het verhaal van Marcus onmiddellijk verder met de zin: ‘Toen ze uit de synagoge kwamen, gingen ze rechtstreeks naar het huis van Simon en Andreas [..]. Simons schoonmoeder lag met koorts in bed [..].’  Er is zoveel te doen. Er moet genezen en getroost en gezorgd worden. Tot ’s avonds laat ‘brachten de mensen alle zieken en bezetenen naar hem toe.’ In adembenemend tempo schildert Marcus de hectiek van de hoop die de mensen bezielt en die Jezus geen moment rust gunt. Het heilige wordt afgebeden in het rumoer van verwachtingsvolle ongelukkigen.
‘Wat hebben wij met jou te maken, Jezus van Nazareth?’ Deze indringende vraag houdt ook Paulus bezig in die eerste lezing. Maar wat Paulus wil zeggen wordt verminkt tot een flauw moraallesje door de wijze waarop de tekst door de kerkelijke liturgieautoriteit is ingekort.

 

Weggelaten is dat hij de Korintiërs voorhoudt ‘dat er maar weinig tijd rest’. Immers, de christenen van toen leefden in de stellige verwachting van het einde der tijden en de wederkomst van hun Heer. Dus, jongens en meisjes, mannen en vrouwen, doe wat je moet doen en wat er van je verwacht mag worden, maar laat je zo min mogelijk beheersen door wereldse zaken en je hormonen. Letterlijk schrijft hij: ‘Laat daarom [..] ieder die in deze wereld leeft [zo leven] alsof ze voor hem niet meer van belang is.’


Wij kennen die dwingende verwachting niet. Wij kunnen ons als aartsbisschop Eijk misschien druk maken over de vraag of “hertrouwd gescheidenen” ja dan nee de communie mogen ontvangen. Maar wie van ons ligt wakker over het einde der tijden? Het zal onze tijd wel duren. Jezus leefde tweeduizend jaar geleden. Wat hebben wij met hem te maken? Kennen wij nog de haast die Paulus deed aandringen op een ‘onverminderde toewijding aan de Heer’? Ja, kennen wij nog de verbazing over die ‘nieuwe leer met groot gezag’?
‘Wat hebben wij met jou te maken, Jezus van Nazareth?’ Zullen we het antwoord blijven zoeken?

 

Meindert Muller

 


OVERWEGING 3e zondag dhj, 20-21 januari 2018. Lezingen: Jona 2, 1`-11; Marcus 1, 14-20

 

Inleiding
Vandaag de 2e zondag op rij, waarop het evangelie verhaalt van de roeping van de apostelen. Zij geven gehoor aan de oproep van Jezus om hem te volgen om het nabije Koninkrijk Gods te helpen realiseren. Vandaag de versie van Marcus, kort en bondig. Jezus roept, zij gaan mee. Mensenvisser wil Jezus van hen maken, en dat woord is een overweging waard, daar kunnen we bij stil staan.


Tegenover de apostelen staat een stukje van het  verhaal van de profeet Jona (of Jonas, die s is uit het Grieks). Hij wordt in een heel leuk en beknopt bijbelboek afgeschilderd als de anti-held; hij wordt geroepen om de heidenen van Ninivé te bekeren, maar hij vlucht. Het is u bekend, dat daar een grote vis aan te pas komt. En Jona zingt in die vis een lied, een psalm nog wel – een keerpunt in zijn leven. Dat stukje zullen we straks dan ook lezen, aangevuld met de tussenzang, die er helemaal bij past.


Jona zingt een lied. En dat is meteen een bruggetje naar de oecumene,  die we de afgelopen week in herinnering hebben willen roepen. Bidweek voor de eenheid van de christenen, zoals deze week heet. Zoals u weet geven wij aan dat bidden en zingen over een paar weken samen met de Johanneskerk weer gestalte door een viering in onze kerk. Maar vandaag toch ook een speciaal accent, en wel op het lied. Want de liederen die wij elke zondag zingen, hebben meerdere bronnen,  In onze volkszang putten we wat de melodieën betreft uit heel verschillende vaatjes, zoals de melodieën, die we ontlenen aan de Reformatie. Om die grote variatie eens te laten zien, hebben we vandaag op uw blaadje bij de liederen vermeld, waar de melodie vandaan komt – u zult zien, een grote verscheidenheid aan bronnen en componisten. Twee ervan, het openingslied en het slotlied, komen uit de Lutherse traditie, dus heeft de Reformatie ons ook weer een beetje zingen geleerd. Straks zal Klaas Remerie, organist van de St. Jan in Maastricht, aan degenen, die tijd en zin hebben, daarover nader willen vertellen, het is het thema van zijn orgelbespeling.


Maar eerst gaan we vieren, bidden, zingen en luisteren – en wij bidden een ogenblik in de stilte van ons hart, dat wij gemeenschap mogen vormen. En bidden dat God in dit uur aanwezig mag zijn.


Overweging
De oproep van Jezus is duidelijk; ‘het koninkrijk is nabij, keer je om, geloof in het evangelie’. Even kort en krachtig is de roeping van de eerste apostelen; eerst Andreas en Simon, dan Johannes en Jacobus. Ze laten hun vissersbedrijf in de steek, en volgen Jezus. We weten niets over de omstandigheden, de bijbel is geen roman; we weten evenmin hoe deze vier mannen aangeraakt werden, innerlijk geroerd werden door de uitnodiging van Jezus. Maar stel je eens die vader voor, die twee van zijn zonen, die een goedlopend vissersbedrijf runnen, zomaar ziet vertrekken, achter een rabbi aan, die op dat moment nog helemaal geen bekendheid heeft. We weten het niet. Bovendien komen  we komen straks in het evangelie van Marcus nog heel wat situaties tegen, waarin het schuurt tussen de meester en zijn leerlingen, wanneer ze bijvoorbeeld strijden om de eerste plek in het Koninkrijk. U kent die woordenstrijd; ‘Wie van ons is de grootste in het koninkrijk?’  Maar hier, op de derde zondag van het jaar, gaan ze achter Jezus aan, zonder enig voorbehoud. Misschien toch wel omdat ze werden aangeraakt door Jezus ‘woord; mensenvissers zal ik van je maken. In een buitenbijbelse spreuk staat wat daarmee bedoeld kan zijn: Vissers van mensen, dat zijn zij, die hen uit het water van de nood en dood halen, opdelven, verzorgen, zoiets.


De profeet Jona wordt afgeschilderd als het tegenbeeld van de apostelen. Waarschijnlijk kent u het verhaal goed, het is een klein en toegankelijk Bijbelboekje, en ook nogal humoristisch. Jonas krijgt de opdracht naar NInivé te gaan, hij moet die heidense stad bekering aanzeggen. Maar Jona vlucht op een schip, precies de andere kant op. Het schip komt in een storm terecht, en dreigt te vergaan. Iemand moet de schuld krijgen, want in het geloof van toen heeft alles een oorzaak. Jona bekent zijn vlucht en wordt uiteindelijk overboord gegooid, gejonast zoals in een spel met kinderen gedaan wordt. Hij komt in de buik van een grote vis, en daar tot inkeer. In het stikdonker. Daar bid hij, of liever zingt hij een lied, een roep om uitredding uit de situatie, om een nieuw begin, een houvast.


Dat lied is niet alleen een uiting van die arme Jona, maar kan opkomen in ieder van ons, die zich verlaten voelt, die letterlijk opgesloten zit in zijn of haar levenslot, en geen hand voor ogen meer kan zien. Het is een lied, aangeheven in de diepste duisternis, die iemand treffen kan. Door ziekte, ongeluk, of gewoon kopje onder gegaan in het leven. En het uitzingen heeft niet alleen de functie van het verwoorden van de situatie of gehoor vinden voor de eigen ellende, het is meer. Het lied gaat naar binnen, het zingt in onszelf rond, het is – om het modern te zeggen – een totaalervaring. En ergens – niet duidelijk waar vandaan – is er dan het omslagpunt;  van de realistische beschrijving van de ellende naar het punt, waarop licht in de tunnel verschijnt. Voor Jona is dat het verlangen naar de tempel, om weer tussen de mensen te zijn, die plek weer te vinden waar hij kan ademen en waar hij gezamenlijk kan zingen. Verlangen naar een plek, waar het weer licht voor hem wordt om te leven.


Na drie dagen en drie nachten in de duisternis vindt God het dan ook genoeg. Jona krijgt grond onder de voet. Goede liturgische liederen – en we hopen er een heleboel te zingen – kunnen hetzelfde effect op ons hebben als op Jona.  “ik heb vandaag heerlijk  gezongen, en mijn hart weer opgehaald’ zegt iemand. Vandaag mag daar dan bij gedacht en gezongen worden ; ons oecumenisch gezind hart.


Maar goed, Jona staat weer op de pootjes en gaat nu vol zelfbewustzijn naar Ninivé. En roept luide’: ‘bekeert u’. Eind goed, al goed, zou je zeggen, maar dan gebeurt er iets wonderlijks. Nauwelijks heeft Jonas geroepen, of de koning van Ninivé neemt zelf het heft in handen, en roept vanaf zijn troon veel doordringender dan Jona op tot een andere wijze van leven. Ja, we weten het Jona, wil de koning zeggen, we moeten onze medemens beter behandelen, zorgen voor dierenwelzijn, voor een beter milieu, natuurlijk. En hij kondigt maatregelen af om een eventueel ingrijpen van de God van Israel voor te zijn. En onze profeet? Die is hier helemaal niet blij mee; het was toch aan hem, om grootse daden in werking te zetten, en nu doen de mensen het zelf.  Waar halen ze het vandaan!


En zo zit Jona mokkend op een afstand naar de afloop te kijken, en Jahwe God leert hem zo een lesje. Welke les? Misschien deze. Aan de apostelen werd toegezegd, dat ze vissers van mensen zouden worden. Het begin van een lang leerproces om dat te leren, zoals we in de volgende zondagen zullen horen. Maar Jona?  Hij was er na zijn bekering in de vis van overtuigd een goede mensenvisser te zijn, heel erg overtuigd van zijn eigen kunnen en eigen gelijk. Misschien  had Jona nog niet begrepen, dat je – om zelf een goede mensenvisser te zijn –  de ervaring moet hebben gehad ondergedompeld te zijn in die grote oceaan van het leven. Dat je zelf of met anderen die aan jouw zorg zijn toevertrouwd of in jouw leven een rol van betekenis spelen, soms kopje moet gaan.  Om zo zelf gevangen te worden in de genadevolle werking van God in ons leven. Pas dan kun je het lied begrijpen, en in ons en boven ons tot klinken brengen.  Mensenvisser, dat wordt je heel langzaam.


REN LANTMAN, 13 – 1 - 2018

 


TER OVERWEGING  6 en 7 jan. 2018        Openbaring van de Heer                 Jes. 60, 1-6  Mt. 2, 1-12
Thema: Licht voor alle volken

 

Jeruzalem, 1Sta op en schitter, want uw licht is gekomen, de glorie van de HEER komt over u. Zo staat er bij Jesaja...Waarom is haar licht gekomen? Waarom was het licht niet in haar? Omdat Jeruzalem in duisternis verkeerde... En de Eeuwige zelf komt als licht naar haar toe, niet omdat Jeruzalem dat heeft verdiend, maar omdat God dat wil. De ballingen komen van ver weer terug naar de stad. En alle volken komen naar dat licht van God, dat licht dat bevrijdt.  Licht is hier ook recht, gerechtigheid.

Dit thema sluit aan bij het verhaal van de wijzen uit het oosten dat Matteüs schrijft. Het is zijn versie van het kerstverhaal. De wijzen zijn sterrenwichelaars uit omliggende heidense volken. Ze zoeken het licht door een ster te volgen. De ster brengt hen bij een kind. Bij de pasgeboren koning van de Joden, die echter niet in Jeruzalem te vinden is, waar koning Herodes zetelt, maar in Bethlehem.

 

Het licht is er dus voor àlle volken, zo melden ons zowel Jesaja als Matteüs, en dat mogen we doortrekken naar onze tijd: voor Koerden en Turken, Tibetanen en Chinezen, Palestijnen en Israëliers.  En ook voor Eritreërs en Syriërs op de vlucht die een goede plek zoeken in Europa. Het licht sluit niemand uit. Het is van wereldwijd belang. Het is er voor alle mensen, ongeacht hun geloofsovertuiging: moslims, christenen of atheïsten.

Hoe krijgt dit voor ons betekenis?  God komt naar ons toe, in het donker van onze wereld.
Maar hoe dan? Vanuit de nieuwsberichten zie je hoe onrecht de wereld beheerst. Hoe kunnen we dit dan met elkaar rijmen...

 

Toevallig las ik deze dagen een tekst van Hein Stufkens, die ik in dit kader graag met u wil delen... Een hedendaagse psalm die enerzijds de situatie in de wereld typeert, maar die het anderzijds niet daarbij laat. Ik zie in de slotverzen een handreiking voor ons allen, een uitnodiging om ons niet bij de toestand neer te leggen...

Hij schrijft ‘Een lied in de nacht’ (en dat staat o.a. in het boekje: ‘Geef het licht eens door’), een tekst bij een psalmregel uit psalm 94: Hoe lang nog zullen de wettelozen juichen, de onrechtvaardigen het hoogste woord voeren?

            Vervloekte wapens leggen hun wet op,
aan kinderen leert men ze dragen.
Het martelen en moorden kent geen einde.
Jammer en rouwklacht klinkt op
uit alle hoeken der aarde.

Hoogtij viert het onrecht,
verkrachters en graaiers hebben vrij spel.
Verbijsterd kijkt de zachtmoedige toe,
ziet machteloos hoe geen mens wordt gespaard.

Vrede en liefde, zeggen hun heilige boeken.
Maar in handen van bandieten
worden ze een vrijbrief voor het kwaad.

Waar is nog asiel voor ontheemden,
een schuilplaats voor wie wordt vervolgd?

Gelukkig de mens die zijn hart niet sluit,
zich niet in verbittering afkeert
van het onnoemelijke leed.
Gelukkig de mens die recht doet
en het uithoudt in de nacht.

Zijn geloof verzet bergen,
zijn mededogen wekt het morgenlicht.

Open dus je hart... keer je niet af van het leed, en doe recht...! God wil zich vandaag ook aan jou bekendmaken. Geloof in het goede, in liefde en in gerechtigheid verzet bergen; mededogen wekt het morgenlicht...

 

Beste mensen, op kerstavond, in de viering van het ‘Kindje wiegen’, lezen we ook altijd al over het bezoek van de koningen aan het kindje Jezus. Alle kinderen krijgen bij binnenkomst een koningskroon. En ze worden in de viering allemaal uitgenodigd om koning te zijn en hun geschenk te brengen (bv. een kleurplaat). Zo hebben ze deel aan het verhaal. Maar dit is niet alleen bedoeld voor kinderen. Het is een spel dat ook werkelijkheid kan worden voor volwassenen als ze zich inleven in deze rol. Wij allen behoren ook tot de koningen... en ook wij hebben geschenken die we het kerstkind zouden kunnen brengen: aan ieder van ons nu de vraag wat wij hem cadeau willen doen...


En het verhaal zegt dat de koningen, de wijzen, vervuld werden van grote vreugde toen ze de ster zagen stil staan bij het kind. Het bezoek aan dit kindje Jezus verandert hen van binnen. Ze worden in een droom gewaarschuwd niet naar Herodes terug te keren: het kwaad laten ze links liggen... Ze vertrekken en gaan langs een andere weg terug naar hun land.
Laten we doen zoals zij...

 

Elly Bus-Linssen

 


Preek Eerste Kerstdag 25 december 2017-12-22
Jesaja 52, 7-10; Hebreeën 1, 1-6; Johannes 1, 1-5, 9-14

 

Wat een verschil tussen de evangelielezing van Kerstavond en Kerstdag. In de avondviering het vertrouwde verhaal van Lucas, de geboorte van Jezus in de stal met het extatisch engelenkoor, de verbaasde herders, de eerbiedige drukte rond de kribbe. Het verhaal dat je eigenlijk ook vandaag zou verwachten; wellicht ook hoopte te horen. Maar niets daarvan. Vandaag het begin van het Johannes-evangelie: diepzinnig, theologisch, filosofisch, mystiek. Prachtig, maar moeilijk te begrijpen. Dit in contrast met het levendig vertelde kerstverhaal van Lucas.


‘In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God.’ Een van de beroemdste beginzinnen uit de wereldliteratuur. Een van de moeilijkste ook. Begin van de passage die zijn hoogtepunt vindt in de zin: ‘Het Woord is vlees geworden [..]’. In de Nieuwe Bijbelvertaling wordt deze zin, voor hedendaagse oren meer acceptabel, vertaald als: ‘Het Woord is mens geworden [..]’. En dan zijn we toch bij Kerstmis: de stille morgen na de hectische nacht, de stal, Maria en Jozef en het Kind in de kribbe, de warme adem van de dieren. Maar niks daarover bij Johannes.


Toch wou Johannes hetzelfde wonder vertellen als Lucas. Of misschien wel een groter. Lucas gebruikt de taal van het sprookje, van de geboorteverhalen van koningszonen en andere grootheden uit die tijd, maar dan op z’n kop gezet door de geboorte in een stal te laten plaatsvinden. Johannes schrijft een getuigenis en gebruikt daarbij begrippen uit de Griekse filosofie. Ook vierhonderd jaar na zijn dood drukte de grote Griekse filosoof Plato zijn stempel op het denken van die tijd. Aan het begin van alle denken en weten, ja aan het begin van alles, staat het Woord. Zonder het Woord bestaat er niets. De echo van deze opvatting horen we bij Johannes: ‘Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat.’


Woord. Woorden. Taal. Al in de allereerste zinnen van die hele dikke bijbel lees je het: ‘God zei: “Er moet licht komen,” en er was licht.’ Scheppende woorden; je kunt zeggen: woorden brengen de schepping aan het licht. Ofwel – zoals hedendaagse wetenschap duidelijk maakt – : zonder taal blijft alles onbenoemd en kun je niks onderscheiden, niks begrijpen, niks weten, niet denken, niks bedenken, niks fantaseren, niks plannen.. Leef je in duisternis.
Woorden. Als God alles geschapen heeft en orde in de chaos heeft gebracht, is de beurt aan de mens. Immers, ‘alles’ is ‘niets’ als het geen naam heeft. ‘Alles’ is chaos, één grote brei, als er geen woorden voor zijn. Daarom brengt God alle dieren bij de mens ‘om te zien welke namen de mens ze zou geven’. En, zo staat geschreven: ‘De mens gaf namen aan al het vee, aan alle vogels en alle wilde dieren [..].’ De tweede schepping. Nu alles een woord, een naam heeft kan de mens Gods opdracht uitvoeren: de opdracht om ‘heerschappij [te] voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.’


Woord en mens, taal en menswording, ze hebben alles met elkaar te maken.. ‘Mama. Zeg eens mama,’ blijft de moeder aandringen. ‘Zeg eens papa,’ bedelt de vader. En wat een vreugde als de baby ‘mama’ zegt; uit al die gezichten boven de wieg ‘mama’ kent. Wanneer het kind ‘mama’, ‘papa’ zegt, maakt het als het ware deze vrouw, die man tot moeder of vader. En als het wat later zijn eigen naam noemt, schept het een eigen ik. Menswording.


Als ik lees: ‘Het Woord is mens geworden [..],’ buig ik voor een diep mysterie, waarover in de eerste eeuwen na Christus talloze verhitte debatten zijn gevoerd. Was Jezus God? Gods Zoon? Hoe kan de Zoon van God God zelf zijn? Was Jezus mens? Of middelaar tussen God en mens?.. Debatten die ik niet meer begrijp, maar waarvan ik de ernst en de inzet om Jezus geboorte recht te doen respecteer. Ik ben bereid het mysterie te accepteren. Maar ook ik wil begrijpen, al is het maar een stukje; want proberen te begrijpen hoort ook bij mijn opdracht als mens.


Ja, Jezus is het Woord van God. Scheppend Woord. Hij spreekt de taal, is de taal waarin God zichzelf aan mij openbaart. Kenbaar maakt. Er zijn ontelbare ideeën over God. Megabibliotheken volgeschreven. Godshuizen en godsdiensten tot barstens gevuld met woorden over God. Jezus’  leven maakt mij duidelijk hoe ik God mag noemen: Abba, Vader. Zegt mij dat God liefde is. Leert mij mijn medemensen te zien met de ogen van broeder- en zusterschap, en te noemen met de taal van de liefde.


Het Woord van God is vlees en bloed geworden in Jezus: mens als wij; hij heeft onder ons gewoond, met ons gegeten en gesproken, gevierd en geleden. Hij laat ons woorden achter waarmee wij zijn voorbeeld kunnen duiden en volgen. Jezus laat zich lezen als het boek van Gods bedoeling met ons mensen. Jezus’ geboorte betekent dat ook in jou en jou en mij het Woord van God vlees en bloed wil worden.

 

Meindert Muller

 


OVERWEGING 2e zondag van de Advent 9-10 december 2017. Lezingen: Petrus 3, 8-14; Marcus 1,1-8

 

Aangeraakt worden, op weg gaan. In de mooie bloemschikking van deze Advent kun je die weg zien liggen, uitgebeeld door een aantal losse stenen, die samen de weg vormen. Op weg naar het licht. Het is goed om daar even bij stil te staan. Wij zijn vertrouwd met het uitbeelden van de weg als een aanduiding van ons gelovig bestaan in de wereld. Het is voor ons de levensweg die we moeten gaan – en de Advent is een goede tijd om daar weer wat uitgebreider bij stil te staan.


Een weg die we zelf banen door het leven, dat is het eerste wat te binnen schiet. Een weg, die niet altijd gemakkelijk is, vol hobbels en gaten kan zitten. Als je wat ouder wordt, en afhankelijk wordt van allerlei hulpstukken, zoals een rollator, dan weet je wat dat betekent. Weet je wel, hoeveel losliggende en ongelijke stoeptegels er zijn, zei me laatst iemand in een gesprek, toen we het hadden over het wandelen in je eigen omgeving.  Nee, tot mijn schande wist ik dat niet. Als oudere moet je voorzichtig, en steeds voorzichtiger en met geduld je een weg banen door alle obstakels op je pad Misschien gaat al je energie wel zitten in het vermijden en omzeilen van al die obstakels.


Vandaag krijgen we een nieuw zicht op de weg, onze levensweg aangereikt. Johannes de Doper wordt met een citaat uit de profeet Jesaja aangekondigd als de wegbereider, iemand die de stenen zo op hun plaats legt, dat wij er niet over struikelen, maar een nieuw perspectief ontwaren, een rechte weg, een open venster op onze werkelijkheid. Johannes treedt op in de woestijn, daar waar het leven dor is en de wegen onduidelijk. En hij trekt mensen naar de Jordaan, grensrivier tussen de woestijn en het land, tussen de onherbergzame woestijn, en het land waar je in ieder geval kunt lopen en je weg kunt vinden. En die richting van woestijn naar land stelt opnieuw vragen aan onze eigen levensweg. Hoe maak je zelf die omslag van ongeborgenheid in het niemandsland naar een land waar je kunt ademen, leven en een eigen thuis hebt? Wat is daar voor nodig? Keer je om, zegt Johannes, kies een ander perspectief, ga anders kijken, laat je onderdompelen in de rivier.


In onze tijd hebben heel wat mensen opnieuw ‘de weg’ ontdekt. Ik doel dan op allerlei vormen van pelgrimage, van bedevaart – de bekendste is die naar Santiago de Compostela. U kent vast wel mensen in uw omgeving die lopend, fietsend of op een andere manier die route gegaan zijn; een route die steevast wordt aangeduid met ‘El Camino’, weg in het Spaans. En heel veel van deze mensen hebben hun ervaringen vastgelegd op film, in een dagboek, via de sociale media gedeeld. Vaak is deze tocht voor mensen een onderdompeling in een onverwachte ervaring, die een ommekeer betekent in het eigen leven, of die ommekeer markeert. Een tocht die voor velen een uitweg betekent uit de woestijn naar de overkant , van een hobbelig en struikelig pad in het leven naar een begaanbare weg, of bijbels gezien: naar een ander, goed land om te leven..


Laatst wees mij iemand op een bijzondere wandelaar op de weg. Het gaat om een jonge vrouw, die vanuit Brabant vertrokken is, samen met een ezel. Haar verhaal is eenvoudig en toch weer bijzonder, en ze brengt me heel dicht bij de ervaring van Johannes de Doper. Deze jonge vrouw, heeft gestudeerd, een baan in het bedrijfsleven, veel hobby’s, vrienden en van alles wat het leven interessant maakt, en vooral vol, heel vol. Een burn- out is het gevolg. Door het verblijf op een boerderij neemt ze het  besluit om samen met een ezel als tochtgenoot (dus niet: op de ezel) de tocht naar Santiago te wagen. En op de vraag van de reporter van de nieuwsgierige krant, hoelang ze er over zou doen, zegt ze luchtigjes; o, vier maanden ongeveer, en we zien wel wat we onderweg tegen komen. Wees maar niet bang,  de ezel kan trouwens ook goed voor zichzelf zorgen.


Gezien met bijbelse ogen is dit een verhaal van ‘ommekeer’, je afwenden van een manier van leven, die voor jou heilloos is, en een andere weg zoeken,een ander perspectief ook. Voor deze jonge vrouw betekent dit:  jezelf hervinden, ontdekken hoe je leven in elkaar zit, en een nieuwe weg vinden. Voor haar is dat om na deze tocht andere mensen met een burn-out van dienst te zijn. En die ezel, die kennen we als een bijbels dier, dat de lasten van het koninkrijk van God draagt, zie zijn rol met Palmzondag, zie zijn aanwezigheid bij de kribbe van de pasgeborene. Maar dat dier brengt ons misschien ook  dichter bij de manier waarop we de weg zouden moeten gaan; zachtmoedig en geduldig, in harmonie met de voetstappen van onze metgezellen en bondgenoten, en vooral met enig geduld. De weg zelf wordt dan symbool en teken van ons geduld met het leven. De weg zelf gaat ons dat geduld leren. Vier maanden, dat kan; soms heb je er een heel mensenleven voor nodig.


Aangeraakt worden. Jezelf omkeren, een andere blikrichting op de weg kiezen. De levensweg als een leerweg, als een weg van geduldig gaan. We weten, hoe mensen zich getroffen voelde door de oproep van Johannes en zich lieten onderdompelen in de Jordaan, zich omdraaiden van de woestijn naar het land. Johannes stond daar, stoer, met weinig om het lijf, zonder luxe en comfort. Hoe werd hij zelf aangeraakt, en zo getroffen, dat hij deze functie van vreugde- bode ging vertolken? Wij weten er niet veel van. Wel dat hij in familieverband dicht bij Jezus stond. En dat hij in die woelige wereld van de eerste eeuw niet koos voor de rol van een onheilsprofeet, donderend over slechtheid en ondergang. Maar het voorbeeld van Jesaja volgde en de nadruk legde op toekomst, vervulling en belofte. En op het geduld, dat de weg zelf ons leert.


Zo kan hij ook onze inspiratiebron worden om anders over de weg met hobbelkeien te gaan. En met nieuwsgierigheid jonge en oude mensen te volgen, die hun weg van ommekeer vorm geven.  En daarmee onszelf geduld te leren. De gaten en hobbels in het leven verdwijnen niet – ik heb geen oplossing om alle wegen even rollator – vriendelijk te maken. Maar kijk! er staan wel bloemen aan de kant van de weg. Blijf ze vooral zien, op weg naar Kerstmis.
(Het verhaal van de weg van Carmen Coolen is te volgen op www.travelswithadonkey.nl )


REN LANTMAN

 


TER OVERWEGING     2/3 dec. 2017  1e Advent B    Jes. 63, 16b-17.19b; 64, 3b-8     Mc. 13, 33-37
Thema: Scheur toch de wolken...

 

Een donkere tijd, toen bij Jesaja: ellende van teruggekeerde ballingen, gevoelens van schuld, puinhopen in Jeruzalem...
Een donkere tijd, nu in 2017:  een bloedige aanslag in een moskee in Egypte, een spookrijder op de A73, Nederland in de top 3 van de online drugshandel, Noord-Korea de beschikking over een raket waarmee ze Amerika kunnen bereiken...

 

Het lied ‘Scheur toch de wolken’ is op de tekst van Jesaja gebaseerd. Niet vrolijk.... Schuldbewust, ook klagend, zwaar en droevig maar toch met hoop op hulp van God. In een beeldspraak die er vanuit gaat dat we God boven ons achter de wolken in de hemel situeren: Scheur toch de wolken en daal af... kom toch naar ons toe... blijf niet zitten in die hoge hemel. En daar kunnen wij ons in zekere zin misschien wel in herkennen...


Want God, waar je je ook bevindt... we hebben je nodig, ook in deze tijd. Deze tijd van politieke verwarring, van terroristische moorden, van noodlottige ongevallen, van tragedies in het persoonlijke leven, van dagdagelijks terugkerende eigen zorgen...

 

Het is ook letterlijk een donkere tijd, de periode voor kerstmis. Het zijn korte dagen. Al weken brandt de feestverlichting langs de wegen in de stad. In steeds meer voortuinen en achter ramen branden lichtjes zie ik. Mensen hebben behoefte aan licht. Wat doen de lichtjes met ons? Waar dromen we dan van? Is het alleen wat sfeer – Wèntjerdruim...? Of leeft er breed een groot verlangen naar warmte, naar iets goeds, naar voorspoed? We zijn op weg naar Kerstmis... Wat betekent dat? Enigszins verbijsterd keek ik afgelopen week op internet naar de foto’s van het Witte huis in kerstsfeer: 5500m met kerstlampjes. Maar wat zegt ons dat... Hoe leven we naar Kerstmis toe?


We wachten... Waarop wachten we? Dat ligt natuurlijk ook aan onze eigen omstandigheden... Wachten op herstel, genezing? Wachten op vrije dagen? Wachten op geschenken? Ook, misschien... Maar het woord Advent zegt dat we wachten op de komst, de komst van God, van het kind Jezus. Dat wachten kan niet alleen passief zijn, waar de wereld, de maatschappij, vraagt om inzicht en initiatief.

 

Wees waakzaam, let op de tekens, tekens zoals de kleine knoppen van de tak hier in de liturgische schikking, knopjes die een belofte inhouden van bloei... Zien we ook de tekens in onze wereld? Als we echt kijken worden we wakker... Hoe leven we hier op aarde als mensen met elkaar, hoe gaan we met elkaar om? We worden hoe dan ook geraakt door de wereld, aangeraakt door het leven van alledag: het goede maar ook het moeilijke, het bedreigende, het beangstigende. In het persoonlijke leven van mensen, maar ook op het vlak van de samenleving. 


Waakzaam zijn, dat vraagt ook dat je iets doet....  God komt via ons, als wij doen wat nodig is... God komt als het ware in elke kleine gave voor de voedselbank. Maar ook: in de gedaante van de mens in nood. God is hier, in al die gezinnen die niet genoeg te eten hebben. Zoals we vorige week in het evangelie hoorden: alles wat je voor één van deze minste broeders van Mij hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan. Als God zo komt, ons raakt, aanraakt, herkennen we hem misschien niet, maar dat is niet erg, als we er maar naar handelen.

 

We wachten... waakzaam, alert op wat er gebeurt... we doen wat kan, maar machteloosheid overvalt ons, we kunnen het niet alleen. We vragen God - zoals in het lied ‘Scheur toch de wolken’ - :
            ‘Mochten wij zien dat Gij bevrijdt,
            Dat Gij geen God van doden zijt.
            Breek door de blinde muur en kom.
            Scheur toch de wolken weg en kom.’


Moge Gods koninkrijk doorbreken, juist waar mensen elkaar bijstaan in hun kwetsbaarheid.
Daar worden we aangeraakt door zijn licht...

 

Elly Bus-Linssen

 


TER OVERWEGING 32e zdhj 12 nov. 2017. 1e lezing boek van de Wijsheid, 6,12-16;

2e lezing: Mattheus 25, 1-13

 

Laatst zei een vriend tegen mij; ik luister wel eens naar de radio en hoor dan een stukje evangelie. Dat vind ik eigenlijk wel rustgevend. Nu was ik net bezig met na te denken over dat verhaal van die tien meisjes, vijf dom, vijf verstandig, en schrok een beetje van zijn opmerking. Rustgevend?  Eerder onrustig makend, zou ik denken. Want ook dit evangelieverhaal heeft allerlei elementen, die eerder vragen oproepen dan geruststellen. Eerder oproepen tot wakker worden, dan dat het ons in slaap sust.

 

Het is namelijk een heel merkwaardige gelijkenis Tien bruidsmeisjes wachten op de bruidegom. Logische vraag; waar is de bruid? Ze moeten erg lang wachten, tot in de nacht. Logische vraag; waarom begint dat feest zo laat. En als het dan begint, en die domme meisjes hebben hun tekorten aangevuld, en kloppen aan voor het feest, dan vinden ze de deur gesloten – ‘ik ken u niet’ zegt de bruidegom. Logische vraag: waarom wordt de deur zo hard dichtgehouden? Maar het ergste is nog, dat die verstandige meisjes niet willen delen van hun voorraad, ze hadden toch over? Logische vraag; kennen ze dan het gebod van de naastenliefde niet?

 

Maar misschien vergissen we ons, zit er wel een andere logica in het verhaal dan we vermoeden. Misschien leiden die vragen ons af van de kern van wat Jezus ons hier wil zeggen: hou je lampen van je geloof brandend, zorg voor genoeg reservevoorraad. En wat belangrijk is; denk er goed over na, het is jouw zaak, jouw verantwoordelijkheid, en dat kun je aan niemand overdragen. Het is jouw eigen, niet te delen licht, dat je met je mee draagt.

 

Hou de lamp van je geloof brandend. Dat is de kern waar het hier om gaat, en waarover we kunnen nadenken. En dwars door alle lastige vragen, die je bij dit verhaal kunt hebben, wordt dan meteen iets anders duidelijk. De lamp van je geloof brandend houden, dat vraagt om uithoudings-vermogen, zegt het verhaal. Bestand zijn tegen de lange duur, waarin je – menselijkerwijs gesproken – ook wel eens in slaap kunt dommelen, wegdromen van wat er om je heen, en in de wereld gebeurt. De lamp van je geloof brandend houden, vraagt ook om aandacht, om oplettendheid, om attent zijn op het moment waarop je een keuze wordt gevraagd. ‘Wordt wakker, de bruidegom komt eraan’. Een moment van wakker worden, wanneer tien jonge mensen – allemaal verstandig? - voor je staan, en je wakker zingen, en vragen om de deur van je hart te openen voor wat zij je aanreiken. Zoals in dat prachtige lied van daarnet, waarover we het hadden. En waarover ze verder nog zullen zingen.

 

Hou de lamp van je geloof brandend. Dan gaat het natuurlijk niet om olielampen, al is olie ook een krachtig symbool voor wat lenig en zacht kan maken. Dan gaat het om de innerlijke lenigheid en zachtheid, die je – als het nodig is- in jezelf wakker kan schudden. Want ook als we trouwe kerkgangers zijn, en brave burgers, dan vallen we onvermijdelijk wel eens in slaap, zelfs onder de preek. We weten het wel, we geloven het wel. Het duurt al zo lang, we horen het zo vaak. Maar soms worden we wakker geschud, wordt het innerlijk licht in ons wakker, en daarmee de vreugde, de vrede en de liefde, zoals we in het lied van daarnet zongen..

 

Tot slot moet ik eerlijk bekennen, dat ik niet met alle elementen uit deze gelijkenis goed raad weet. Waarom de nacht? Waar is de bruid? Waarom die hermetisch gesloten deur? Ik wil slechts een enkele element noemen, dat mij deze week duidelijk is geworden bij het bezoek aan een ernstig zieke vriend, die priester is in het westen van het land. Hij heeft weet van de duisternis, waarin iemand kan komen te verkeren, als hij het levenseinde onder ogen moet zien. Vaak brandt daar maar een enkel lichtje, dat je zelf brandend moet houden met jouw olie. En zijn ontdekking, met de bijbel in de hand, was de volgende: Ook daar woont God, in die duisternis is Hij, de eeuwige en trouwe, aanwezig.

 

REN LANTMAN

 


Preek weekeinde 4 en 5 november 2017
Maleachi 1, 14b – 2, 2b.8-10; Matteüs 23, 1-12

 

Hij gaat er met gestrekt been in, de profeet Maleachi. En hij schroomt daarbij niet God nietsontziende  bewoordingen in de mond te leggen. Een aanklacht tegen de priesterkaste. Bittere verwijten. Beschuldigingen van ontrouw aan het Verbond en een onwaardige, op eigenbelang en zelfverrijking gerichte levenshouding. Een woedende aanklacht. Dreigementen: ‘Ik zal jullie nageslacht treffen en jullie de mest van de offerdieren in het gezicht gooien. Jullie zullen uiteindelijk zelf op de mesthoop belanden.”


Het lijkt wel duidelijk dat Maleachi zijn eigen woede verwart met de toorn van Jahweh. Dat hij zich in de aloude controverse tussen de profeten, voorvechters van rechtvaardigheid en zuivere waarheid, en de priesters, behoeders van voorschriften en traditie, door God gedekt weet. Of waant. Maleachi, profeet van God. Profeet van de ongezouten waarheid. Hij kent de zwakke plek, de achilleshiel van de tempelelite: aanzien, status. ‘Daarom zal ik zorgen dat heel het volk jullie minacht en op je neerkijkt, want jullie volgen de weg niet die ik je wijs en jullie hechten geen waarde aan mijn wetten.’

 

Maleachi, de laatste in de rij van oudtestamentische profeten. Hij roept veel te hard. Hij schoffeert, zoals het kind in het sprookje dat roept: ‘De keizer is bloot, de keizer is helemaal bloot!’ Het kind schoffeert, maar met de waarheid, zonder enige boosaardigheid. Want een kind ziet wat is. Een kind vertrouwt zich toe aan de waarheid – ook de waarheid van het sprookje. Wek mijn zachtheid weer / geef mij terug de ogen van een kind / dat ik zie wat is / en mij toevertrouw / en het licht niet haat.’

 

Enige zachtheid kan Maleachi wel gebruiken. Zeker waar hij zijn woorden God in de mond legt. Maar zijn profetenogen zijn de ogen van een kind. Hij ziet wat is: het zelfbedrog van wie zich vroom en verheven achten. Ze eren God met de mond maar offeren gestolen, kreupele en zieke dieren terwijl ze de gezonde voor zichzelf houden. Ze zijn hun vrouw ontrouw en verstoten haar. Ze plegen meineden, buiten hun dagloners uit, onderdrukken weduwen en wezen en houden vreemdelingen buiten. Maleachi ziet het. Hij zegt het. Hij schreeuwt het over de daken. Een gevaarlijke waarheid. Hij daagt de macht van de tempel uit. En, hij vertrouwt zich toe. Aan de waarheid. Aan het licht. – ‘..dat ik zie wat is / en mij toevertrouw / en het licht niet haat.’

En dan die andere profeet. Eerste onder de profeten. Jezus. Eerste ook van een nieuwe keten van profeten, waaronder mensen als Augustinus, Franciscus, Maarten Luther, Simone Weil… Mensen die zien wat is en zeggen wat is. Elk met haar en zijn kenmerkende opmerkingsgave en met een eigen stemgeluid: Luther hard, soms ruw; Simone Weil intellectueel, haast fluisterend. Jezus met luider stem want, zo staat er, hij sprak ‘tot de menigte en tot zijn leerlingen’.

 

Jezus ontmaskert de onoprechtheid en het zelfbedrog van de religieuze rolmodellen van zijn tijd: schriftgeleerden, Farizeeën. Zij hechtten aan de uiterlijke tekenen van hun positie in de joodse samenleving. Zij willen gezien en gegroet worden op straat. Zij eisen de eerste plaatsen op en willen aangesproken worden met de naam die hun status onderstreept: ‘Rabbi’, ‘mijn Meester’. Maar deze uiterlijke zwaarwichtigheid maskeert het innerlijk lichtgewicht. Hun hart is niet bij het volk dat zij geacht worden te verlichten. Verlichten met het licht van verlossende inzichten uit de heilige boeken. Verlichten ook al die levens die door een woud aan voorschriften belast is. Zij leggen daarentegen juist zware lasten op, die ze zelf niet dragen. Ze haten het licht.

 

Zelfbedrog.
Wegdrijven van jezelf, je kern, je eerlijke ik.
De spiegel vrezen die je laat zien in al je potsierlijkheid .
De dromen vrezen die de angst onthullen.
De angst voor de ontmaskering.
De angst voor het kind in je dat roept: ‘De keizer heeft geen kleren aan. De keizer is bloot.’
Laat niemand zich rabbi noemen, zegt Jezus. Je hebt maar één Meester.
Noem je geen leraar. We hebben maar één Leraar en je hebt nog zoveel te leren.
Verhef je niet boven de ander. Je zult vallen.
Laat je voeten de aarde trouw blijven. Je zult worden opgetild. Gedragen.
Blijf jezelf. Word jezelf. Wees niet wat je niet bent.
Dien niet de maskerade, het recht van de sterken. Buig niet voor de angst.

 

Er zijn mensen met de ogen van een kind.
Mensen als Maleachi. Mensen als Jezus. Vooral Jezus. Mensen dicht bij God. Profeten.
Zij kijken achter de dingen. Zij kijken door de dingen heen.
Zij zien wat is.  Ze zeggen wat is. Hard soms, maar altijd bevrijdend en troostend.
Wie hun blik niet ontwijkt, niet vlucht voor hun woorden, zullen bevrijd en getroost worden.
Niet groter dan je kleinheid. Niet kleiner dan je bedoeld bent. Zo ben je goed.

 

Meindert Muller 

 


TER OVERWEGING :    22 – 10 - 2017 Jesaja  45, 1 + 4 - 6          Mat. 22, 15 – 21       

    

Laten we eens proberen ons te verplaatsen in de tijd van Jezus,
die te midden  van een groep mensen de
boodschap van zijn Vader aan de mensen wil overbrengen.

Vandaag zijn wij onder die toehoorders.
Wij die van allerlei pluimage zijn.
De grote vraag is: op welke plaats zouden wij ons thuis voelen?

Bij de toehoorders van Jezus op die dag of beter gezegd op de dag van vandaag zijn allerlei mensen vertegenwoordigd.
Jezus heeft een grote groep mensen om zich heen van Farizeeën,
die helemaal geen aanhangers waren van Jezus
dan een groepje Herodianen,
waarvan mensen niet precies wisten waarvoor ze stonden.
Allen hebben ze een vraag aan Jezus!
Maar die vraag stellen ze heel slim met de woorden; :  
“Meester, wij weten dat Gij oprecht zijt en
de weg van God in oprechtheid leert;
en Gij stoort U aan niemand,
want Gij ziet de mensen niet naar de ogen.
Jezus moet door die opmerking gevleid zijn.
Maar  juist daar zit er een addertje in het gras.
Jezus keert zich, want hij heeft de mensen meteen door en zegt:
“Waarom probeert gij Mij te vangen, gij huichelaars?
Even tussen door:
Praat Jezus misschien nu tegen enkele van ons?
Jezus geeft hierbij meteen aan aanwijzing aan ons en zegt:  
“Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt,
en aan God wat God toekomt.”
Jezus wordt niet kwaad;
hij legt niemand iets op maar laat de keuze is aan ons.
Maar wat is dan ons persoonlijke antwoord?
In de eerste lezing hoorden we,
dat God zelf geheime schatten aan ons geeft ,
uit de voorraden die verborgen zijn.
God wil ook hebben, dat  wij een keuze maken,
gewoon omdat God zelf vraagt. 
God schaamt zich niet te vragen, maar wat doen wij?

 

Piet Verhagen

 


TER  OVERWEGING Matteüs 22, 1-14, 15 oktober 2017

 

Het bruiloftskleed

 

Anders dan bij Lucas eindigt de parabel van het bruiloftsfeest bij Matteüs niet in een happy end. De aanvankelijke hoopvolle boodschap dat iedereen, zowel slechten als goeden, welkom zijn in het Rijk der Hemelen krijgt bij Matteüs een onvoorstelbare wending als de Koning de gasten zonder bruiloftskleed met geweld uit de feestzaal laat zetten. Dat roep vragen op, onder andere hoe je gekleed moet zijn om de feestzaal te mogen binnengaan. Hoe moet het bruiloftskleed er uit zien en wat moeten we ons daar bij voorstellen?


Gelukkig laat de Bijbel ons niet helemaal met lege handen zitten. In het laatste boek van de Bijbel in het boek Openbaring van Johannes zegt deze evangelist: “Laat ons verheug zijn en juichen en God eer bewijzen: de tijd is gekomen voor de bruiloft van het lam, zijn bruid heeft zich al klaargemaakt. Haar is het vergund zich te kleden in linnen, wit en smetteloos, want het linnen symboliseert de goede daden van de heiligen. (Apo. 19, 7-8)


Het bedoelde bruiloftskleed staat dus voor de goede daden van de heiligen. Als je goed gekleed in het Rijk der Hemelen wilt binnen gaan, bekleed je dan met goede daden, zoals de heiligen die hebben laten zien. Daarmee is natuurlijk nog niet meteen duidelijk wat dat inhoudt, maar het geeft wel een richting aan. Als voorbeeld kan de heilige Teresa van Avila gelden, wier feestdag op 15 oktober gevierd wordt.


Teresa leefde bijna 500 jaar geleden als Karmelietes. Zij is vooral bekend als mystica en kloosterhervormster. Centraal stond bij haar de vraag: waar gaat het in het leven om, met name ook als kloosterling? Wat is er echt belangrijk? Welke weg moet ik gaan om mij spiritueel te ontwikkelen? Hier schreef zij enkele beroemde boeken over. Maar ook voerde zij aan de hand van deze  vragen hervormingen door in bestaande kloosters en stichtte nieuwe kloosters.
Teresa was allesbehalve een saaie en wereldvreemde zuster. Zij was vriendelijk, betrouwbaar en had humor. Een voorbeeld mag dat verduidelijken.


Op zekere dag is Teresa weer eens op reis, zoals dat toen ging met paard en wagen. Het heeft langdurig geregend. De wegen in het bergachtig gebied zijn modderig. Plotseling begint de wagen te schuiven en kantelt. De zuster belandt met heel haar hebben en houden in de modder. Op dat moment klinkt er een stem uit de hemel: “Zo doet God met al zijn vrienden om hun op de proef te stellen”, waarop de zuster snibbig antwoordt: “Daarom hebt u er ook zo weinig!”

 

Wat Jezus in de parabel van het bruiloftsfeest aanreikt is dat het Rijk der Hemelen voor iedereen open staat. Maar zorg er wel voor dat je er gepast gekleed binnen gaat. Wat ‘gepast’ is is doorheen het hele evangelie te vinden. Daar waar dat niet meteen duidelijk is, kunnen heiligen de weg wijzen.

 

Jac Peeters

 


TER OVERWEGING 26e zondag dhj, 30 sept-1 oct. Lezingen: Ezechiel 18,25-28; Mat.21, 28-32


Ter inleiding
Vandaag horen we in het evangelie van Mattheus, hoe Jezus zijn omstanders en tegenstanders een eenvoudige wijsheid voorlegt: over ja zeggen en nee doen, en omgekeerd.  Het is het begin van een lange discussie, die met medestanders en tegenstanders van Jezus wordt gevoerd. Het is ook het vervolg van de parabel in de wijngaard, die we de vorige week hoorden. Opnieuw geeft Jezus ons te denken over wat betekent; de wil van de Vader te doen.


In de eerste lezing horen we een fragment uit de profeet Ezechiël, dat bij dit evangelie gekozen is, en daar ook een bepaald licht op werpt. De profeet schrijft ten tijde van de ballingschap en hij doet een dringende beroep op de joden om hun geloof trouw te blijven. Ook hier gaat het in zware bewoordingen over het ja en het nee. Ook in de ballingschap is de centrale vraag: wat wil God van ons in deze situatie?


Als een rode draad door deze liturgie lopen de gezangen, die we gekozen hebben, en die aansluit bij deze vraag: wat wil God van ons?  Daarin staat het zoeken naar God centraal. En daarmee de vraag naar het doel van ons leven. En naar onze situatie, waarin we kunnen kiezen tussen ja en nee.


OVERWEGING
Het evangelie van vandaag begint eigenlijk heel gewoontjes. Iemand wordt gevraagd iets te doen, hij zegt daar ja op, maar doet het uiteindelijk niet. En de ander zegt eerst nee, maar doet dan toch wat hem gevraagd wordt. Het is een keuzemoment, die Jezus hier aan zijn omstanders voorhoudt. Een keuze, die kennelijk kan verschuiven; een Ja wordt Nee, een Nee wordt Ja.


Wie op een of andere manier vertrouwd is met de opvoeding van kinderen, zal dit meteen herkennen. De tweejarigen hebben er een handje van overal nee op te zeggen. Zoals bekend is bij opvoeders: twee is nee. Zullen we gaan eten? Nee of toch maar ja. Slapen? Ja of toch maar nee.

 

Spelen? De voorbeelden zijn eindeloos. En dan getuigt het van enige stuurmanskunst om een nee dan in een ja te veranderen. En omgekeerd. En naarmate de kinderen ouder worden, is het vaak ingewikkelder. Zo las ik over een moeder, die haar puberzoon vroeg te helpen met de vaat. Ze kreeg een nee. Maar toen hij toch naar de keuken slofte, zag zij op t- shirt de spreuk van de winkel waar hij werkte: wij staan altijd tot uw dienst. Altijd ja dus. En zo kunt u waarschijnlijk nog wel de nodige voorbeelden geven.   


Maar laten we als volwassenen vooral eerst eens naar onszelf kijken. Kunnen we in ons eigen leven situaties herkennen, waarin er op deze manier sprake was van ja en nee? Dat we ergens tussen ja en nee verzeild raakten? Ik voor mezelf herken het wel. En geef u een persoonlijk voorbeeld.

 

Enkele jaren geleden sprak een onbekend iemand mij op een winkelcentrum aan:  of ik collectant wilde worden voor het goede doel, rondgaan in de wijk met een collectebus. De eerste spontane reactie was; natuurlijk,ik heb wel wat over voor de medemens. Dus zei ik er ja tegen, en schrok toen geweldig voor de consequenties terug. Het werd in dat eerste gesprekje toch een nee. Maar toen ik er later over nadacht, en voor mezelf mijn mogelijkheden nog eens op een rijtje zette, werd het toch een ja. Na dat aanvankelijk nee – ik heb hier geen tijd voor enz. – werd het beroep dat op me gedaan wordt toch te sterk. Het nee werd een ja. Het was echt een heel goed doel, waarvoor ik gevraagd werd. Dit geslingerd worden tussen ja en nee kunt u waarschijnlijk wel toepassen in uw eigen leven. In het concrete beroep dat op ons gedaan wordt, voor de keuzemogelijkheden die we zelf hebben  in de grote maatschappelijke discussies van dit moment – hoe gaan we om met vluchtelingen, integratie, milieu (dat laatste deze maand centraal in de ‘season of creation’) – dan hebben we dagelijks met deze momenten te maken, waarop we de keuze moeten maken tussen ja en nee.


Het gaat Jezus natuurlijk niet om pedagogisch advies, of om voor ieder geldende afwegingen te maken over maatschappelijke vraagstukken; het gaat hem om de keuze voor zijn boodschap. En die gaat, zoals in meerdere gevallen, over het doen van gerechtigheid. Dat is het oriëntatiepunt, en Jezus houdt zijn omstanders voor, dat sommige mensen – hij noemt, ongetwijfeld om te choqueren daarbij tollenaars en hoeren als voorbeeld – kennelijk eerder ja zeggen tegen zijn boodschap. Maar waarom zou je jezelf inspannen om iets van gerechtigheid te realiseren, als er zoveel onrecht om je heen , en op de wereld is? En nog dringender: kan uw, kan mijn inspanning – mijn rondsjouwen met de collectebus - iets bijdragen aan de wijngaard des Heren, die betere wereld, waarover Jezus het heeft -  en die hij in de volgende verhalen zal verduidelijken?  Waar zeggen we ja tegen, en waartegen nee?


Zelf ben ik Jezus wel dankbaar voor dat onschuldige verhaal over ja en nee – want we zitten er maar al te vaak tussen. We kunnen er lering uit trekken voor onze persoonlijke situatie. Wat meer maatschappelijk gekleurd is de situatie, waarin de profeet Ezechiel ons de keuze tussen ja en nee voorhoudt. Het zijn harde woorden, ze spreken over leven en dood. Dat is de ene kant van de profeet; die andere is het hartstochtelijk zoeken naar God, zoals uit de tussenzang (psalm 63) bllijkt. Denkt u de situatie maar eens in. De joden zitten in ballingschap, in een vreemd land, tussen een overheersend vreemd volk. Om het populair te schetsen: hun kerken (synagogen en de tempel) zijn platgebrand, zij worden om hun godsdienst gewantrouwd, in de supermarkt van de vreemde heersers telt de macht, het geld en het geweld, en de goden van welzijn en geluk bevestigen deze situatie. En het is natuurlijk aantrekkelijk om met de hoofdstroom mee te gaan, lippendienst te bewijzen aan de supergoden, je geen moeilijke vragen te stellen, en God, nou ja, die red zichzelf wel.


In deze situatie houdt de profeet het volk zijn centrale keuze voor. Ook in deze situatie kunnen ze kiezen voor de God van Israel, voor zijn geschiedenis met mensen. Het is gemakkelijk – zegt de profeet -  met de hoofdstroom mee te gaan, je niet meer te verdiepen in de geschiedenis van bevrijding, de belofte van een goed land om te leven. Wanneer de uiterlijke tekens en manifestaties van je godsdienst verdwijnen, dan heeft het zoeken naar God weinig zichtbaar houvast. Het moet dan iets van jezelf worden, als van levensbelang, dat troost en uitzicht biedt. Je voedsel voor onderweg is dan dit verhaal van bevrijding en het zingen van liederen, geboren in de ballingschap. ”Steeds weer zoeken mijn ogen naar u”, zo zongen we.


Het is niet zo moeilijk om ons als westerse christenen heden ten dage in die beelden en  dezelfde gemoedstoestand van de ballingschap van toen te verplaatsen.  Het is niet zo, dat het doen van gerechtigheid is voorbehouden aan christenen. Er zijn velen in onze samenleving die ook dat spoor willen volgen, en aan mensen recht willen doen. Maar er is moed voor nodig om het doen van gerechtigheid vol te houden. En dat heeft in een situatie van ballingschap alles te maken met het geloven en de kern ervan; het zoeken naar God, het speuren van zijn bedoelingen met ons.

 

Daarvoor te bidden, daarover te zingen, samen het brood te breken,  het te blijven doen tot Zijn gedachtenis. En in dat zoeken, zingen en bidden kan soms ons ja een nee, maar ook een nee een ja worden.


REN LANTMAN, 26 – 9 - 2017

 


TER OVERWEGING 23 en 24 september 2019 Jesaja 55, 6-9; Matteüs 20, 1-16a

 

Wat leren we in het praktische leven van het evangelie van vandaag? Op het eerste gezicht weinig. En niet omdat de kloof tussen ideaal en realiteit onoverbrugbaar lijkt. Niet omdat de parabel ons voor een schier te zware opgave stelt. Maar omdat de parabel ons iets voorhoudt dat moeilijk verenigbaar lijkt met bijbels handelen in de praktijk. Waar heb ik het over?

 

  1. Door heel de bijbel klinkt de oproep tot gerechtigheid. Minder bijbels gezegd: rechtvaardigheid, eerlijkheid. Dit ideaal proberen we o.a. concreet te vertalen in eerlijke beloningen. Rechtvaardig belonen is het in praktijk brengen van een centrale karakteristiek van het Rijk Gods: gerechtigheid. Dat staat niet vrijgevigheid en hulpvaardigheid in de weg. Maar als werkgevers en werknemers proberen tot goede en eerlijke loonafspraken te komen zijn ze weinig geholpen met de parabel die we vandaag hoorden.
  2. Ook valt er zo op het eerste gezicht, en vanuit bijbelse principes gedacht, een en ander af te dingen op de uitspraak: ‘Mag ik met mijn geld niet doen wat ik wil?’ Op grond van het evangelie mag het antwoord luiden: Dat is niet erg bijbels; bezit is je toevertrouwd opdat je er als een rechtvaardig rentmeester mee omgaat. Bezit betekent ook maatschappelijke verantwoordelijkheid. Maatschappelijk ondernemen is een moderne vertaling van bijbels handelen.

 

Het hoeven niet de slechtsten te zijn die met het evangelie van vandaag niet uit de voeten kunnen. Want wie zich inzetten voor loon naar werk – zowel van werknemerskant als van de kant van werkgevers – bouwen aan een betere wereld. Structureel eerlijke verhoudingen zijn te verkiezen boven weldadigheid.


Ik moet nog even doorbijten, de parabel vraagt erom. De arbeiders die de hele dag gewerkt hebben protesteren bij de landheer omdat zij die één uur gewerkt hebben evenveel betaald krijgen als zij. Dan vraagt de landheer hen: ‘Zet het kwaad bloed dat ik goed ben?’ Het eerlijke antwoord zou zijn: ‘Ja. Want het is niet eerlijk. Het toont de macht van het geld.’ Goed zijn binnen de maatschappelijke  verhoudingen – én, durf ik te zeggen, in de geest van het evangelie – heeft meer te maken met eerlijke en transparante loonafspraken dan met Sinterklaas spelen.


Dit gezegd zijnde, mag u mij vragen wat volgens mij dan de betekenis van de parabel is. Een moeilijke vraag. Maar ik ga hem niet uit de weg, al weet ik niet of ik u op het goede spoor zet.
Ik zoek het spoor in de lezing uit Jesaja. Daarin wordt de goddeloze aangespoord zijn plannen op te geven en terug te keren naar God, ‘die hem ruimhartig zal vergeven’. God zegt dan:


‘Mijn plannen zijn niet jullie plannen [gedachten],
en jullie wegen zijn niet mijn wegen – spreekt de Heer.
Want zo hoog als de hemel is boven de aarde,
zo ver gaan mijn wegen jullie wegen te boven,
en mijn plannen [gedachten] jullie plannen [gedachten].’


Er is, zegt God, een verschil van dag en nacht tussen de logica van het rijk van de hemel  en de logica van de aarde, de mensensamenleving.


En met de parabel geeft Jezus als het ware een inkijkje in het Rijk der Hemelen. Via een verhaal probeert hij zijn leerlingen, met wie hij alleen is nadat de rijke jongeling gefrustreerd is weggegaan, iets te laten zien van het totaal andere van Rijk Gods. Dat Rijk is een rijk van volmaakte vrede en goedheid, van liefde zonder voorbehoud.


Als de rijke jongeman, die naar eigen zeggen een voorbeeldig leven leidt, bij Jezus een garantie zoekt van eeuwig leven in het Rijk Gods en aandringt, gaat Jezus ook die grens tussen aarde en hemel over: ‘Als je volmaakt wilt zijn, ga dan naar huis, verkoop alles wat je bezit en geef de opbrengst aan de armen; dan zul je een schat in de hemel bezitten. Kom daarna terug en volg mij.’ Nergens staat dat Jezus de rijke jongeling veroordeelt. Maar deze man zoekt een volmaaktheid die niet van deze wereld is en krijgt een antwoord op de maat van die volmaaktheid. Zo maakt hij zichzelf ongelukkig.


Ik denk niet dat de maatschappij is gediend met volmaaktheid en dat God de mensenmaatschappij de maatstaf van volmaaktheid oplegt. Mensen zijn onvolmaakt – niet alleen uit zwakte of kwade wil, maar omdat mensen zo zijn. Om als onvolmaakte mensen zo goed mogelijk samen te leven maken mensen wetten, normen, regels; en afspraken over bijvoorbeeld loon en geldtransacties. En als dat op een open en eerlijke manier gebeurt, rekening houdend met de armen, mag je dat evangelisch handelen noemen.


Maar, er zijn ook altijd dwazen nodig – mensen die wél al hun bezit aan de armen geven; al hun tijd, al hun talent en energie inzetten voor een verheven ideaal; ja, hun leven geven voor een ander – dwazen die het visioen van het Rijk Gods zichtbaar maken. Dwazen als Jezus die vertelt over een goedheid, een liefde die onvoorwaardelijk is en die ons wacht voorbij de wetten en normen, ja voorbij recht en gerechtigheid. Over een dwaze landheer die, als God, de zon van zijn goedheid laat schijnen over goeden en kwaden, over eersten en laatsten.

 

Meindert Muller

 


TER OVERWEGING: 24ste ZONDAG A  P.Verhagen 16-09-2017 SEASON OF CREATION


Paus Franciscus heeft weer eens een "geweldige knuppel" in het hoenderhok
gegooid. Hij vond het nodig, omdat wij zijn "hoenders" weer eens order op
zaken moeten stellen.
Ooit was de wereld, die God de Vader aan ons gaf . .. Heel gaaf. Alles was goed
op elkaar afgestemd, het paste allemaal bij elkaar! Het liep gesmeerd. Alles in
en op die schepping was goed . . . . heel goed.
Wij mensen van nu kunnen ons daar niets meer bij voorstellen, maar we kunnen
ons wel voorstellen; hoe mooi het eens moet zijn geweest en wat zouden we
maar al te graag hebben, dat die schepping weer gesmeerd en ordelijk verliep.
Dit zodat alle bloemen en planten, alle beesten in de lucht en op het land weer
allemaal tot hun recht kwamen.
Als start heeft de paus Franciscus ons allemaal gevraagd, ieder ons steentje bij te
dragen. En ik vermoed, dat de paus zelf het voorbeeld wilde geven hoe hij dacht;
hoe kunnen we zoiets het beste aanpakken;
Heel ïangzaam maar wel heel grondig door gebed.
Door eerst en vooral toe te geven, dat ieder van ons persoonlijk
verantwoordelijk is op z4n of haar eigen gedrag. Niet eerst naar de ander kijken
. . . . nee eerst onszelf afvragen:
wat kan ik persoonlijk bijdragen in gebed en handelen, zodathet grote
hoenderhok weer mooi zal zljn, waar ieder zich thuis voelt.
Jezus geeft in het evangelie van vandaag een heel mooi, maar wel moeilijk na te
volgen voorbeeld! Petrus heeft een vraag aan Jezus! Hebben we dat niet
allemaal; hoe vaak moet ik mijn naaste vergeven? Het zij manen of vrouw.
Petrus, zoals wij bijna allemaal, geeft al meteen zijn eigen gedachten:
tot zeven maal toe? Dat vond Petrus en ik vermoed ieder van ons, zoals we hier
nu bij elkaar zitten, al heel wat! Jezus geeft meteen een duidelijk antwoord: niet
tot zevenmaal toe, maar tot zeventigmaal zevenmaal. Of wel anders gezegd, met
dat vergeven moet te doorgaan.
Als je dat niet van plan bent, voegt Jezus er meteen aan toe: ben jij een lelijke
knecht, die zelf geen schuld kwijtscheld, als de ander erom gesmeekt.
Wel lezen we: Heer, heb geduld met mij en ik zal u alles betalen. Dat is
makkelijk praten! Toch krügt de Heer medelijden met die dienaar en liet hem
gaan en schold hem het geleende kwijt.
Zo zal ook mijn hemelse Vader met ieder van u handelen, die niet zijn broeder
van harte vergiffenis schenkt.
Zo staat het al geschreven in het boek van Jezus Sirach:
God zal onze zonden nooit uit het oog verliezen. Maar God zegt ook: vergeef
uw naaste zijn onrecht: dan \l,orden, wanneer gij erom bidt, wanneer gij erom
bidt, wanneer gij erom bidt... uw eigen zonden kwijtgescholden worden.
Verder staat er ook heel duidelijk: denk aan de geboden en wrok niet tegen uw
naaste: {J zult het met mij eens ztjn, dat we ons niet kunnen verschuilen achter
onwetendheid; heel het sucçes voor ons allemaal is in deze "season of creation"
die helemaal afhangt van ieders totale inzet.
Dan op 4 oktober- op het feest van sint Franciscus, kunnen we \,veer eens met
een nieuwe lei beginnen om rust en vrede te brengen in het "hoenderhok" onze
katholieke kerk.

 

Piet Verhagen

 


TER OVERWEGING  10 september 2017   Romeinen 13, 8-10   en   ‘Season of Creation’


Johan was een veelbelovende student milieuwetenschappen. Hij doorliep de studie vlot en sloot ze cum laude af. Maar toen kwam de vraag “Wat nu?” Een wetenschappelijke carrière lag voor de hand, onderzoek doen, promoveren en later misschien doceren. Maar hij twijfelde. Zou hij dan niet te afstandelijk en te theoretisch met milieu bezig zijn, zo vroeg hij zich af. Toen de gelegenheid zich voordeed om een half jaar in het regenwouden van Brazilië te gaan werken greep hij die kans graag aan.


Groot was de teleurstellen toen hij daar van dichtbij ontdekte dat wetenschappers niet vanzelfsprekend aan de kant staan van de natuur, het milieu en de mens. Integendeel, vaak werken ze voor de belangen van grote ondernemingen, voor een corrupte overheid, voor het grote geld ten koste van natuur en mensen. Na terugkeer in Nederland wist Johan zeker dat hij geen wetenschappelijke carrière ambieerde. Hij wilde zich gewoon daadwerkelijk inzetten voor de natuur, voor het behoud van de zo prachtige schepping.


De ervaring in Brazilië had hem nog meer de ogen geopend voor hoe wij hier in Nederland met de schepping omgaan. Hij zag de verkwisting: nog bruikbaar materiaal vernietigd, eten weggegooid, natuur te gemakkelijk opgeofferd voor wegen en industrie. Hij zag de onverschilligheid van mensen: het achteloos weggooien van plastic, het lozen van verontreinigd afvalwater.


Min of meer op de vlucht vertrok hij naar Australië om er voor de bedreigde inheemse diersoorten te zorgen. Geldgebrek dwong hem terug naar Nederland. Hij nam het eerste het beste baantje en keek uit naar de tijd dat hij weer ergens voor dier of natuur kon zorgen. Hier verzamelde hij spullen die mensen weggooiden, meubilair, kleding maar ook voedsel. Hij repareerde het gevondene en gaf ze aan mensen die ze goed konden gebruiken of bracht ze in het gebruikte- spullen-circuit. In de winter haalde hij in winkels overtollige etenswaar op, maakte soep en deelde die uit aan daklozen. Vond hij op straat of in de natuur plastic of batterijen dan raapte hij dat op en  bracht het naar inleverpunten. Reizen deed hij per fiets of openbaar vervoer en bij hoge uitzondering meeliftend in een auto.


Als hij  weer wat geld had vertrok hij naar het buitenland. Zo zorgde hij voor gieren in de Pyreneeën, wolven in Midden-Amerika en beren in Rusland. De eens zo briljante student voelde er zich goed mij, ook al moest hij steeds een grote weerstand overwinnen om een vliegtuig te nemen.

 

Het is verheugend dat de kerken van 1 september tot 4 oktober aandacht vraagt voor de schepping met ‘Season of Creation’. Maar na die maand? Laat Johan de spiegel zijn die ons uitdaagt. Wat doe jij voor het behoud van de Schepping?


Volgens de bijbel is de mens niet de bezitter van de schepping, waar hij mee kan doen en laten wat hij wil. God heeft ons de schepping in bruikleen gegeven.  De mens is de beheerder. Wanneer hij zich de absolute bezitter waant, kan het heel erg fout gaan. Denk aan totalitaire regimes, waarin de ene mens voor de andere niet telt, aan mogelijke gevolgen van het pokerspel met kernwapens door de presidenten Trump en Kim Jong-un, aan de ongelijke verdeling van de rijkdommen van de schepping, aan ongecontroleerde genetische manipulatie, aan onze eigen achteloze verkwisting. Heel de Schrift roept de christen op om permanent respectvol met de schepping om te gaan en dat is wat anders dan heel berekend de kantjes er van af lopen.


Paulus houdt de Romeinen voor dat alle wetjes en regeltjes overboord kunnen als de mens als levenshouding de liefde heeft: “Liefde vervult de gehele wet” (Rom. 13, 10). Heel wat milieu-regeltjes en -wetjes kunnen overboord als  de mens leeft vanuit liefde voor de Schepping. Leven is liefde doen!

 

Jac Peeters

 


2017-08-15                 

 

TER OVERWEGING 15 aug 2017 Maria ten hemelopneming

 

Vandaag hier in onze kerk een Maria feest. Misschien zelfs het oudste Maria feest dat we van Maria kennen in onze kerk. 
Al vanaf de eerste eeuwen was er een Maria feest op 15 Augustus.
Toen werd het feest anders genoemd, namelijk: Maria, Moeder van God!
Pas later is die naam veranderd in: Maria Ten hemel opneming.
In dat feest drukten de  gelovigen hun verlangen uit – dat alle gelovigen op een gegeven moment allemaal weer samen met Christus zouden zijn! De gelovigen vonden het niet meer dan normaal, dat eerst en vooral de vrouw, die Jezus baarde, bij hem was in zijn leven en ook bij zijn sterven en verrijzenis, dat die vrouw ook bij Jezus zou zijn, waar Jezus was na zijn verrijzenis en hemelvaart. 
Maar hoe zat dat dan precies??? 
Johannus probeerde in zijn boek Openbaring dit te verwoorden.
Het herhaal van Johannus hebben  we zojuist gehoord, maar met dat verhaal hebben we misschien toch ook grote moeite.
Laten we daarom even wat dieper ingaan op die beschrijving van Johannus.
We horen over een vrouw, die gedragen wordt door twaalf sterren. Het getal twaalf , zoals vele andere getallen in de bijbel is een getal van grote betekenis. De twaalf zonen en stammen van Jacob. Twaalf het getal van gerechtigheid, dat staat tegenover de draak met zeven gezichten, die al het mogelijk kwaad voorstellen.
De vrouw brengt voort. Er wordt een kind, maar als het ware, ook een vrouw geboren. De vrouw wordt moeder en lijkt daardoor symbolisch op het volk Gods onderweg, dat is de kerk. De vrouw moet vluchten; vluchten naar de woestijn.
Het idee van woestijn speelt een grote rol in de bijbel. Het uitverkoren volk trekt er 40 jaar doorheen om gelouterd te worden en te groeien.
Ook de kerk . . . Gods volk is onderweg en trekt door een woestijn en groeit tegen de verdrukking in. De kerk is op weg naar het rijk Gods.
Toen de Joden door de woestijn trokken – naar hun beloofde land, deden ze dat met de ARK van het verbond.
Nu hebben wij een nieuw verbond . . .een nieuwe ark . . . Maria.
Zij trekt met ons mee en is steeds bij ons, zoals de ark van het oude verbond. Maria vond het geweldig om die nieuwe ark te mogen zijn. Eerst verdwijnt Maria als het ware van het toneel. Ze gaat werken bij haar nicht Elisabeth. Drie maanden . . . is dat niet heel toevallig ook precies de tijd dat vrouwen in verwachting – althans naar de buiten wereld – hun in verwachting zijn vrij gemakkelijk verborgen kunnen houden??? Maar voor Maria stond het al vast, want daarom zingt ze bij de ontmoeting van haar nicht al meteen alle lof toe aan God in het Magnificat.
In datzelfde Magnificat zingt Maria ook meteen, dat niet alleen zijzelf God bejubelt, maar dat alle geslachten NA haar   ditzelfde zullen doen, samen met haar.

 

Daarom is het zo goed, dat wij hier nu samen dit feest vieren, als kunnen we misschien niet meer zo gemakkelijk handen en voeten geven aan die tenhemelopneming. Maar dat laatste wordt dan een bijkomstigheid. Het voornaamste is, dat we samen op weg zijn naar dit nieuwe koninkrijk, zij het door een woestijn, groeiend tegen de verdrukking in, want God blijft trouw aan ons zoals Hij dat door de hele geschiedenis, bijbel is.
Amen.

 

Piet Verhagen

 


TER OVERWEGING 19e zondag door het jaar. Lezingen; 1 Koningen 19.9a-11-13a; Mat. 14.14,22-33


Inleiding
Vanmorgen twee heel verschillende  zaken ter inleiding. In ons midden vandaag een muzikaal trio, te weten Annalies Havelaar (traverso/fluit), Ad Gijzels (orgel ) en Lars Hansson (altviool). Zij spelen vandaag een sonate van Telemann. Hij was een tijdgenoot van Bach, 250 jaar geleden gestorven, en in die tijd veel beroemder. Hij heeft ongeveer 3000 muzikale werken geschreven, een klein deel daarvan is bewaard. Het trio heeft voor deze dienst al een eerste deel van deze sonate laten horen, onder de collecte het tweede deel, onder de communie het derde. En na het slotlied zal het vierde deel klinken en een reprise van een van de andere delen. Dus u wordt gevraagd dan even te blijven luisteren om de muziek uit te laten klinken.


In de lezingen van vandaag gaat het over een godsontmoeting, en wel op twee heel verschillende manieren. In het oude of eerste testament heeft Elia een godservaring, als hij op de vlucht is voor de heersende machten van zijn tijd. Hij verbergt zich, zijn menselijk bestaan is in het geding. En dan gebeuren er wonderlijke dingen. Laten we er goed naar luisteren. In het evangelie verschijnt Jezus aan de leerlingen, als ze op het meer tobben met wind en tegenwind. Ook dat is een wonderlijke ontmoeting. Laten we ook daar goed naar luisteren.


Wat hebben muziek en die godsontmoeting met elkaar te maken? Laten we om te beginnen onze oren spitsen, maar in het begin van deze viering vooral luisteren naar de stem van ons hart, en ons in de stilte richten tot de God van ons leven.


OVERWEGING
Wat hebben muziek van Telemann en de Godsontmoeting van Elia en de apostelen met elkaar te maken?  Natuurlijk kun je zeggen, dat muziek ons in andere sferen kan brengen, misschien zelfs in hogere sferen, zodat je kunt zeggen; het klinkt goddelijk in onze oren. En er zijn heel veel soorten muziek, maar wat mij betreft heeft de barokmuziek, zoals die hier vanmorgen klinkt, iets meer in klank en kleur, waarvan je kunt zeggen; dat brengt mij in andere sferen. Maar de hardrockers onder u, of de operaliefhebbers zullen zo hun eigen goddelijke ervaring hebben.
Maar als we de wederwaardigheden van Elia nader bekijken, dan is er misschien meer te overwegen. Laten we even teruggaan naar de geschiedenis, waarin Elia verstrikt is. Hij is – als we alle details even weglaten – op de vlucht voor de koning van Israel, die hem wil vermoorden. Want er is – zoals wel vaker in de geschiedenis van het joodse volk toen – een felle discussie uitgebroken over het Godsgeloof. Op wie kunnen we vertrouwen en op wie kunnen we bouwen? De grootste en koningsgezinde partij en de priesters vertrouwt op Baal, de vruchtbaarheidsgod. Die God garandeert vruchtbaarheid van land en volk, hem moet geofferd worden. Alles moet daarom gedaan worden om hem gunstig te stemmen.  Jahwe, die oer- God van het Verbond vraagt het volk om zich aan de eens gegeven geboden te houden, hun bevrijding uit Egypte van de machten en goden in herinnering te houden, en vooral: om gerechtigheid te doen. Dat schuurt en wringt aan alle kanten. Elia lijkt met zijn optreden te winnen, maar moet toch vluchten. De koning heeft de opdracht gegeven dat hij moet worden vermoord, en wel binnen vierentwintig uur. Elia  verbergt zich in de rotsen. Hij zal zich ongetwijfeld hebben afgevraagd: waar is nu mijn God, wanneer ik hem zo hard nodig heb? Het leidt tot de twijfelende vraag: ‘Elia, wat doe je hier? ‘ Elia verbergt zich voor zijn vijanden, in het gebergte, in een grot. En dan staat er geschreven: God toont zich, niet in de storm, niet in het schokken van de aarde, niet in het vuur, maar in ‘het suizen van een zachte bries.’.Laat dit even tot je doordringen. God, de Eeuwige, verschijnt hier als de nabije – als het stil wordt. Dat is geen romantische stilte, maar een diep besef van zijn aanwezigheid als een zachtheid, als  een niet te vatten stilte om je heen, in je eigen hart. Dat is de ervaring van Elia. Maar tegelijk is het een ervaring, die niet blijvend is, maar die voorbijgaat. God kun je niet zien, Elia slaat de profetenmantel voor zijn gezicht – hij luistert naar die stilte. Dan klinkt opnieuw de vraag ‘Elia, wat doe je hier?’. Maar nu is alles anders. Hij weet weer wat hem te doen staat, welke opdracht hij te vervullen heeft. De machten, waarvoor hij op de vlucht slaat, blijven de machten, maar nu is er moed en vertrouwen. De stilte heeft hem toegesproken.
En dan die situatie op het meer, waarin leerlingen zich voorttobben met wind en tegenwind. Jezus verschijnt hen – ze denken een spook te zien, ze schreeuwen het uit, zo staat er, maar hij stelt hen gerust; ‘ik ben het, vrees niet’. Petrus wil daar wel antwoord opgeven, en laten we hem maar als voorbeeld nemen van al onze antwoorden. Maar de afstand tussen hem en Jezus is te groot, hij zakt door de grond. En Jezus reikt hem de hand en vraagt hem; heb je er dan zo weinig vertrouwen in? (Want geloof en vertrouwen, dat is in het Grieks hetzelfde woord).. Jezus reikt hem de hand, en in die ontmoeting keert de rust en de stilte terug.


Tweemaal een Godsontmoeting in een omgeving van vlucht en benardheid, tweemaal een mogelijkheid om ons eigen geloven te spiegelen aan deze verhalen. Het kan zijn, dat we ons meer in Elia herkennen. Dat er momenten in ons leven zijn, die ons herinneren aan het ‘suizen van een zachte bries’. Onverwachte momenten, die ons overkomen als we de stilte zoeken, in een kerk, of in de natuur of in de stad tussen de mensen of in een ontmoeting met een vreemde. Dat zijn de momenten waarop het even stil valt in onszelf. Momenten die ons ineens  bevestigen in ons geloven en influisteren; Heb vertrouwen. Het kan ook zijn, dat we ons herkennen in die arme Petrus, die wel graag wil geloven, maar de grond onder zijn voeten voelt wegzinken – en dan is er die hand (welke hand?), die jou optilt, en jou opnieuw en opnieuw doet weten – Heb vertrouwen.
In de liederen die we vandaag zingen, proberen we die ervaring op te roepen, en misschien even ons eigen te maken. En de muziek van Telemann kan ons daarbij helpen. Want in de beweging van de muziek wordt het allemaal opgeroepen; in stormachtige bewegingen, het snelle en langzame tempi, in vurige noten, en in de stilte. In de muziek kunnen we soms ‘het suizen van een zachte bries’ ervaren. Een wonder, die muzikale taal. Een bijzonderheid van muziek is bovendien, dat je die niet kunt zien. Maar wel kunt horen, en soms doe je je ogen dicht om dat nog intenser te beleven.
En tenslotte: we weten – ook muziek gaat voorbij, en als de musici de laatste noten gespeeld hebben, dan kunnen we ons – dank zij de spelers die ons hierin zijn voorgegaan -  verkwikt en gesterkt voelen en geïnspireerd verder gaan.
‘Elia, wat doe je hier?’.


REN LANTMAN

 


TER OVERWEGING   30 juli 2017    Koningen 3, 5. 7-12    Matteüs 13, 44-46  

 

Als koning Salomo nu geleefd zou hebben, zou hij waarschijnlijk vreselijk jaloers geweest zijn op koningin Elisabeth van Engeland, die oude en wijze dame met haar enorme ervaring van 65 jaar als koningin. Salomo is nog maar een onervaren jongeman als hij de zware last van het koningschap op zijn schouders krijgt. En ook nog moet hij opboksen tegen de roem van zijn vader en voorganger David. Graag zou Salomo van de wijze vorstin wat lessen gehad willen hebben in hoe word ik een goed koning. Maar Salomo staat er helemaal alleen voor, zo lijkt het.


Toch krijgt hij onverwacht hulp, als hij op een dag in de tempel een offer gebracht heeft en God hem in een droom verschijnt. Hij vraagt Salomo wat hij graag zou willen hebben. Deze hoeft niet lang na te denken. Hij vraagt God om een opmerkzame geest om recht te kunnen spreken voor het volk en onderscheid te kunnen maken tussen goed en kwaad. Hij vraagt om een luisterend hart. God is blij met dit antwoord. Hij prijst hem en schenkt hem inderdaad een geest vol wijsheid. Om die wijsheid is Salomo zelfs beroemd geworden.


Met Salomo gaat het goed zolang hij zich laat leiden door de opmerkzame geest die Jahweh hem geschonken heeft. Maar de geschiedenis leert ons dat hij na verloop van tijd toch bezweken is voor de lokroep van de macht. Hij luistert niet meer naar zijn hart, maar naar de stem van de begeerte. De laatste verhalen over hem laten zien hoe hij de voorschriften van Jahweh God aan zijn laars lapt, hoe hij er veel vrouwen op na houdt en een schat aan goud en zilver vergaart. Hij gaat zelfs andere goden dienen, zodat profeten later ook zullen zeggen dat hij veel deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh.


Hoe herkenbaar voor mensen in deze tijd! Velen beginnen een baan of taak met een luisterend hart. De arts luistert met interesse naar zijn patiënt. De voorzitter van de vereniging stelt het belang van de leden voorop. De directeur van de wooncorporatie is gericht op het welzijn van de bewoners. Maar hoe vaak horen we niet hoe het na verloop van tijd mis gaat. Mensen krijgen dollartekens in hun ogen, de publiciteit gaat tellen en de eigen carrière wordt steeds meer gekoesterd. Het luisterend hart wordt ingeruild voor geld, macht en roem.
Maar het is makkelijk om naar anderen te wijzen. Hoe staat het met onze eigen goede voornemens en bedoelingen? Geven wij ruimte aan ons hart, om te luisteren naar wat diep in ons leeft? 


Luisteren naar de stem van het hart is ook een rode draad van Matteüs 13, 44-46. In deze gelijkenissen zijn mensen opzoek naar een schat, naar de allerbelangrijkste schat in hun leven. En volgens Jezus is dat het Rijk der Hemelen of met andere woorden het Rijk van God. De komst van dat Rijk staat centraal in de hele verkondiging van Jezus. Toehoorders en ook de leerlingen van Jezus denken aan een concreet rijk dat een einde zal maken aan de bezetting door de Romeinen en dat het oude rijk van Israël in ere zal herstellen. Maar dat is niet waar Jezus het over heeft. Een discussie met de Farizeeën mag dat verduidelijken: “De komst van het koninkrijk van God laat zich niet aanwijzen en men kan ook niet zeggen: ‘Kijk, hier is het, of daar is het. Maar weet wel: het koninkrijk van God is binnen u (Lucas 17,21).” De mens zelf is de akker waarin de schat verborgen ligt. De mens zelf heeft een kostbare parel in zich. Het is God die in het diepste van de mens aanwezig is. Wie Jezus wil volgen zal naar zijn hart luisteren.

 

Jac Peeters

 


TER OVERWEGING 16e z.d.h.j, 22-23 juli 2017. Boek der Wijsheid 12.13.16-19; Matt. 13, 24-30.36-43

 

Inleiding


Drie weken achter elkaar horen we in het evangelie een aantal parabels uit het evangelie van Mattheus (Hoofdstuk 13). De langste en voornaamste van deze parabels gaan over  lotgevallen in de natuur; het zaad dat gezaaid wordt, waarmee van alles gebeurt. Vorige week hoorden we over de zaaier, die zaait – en wat er van zijn zaad terecht komt. Jezus wil daarmee iets duidelijk maken over het verstaan van zijn boodschap door verschillende soorten toehoorders. Volgende week  horen we het einde van het hoofdstuk en de reactie van de joodse toehoorders daarop.


Vandaag het middenstuk; de parabel van het kruid en het onkruid, waarover Jezus vertelt. Hij legt de bedoeling daarvan ook nu weer aan zijn leerlingen uit. Maar dat maakt onze vragen er iets minder om. “Wat nu, met het onkruid?” zou onze ongeruste vraag kunnen zijn. In de eerste lezing – uit het boek der Wijsheid – wordt gewezen op Gods goedheid, mildheid en geduld. Een vingerwijzing naar de manier, waarop we het evangelie kunnen verstaan. Maar stelt ons dat gerust? Laten we straks eerst de lezingen en de boodschap die ze bevatten op ons inwerken.


OVERWEGING
De overweging van vandaag kan kort zijn. Want Jezus zelf legt op verzoek van zijn leerlingen deze parabel uit, zodat het glashelder is, wat hij bedoeld duidelijk te maken. In een zomers beeld van de natuur, waar je het gewas uit de grond ziet komen en tot rijpheid, maakt Jezus duidelijk hoe het er in de wereld aan toegaat. Hijzelf ziet zich als de zaaier van het goede zaad, maar er is de duivel, die onkruid tussen de tarwe mengt. En van degenen, die het onkruid willen verwijderen, wordt om geduld gevraagd. Jezus wil hen en ons duidelijk maken, dat er pas op het einde van de wereld klaarheid komt, en een duidelijke scheiding tussen het onkruid en degenen, die gezaaid zijn als het goede graan. Of – zoals Jezus zelf uitlegt – een scheiding tussen de kinderen van het kwaad en de kinderen van het Rijk van God.


De leerlingen reageren niet direct op deze uitleg, maar ik heb de neiging wat tegen te sputteren. Moeten wij, die proberen iets van het Rijk van God in ons leven te realiseren, echt in die tussentijd maar wachten en maar niets doen – zo van; stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw? Wat nu met het onkruid? Het lijkt me een heel realistische vraag. Maar ook een lastige – want was is precies in deze wereld het onkruid. Jezus zegt ons: het onkruid is het duivelse, het kwaad. Mag je dat  zomaar zijn gang laten gaan?  Als meelevend burger en als lid van de gelovige Christusgemeenschap word ik er wat opstandig van.


De vraag naar het omgaan van kruid met onkruid (om het zomaar kernachtig samen te vatten) hield me bezig, toen ik eens langs de randen van Sittard door het open veld fietste, waar op sommige plekken het graan opschiet en rijpt. Ik geniet altijd van dat golvende landschap, speciaal als het beschenen wordt door een niet te warm zonnetje. Maar met de parabel in het achterhoofd viel me iets op. Tussen het graan was geen sprietje onkruid te bekennen, alleen aan de randen wat slordig ingroeiend gras en een paar hele mooie klaprozen. Natuurlijk, die gang van zaken is begrijpelijk, kijkend met de ogen van een 21e eeuwse mens; de landbouwer van nu  wil een maximale oogst, en we hebben de technieken om daarvoor te zorgen; geen onkruid tussen de tarwe dus. Maar kijkend met de ogen van de parabel kun je jezelf afvragen; kun je de wereld denken als is zo’n mooi graanveld, is het mogelijk al het kwade in deze wereld in die ‘tussentijd’ waarin we leven,te verdelgen, uit te roeien?


Misschien – zo houd ik mezelf voor – is dat wel onze natuurlijke neiging. We kunnen ons de vraag van de dienaren van de landeigenaar goed voorstellen. Ze willen het onkruid meteen verwijderen, het kwaad uitroeien. En dan maant de parabel ons ongemeen duidelijk tot voorzichtigheid. Het uiteindelijke oordeel over deze wereld is niet aan ons, maar aan God. Zo wil ons voorgehouden worden. Wel is het aan ons de keuze of we zelf het goede graan zijn, daarop zullen we geoordeeld worden, zo maakt de uitleg van Jezus duidelijk.


Maar wat, in de tussentijd? Kunnen we dan helemaal niets doen om het onkruid terug te dringen? De parabel scherpt ons denken door onszelf af te vragen, wat het kwaad is, hoe het zich manifesteert en hoe wij ons er toe verhouden. Want wat is dat kwaad dan precies? In de parabel dat aan het volk wordt verteld, is het een persoon, aangeduid als de vijand. De uitleg van Jezus algemener en duidelijker. Het is de duivel, en die kun je – in de woorden van Jezus – altijd zien als de tegen- strever, de dwars- ligger. Maar merk op, hoezeer wij zelf in de liturgie steeds wisselen tussen de meer persoonlijke benoeming van de kwade (de vijand, de duivel), en het kwaad als een bijna niet te grijpen onpersoonlijk verschijnsel. In het Onze Vader bidden wij ; verlos ons van het kwade; terwijl onze oecumenische broeders en zusters het kwaad aanduiden als ‘de Boze’ (met een hoofdletter).


Hoe komen we er dan achter, hoe wij in de tussentijd het kwade , of de boze minstens kunnen herkennen? In het oordeel op het einde van de tijden, waarin de oogst van de wereld definitief wordt binnengehaald, gaat het heel duidelijk over de specifieke zaken, die met  het onkruid in verband worden gebracht. Het gaat om mensen die schandalen veroorzaken (scandala in het Grieks) en die bewust tegen de wet (bedoeld is: Gods geboden) ingaan. In de nieuwe Bijbelvertaling (NBV) wordt dit laatste zelfs vertaald als: mensen, die de wet hebben verkracht. Wat moet je daarbij denken? Het kwade of de kwade is daar te vinden, zegt Augustinus, waar het goede op een gewelddadige manier geroofd wordt, van zijn goedheid ontdaan. In parabeltermen: waar het opkomende graan, wetens en willens vertrapt en vernietigd wordt. Daar is het kwade, of de kwade, aan het  werk.


Dit is geen gemakkelijke kost, als we zo naar onszelf als minstens goedwillende mensen willen kijken en naar deze wereld, die….vult u maar in. De parabel kan onze aandacht scherpen voor goed en kwaad. Nee, ook niet ‘stil maar wacht maar…..’ Maar misschien kunnen we dan ook iets van de wijsheid en het goddelijk geduld opbrengen – om minstens ons definitieve oordeel over goed en kwaad uit te stellen. Die les uit de parabel kan ons ook helpen om  het goede te helpen uitzaaien, het kwade terug te dringen, en zo iets van het Rijk Gods op deze wereld zichtbaar te maken.
Hierover verder mijmerend viel ik in slaap en droomde dat met Jezus langs de velden van Sittard liep. En hem voorzichtig vroeg: ‘Zou je die parabel van u ook niet een andere wending kunnen geven’. ‘Hoe bedoel je’, vroeg hij nieuwsgierig. ‘Nou, dat graan dat opgroeit, draagt vrucht in mensen, dat hebt u vorige week zondag al gezegd (en is ons door Elly uitgelegd)’. ‘Klopt’, zei hij, ‘en verder…’Nou, dat graan hoeft niet alleen geoogst te worden, maar kan ook opnieuw als zaad gebruikt worden, en zo steeds meer het onkruid terugdringen. Ik bedoel – zei ik onbeholpen – ook het goede kan zich toch uitzaaien?’. ‘Niet slecht voor een beginneling’, zei Jezus vriendelijk tegen me; ‘maar je moet er niet te lang over preken’. Toen werd ik wakker.

 

Ren Lantman



TER OVERWEGING       16 juli 2017  15e d h j  A  Jes 55, 1-9  Matt. 13, 1-9

 

Thema: Een stukje goede grond               

       

Het is zomer... Groeiseizoen... Zon en ook regen op zijn tijd zorgen ervoor dat het gewas op het land groeien kan. En dan komt de tijd van de oogst...
Ook Jezus spreekt vandaag over zaaien en oogsten. Het zaad dat in goede aarde valt heeft de meeste kansen om voorspoedig op te schieten en veel vrucht te dragen.
Jezus was echter geen docent aan een agrarische opleiding...
Zijn woorden gaan over het rijk Gods...


Gods woord wordt in ons gezaaid, in de hoop dat het zal kiemen, opgroeien en vrucht zal dragen. Dat wij in woord en daad naar dat Woord (met een hoofdletter) zullen leven...

Zaaien en oogsten is een populaire zaak. Denk maar aan de moestuintjes actie van de bekende supermarkt. De tijd van zaaien is in het voorjaar begonnen en nu wordt er overal ook een en ander geoogst. En in deze tijd, de zomer, de vakantietijd, als we meer dan anders buiten zijn, is er vanzelf meer oog voor en besef van wat er allemaal groeit. We leven ervan, ons voedsel komt er vandaan... Ook onze eigen groentetuin staat vol kool, courgettes en komkommer. Zaaien en oogsten is iets wat dichtbij de mensen staat. Wat eigenlijk iedereen wel kent of wil kennen. En niks is zo lekker als boontjes uit de eigen tuin...

 

Jezus vertelt in het evangelie daarom de gelijkenis van de zaaier. Hij spreekt over bekende verschijnselen en problemen: zaad dat op rotsen valt, door vogels opgegeten wordt of tussen de distels raakt zal geen vrucht dragen... Daarvoor is goede aarde nodig. Zijn toehoorders weten daar alles van. Een overbodige les, die gelijkenis, zou je dus zeggen. Maar misschien is er iets anders te leren... De lezing van Jesaja helpt ons op weg: die spreekt over Gods woord. Dat, zegt God,  ‘komt voort uit mijn mond; het keert niet vruchteloos naar Mij terug, maar pas wanneer het heeft gedaan wat Mij behaagt, en alles heeft volvoerd, waartoe Ik het heb gezonden. Wat is er nodig om Gods woord te laten groeien?

 

Een stukje goede grond... Dat is waar we naar op zoek zijn. Niet buiten op de velden van Galilea of in de volkstuintjes van Sittard, maar in ons eigen hart. Wat maakt dat Gods woord groeien kan? Ik denk dat je Gods woord niet alleen moet horen met je oren, maar met je hele wezen...

 

Van de week stuitte ik in de krant op een ingezonden stuk van een docent levensbeschouwelijke vorming. Hij schrijft dat hij de laatste jaren steeds meer middelbare scholieren ziet die al tegen een burn-out aanlopen. Die in ons onderwijssysteem van meten en presteren steeds op hun tenen moeten lopen. En hij stelt de vraag: Als presteren, weten en meten allesbepalend is geworden, waar is dan de ruimte voor wie en wat je bent en voor wat je wilt met je leven? Hij geeft aan, dat structureel tijd nemen voor deze trage vragen van zin en betekenis van het leven, zinvol en verrijkend kan werken. Aandacht hebben voor de ziel, dus.

 

In het verlengde hiervan denk ik dat ook Gods woord alleen groeien kan als we het na het zaaien voldoende tijd geven en zo de kans geven om diep genoeg te wortelen. Rust en reflectie zijn als voldoende mest, wat warmte en zachte regen en bevorderen de vruchtbaarheid van de bodem in ons. Zo ontstaat er een stukje goede grond. De zomervakantietijd is niet alleen een uitgesproken groeiseizoen, maar ook een periode waarin veel mensen het minder druk hebben met school, werk of verenigingen. Een tijd waarin rust nemen en nadenken over het eigen leven misschien wat meer mogelijk zijn.

 

Ben ik op de goede weg? Heb ik teveel werk of vrijwilligerstaken? Heb ik aandacht genoeg voor mijn partner of kinderen, voor familie en vrienden? Word ik geleefd en opgejaagd door alles wat er in de agenda staat, door facebook,  computerspelletjes of whatsapp berichtjes? Wat vind ik echt belangrijk in het leven? Gaat het om meer hebben en krijgen, of om welzijn en geluk van mensen om me heen?

 

Wat zouden de vruchten van Gods koninkrijk zijn, in deze tijd...? Wat zou Jezus ons te vertellen hebben, welke gelijkenis zou hij ons voorhouden als hij bekend was met ons leven...? Laten we het Woord van God toelaten in ons eigen leven van alledag. Laten we het als basis voor onze woorden en daden een plek geven, en zaaien op een stukje goede grond in ons zelf....

 

Elly Bus-Linssen

 


TER OVERWEGING weekeinde 8 en 9 juli 2017-07-08  Zacharia 9, 9-10; Matteüs 11, 25-30

 

Wat een ontzettend troostrijk evangelie.

‘Ik loof u, Vader, [..] omdat u deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt gehouden, maar ze aan eenvoudige mensen [in andere vertalingen ‘kinderen’] hebt onthuld.’ En natuurlijk scharen wij ons graag onder de eenvoudigen of kinderen. Maar wat zijn ‘deze dingen’? En wie zijn die ‘wijzen en verstandigen’ dan? Het zal toch niet zo zijn dat Jezus met een al te makkelijk, haast populistisch trucje de wijsheid en redelijkheid aan de kant zet om op een goedkope en onbijbelse manier zijn gelijk te halen? Om zichzelf wijs te maken dat zijn zending toch succes heeft? Wat heeft God tegen wijsheid en verstand?

 

De bijbel kent in het boek Wijsheid zelfs een uitvoerige, indrukwekkende ode aan de wijsheid. Een ode die zo begint:

‘De wijsheid zoekt geen onderkomen in een ziel die sluw is, ze woont niet in een lichaam dat door zonde wordt beheerst. Als Gods heilige geest onderwijst ze mensen. Bedrog ontvlucht ze, onverstandig denken gaat ze uit de weg, waar onrecht opdoemt trekt ze zich terug. De wijsheid is een geest die mensen liefheeft.’

Misschien is het laatste zinnetje wel de sleutelzin om Jezus’ woorden van vandaag te begrijpen. ‘De wijsheid is een geest die mensen liefheeft.’ Wijsheid volgens de Schrift heeft weinig te maken met een geest van zelfgenoegzaamheid, eigenliefde, sluwheid, betweterigheid, eigenwijsheid, achterdocht. Wijsheid heeft weinig te maken met het cynisme van ‘mij maken ze niks wijs’, van ‘ik ben gekke Henkie niet’, van ‘het is niet goed of het deugt niet’. Tegen deze wijsheid van de achterdocht heeft Jezus voortdurend moeten opboksen. Vlak vóór de passage die we vandaag hoorden geeft Jezus daar twee voorbeelden van.

 

Het eerste haakt in op een straattafereel: Twee groepjes kinderen op een plein. Samen spelen lukte niet echt. Ze geven elkaar de schuld. Er wordt naar elkaar geroepen: ‘Eerst spelen we op de fluit en willen jullie niet dansen. Dan doen we maar begrafenisje en blijven jullie lachen.’ Jezus vergelijkt daarmee de reactie van de mensen op eerst Johannes en vervolgens op hem. Johannes was een asceet, die amper at of dronk, en men zei: ‘Die is van Lotje getikt.’ ‘En toen,’ zegt Jezus, ‘kwam ik, en ik eet en drink gewoon; en dan zeggen ze weer: “Wat een veelvraat, wat een dronkaard!”’

 

Het tweede voorbeeld is de afwijzende reactie van steden als Chorazin, Betsaïda en Kafarnaüm, plaatsen waar veel van Jezus wonderen hadden plaatsgevonden – wonderen van lichamelijke en geestelijke heling. ’Zelfs Sodom zou zich bekeerd hebben,’ zegt Jezus. Maar Jezus stuit daar op ongeloof, achterdocht en cynisme. ‘Daar trappen wij niet in. Ons maakt hij niks wijs. Wie denkt hij wel dat hij is.’

 

Dan keert Jezus deze afwijzing door al die waanwijzen en eigenwijzen om in een lofzang op zijn hemelse Vader. Hij dankt hem voor het geloof dat hij heeft gevonden bij degenen die zich wel openstelden voor zijn boodschap van bevrijding en voor de wonderen die daar getuigenis van aflegden. Want ware wijsheid kenmerkt zich door openheid naar het onbekende, de onbekende, de vonk van het goddelijke in elke ontmoeting, de overgave aan het mysterie. Wat had Jezus ook weer gezegd in de Bergrede? ‘Gelukkig wie zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien.’

Jezus prijst God niet om de onnozelen. Hij dankt hem om de mensen met een open geest en een zuiver hart; om degenen die hun ramen en deuren niet hebben dichtgetimmerd met beter weten en eigen gelijk; de kinderen die openstaan voor het wonder. De eenvoudigen met een geest die mensen liefheeft.

 

Wie herkent dit evangelie niet in onze tijd? De afwijzing en ridiculisering van religie en geloof, het christelijk geloof en ieder geloof. De zelfgenoegzame of ook neerbuigend welwillende wijsheid waarmee gelovigen als onwijzen worden weggezet. Het zij zo. Er zijn tijden geweest waarin het omgekeerde de norm was. Het in onbruik, ja in diskrediet  raken van religie en geloof kan frustreren, onzeker maken, moe en moedeloos. Maar dan zijn daar die woorden van Jezus: ‘Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven.’

Het is alsof Jezus over zijn eigen teleurstelling en verwijten heenstapt; zijn blik wendt naar de mensen die wel willen horen, zien en geloven. Naar al degenen die weten dat ze genezing en bekering nodig hebben. Naar de armen en de ongelukkigen die uitzien naar een bevrijder. En zijn hart stroomt vol vreugde en mededogen. En uit zijn mond komen enkele van de meest tedere Jezuswoorden die zijn opgetekend.  

 

Het is alsof Jezus zichzelf dwingt met de ogen van de hoop te kijken. Zo zouden ook wij moeten doen. Dan is er ook voor ons veel meer gedeeld geloof te zien dan met de ogen van frustratie en verongelijktheid. Zoals het geloof dat in de lezingen van vandaag, maar ook in veel woorden van zoveel anders- en niet-gelovigen is uitgedrukt, zoals heel indrukwekkend door Henriëtte Roland Holst:

De zachte krachten zullen zeker winnen
in ’t eind -- dit hoor ik als een innig fluistren
in mij: zoo ’t zweeg zou alle licht verduistren
alle warmte zou verstarren van binnen.

De zachte krachten zullen zeker winnen.

 

Meindert Muller

 


OVERWEGING:    13DE ZOND  A 1/2 juli 2017   2 Koningen  4, 8 – 11 + 14 – 16a   Mattheus   10,37 -42  

 

Het was niet moeilijk om een thema te bedenken voor dit weekeinde.

Het is geworden: Wie goed doet, die goed ontmoet! Zoals u leest.

In de eerste lezing van vandaag horen we hierover een heel mooi verhaal.

Wij moeten openstaan voor de ander, die een beroep doet op ons:

Of dat nu een vreemdeling van welke kleur of afkomst is, maakt niet uit!

 

Maar wat  betekend dit nu in deze tijd.

Wat betekend het voor ons levend in Sittard in de parochie Christus Hemelvaart / Heilige Joseph? 

Geen idee of er inderdaad al een nieuwe regering is,

maar een van de struikelblokken om snel tot een nieuwe regering te komen,

is – als ik het goed begrepen heb – is zojuist geweest.

Vandaar het Thema: Wie goed doet, die goed ontmoet!

Wij kennen het als een oud gezegde, dat eens ooit tot stand moet zijn gekomen, als een goed begrip, omdat mensen er zich goed bij voelden.

Maar een gezegde uitspreken en er naar leven;

zijn twee totaal verschillende begrippen.

En juist dat wordt nog eens moeilijker gemaakt met de gedachten van de evangelie lezing.

Daar hoorden we Jezus tegen ons allemaal zeggen:

Wie u opneemt, neemt Mij op;

en wie Mij opneemt, neemt Hem op die mij gezonden heeft.

En dan maakt Jezus het nog moeilijker, als Hij zegt:

Wie vader of moeder meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig;

Dan even met betrekking tot mijzelf: 

Mijn vader en moeder kende ik; hun liefde ervaarde ik.

Toen ze stierven miste ik hen . . . . .

hoe en waarom moet ik in hemelsnaam blij zijn met iemand

waarin ik maar moet geloven?

Iemand die ik niet lichamelijk heb kunnen voelen zoals

een omhelzing van mijn ouders,

of zoals ik mijn vader en moeder ervaren heb.

Daar weer eens over nadenkend,

moet ik terugdenken aan mijn priesterwijding.

Bij die gelegenheid werd ik gevraagd - meteen om na mijn wijding –

mijn vader en moeder te zegenen,

zoals zij mij zegenden voor ik ging slapen.

Dit terwijl ik tegelijkertijd wist dat ik als missionaris/priester

mijn ouders spoedig vaarwel zou moeten zeggen om er te zijn voor totaal, maar ook totaal verschillende mensen.

Toen hield ik vast aan Jezus woorden, die we zojuist ook hoorden:

Wie u opneemt, neemt Mij op; die mij gezonden heeft.

Die mensen daar in Kenia, Tanzania of Zuid Sudan waar

ik ook was namen mij op.

Die mensen daar, die deelden met mij van wat ze eigenlijk NIET hadden.

Ik werd aan alle kanten in de watten gelegd,

zo dat bij mij vaak de vraag op kwam:

Waar heb ik dit aan te danken?

Waarom doen ze dit voor mij?

Die mensen daar hadden die laatste woorden van

het evangelie van vandaag nog nooit gehoord,

maar leefden er wel naar.

We lazen . . .  dat Jezus zei:

Zijn loon zal hem zeker niet ontgaan.”

 

Piet Verhagen

 


TER OVERWEGING   25 juni 2017    Jeremia 20, 10-13    Matteüs 10, 26-33  

 

Een van de leuke dingen van internet is dat je er zowat alles kunt vinden. Gericht kun je naar dingen gaan zoeken, maar je kunt ook bijna gedachteloos van het een naar het ander klikken. En soms kom je dan verrassende dingen tegen. Zo kwam ik onlangs op een site over de kosmos terecht: prachtige plaatjes over het heelal, over nevels, sterren, zonnen en planeten en nog veel meer. Natuurlijk weet je dat dat allemaal bestaat, maar zo afgebeeld in schitterende foto’s besef je weer hoe prachtig de schepping is. Het is zo ongeveer als wanneer je op een mooie zomeravond nog laat buiten zit op een plek waar het donker is. Je kijkt omhoog en dan zie je allemaal die lichtjes. Gewoonlijk neem je enkel de meest heldere sterren waar, maar dan zie je hoe het wemelt van de lichtjes, helder, vaag of twinkelend. Je ziet er steeds meer tot het je begint te duizelen. Dan voel je iets van de grootsheid van de schepping. En daar ergens in die enorme ruimte, op een klein onzichtbaar bolletje zit een mensje naar die hemel te turen. Je voelt je klein, heel klein. Ja, in dat grote heelal stel je niets voor.

 

En toch zegt Jezus tegen al die kleinen wezentjes: ‘wees niet bang, mijn Vader kent je. Hij zal niet één mus op de grond laten vallen. Hij kent zelfs ieder haar op je hoofd’. De boodschap is duidelijk. Ieder mens is door God gekend, staat geschreven in de palm van zijn hand, is kind van God. Binnen de immense schepping kan de mens zich klein voelen, bij God is niemand te klein.

‘Wees niet bang’. Tot drie maal toe drukt Jezus dat zijn leerlingen op het hart als hij hen de wereld in stuurt om zijn werk voort te zetten. Zij weten dat het geen gemakkelijk opdracht is. Zij zien hoe er verzet groeit tegen Jezus. Ze zien dat het niet zonder risico is wat hij doet, dat het levensbedreigend kan zijn. Er is heel wat moed voor nodig om Jezus op zijn weg te volgen. Daarom spreekt hij hen moed in.

 

Over de leerlingen heen zegt Jezus dat ook tegen allen, die hem proberen te volgen: ‘wees niet bang’. Dat is gauw gezegd, als je beseft dat je van alles kan overkomen: een ongeluk, het verlies van je baan, kanker krijgen, iemand verliezen die je dierbaar is. Dat maakt onzeker en bang. Om nog maar te zwijgen van een wereld vol dreiging en bedreiging: vervuiling en uitputting van de aarde, natuurrampen, onverdraagzaamheid tussen volkeren, verontrustende politieke en religieuze stromingen, terrorisme.

 

‘Wees niet bang’, zegt Jezus. Je bent door God gekend. Daar moeten we op vertrouwen. Garanties kan hij niet geven. En wij willen zo graag garanties en zekerheden. Jezus vraagt enkel om vertrouwen en geloof. En daar zijn wij moderne mensen niet sterk in. Misschien kan de profeet Jeremia ons een handje helpen. Zijn leven lang probeert hij de wil van God te doen en roept hij ook de mensen daartoe op. Maar dat wordt hem niet in dank afgenomen. Zelfs zijn vrienden keren zich tegen hem: “Al mijn vrienden willen niets liever dan mij ten val brengen”. Jeremia wordt boos en hij bidt God dat Hij hen vernietigt: “Heer der hemelse machten, laat mij zien hoe Gij U op hen wreekt”. In die wraak-gevoelens van Jeremia kunnen we ons wel herkennen. Maar Jeremia blijft er niet in steken, hij bedenkt zich. Hij weet dat het goed zal komen: “Ik heb immers mijn zaak in Uw handen gelegd”. En dan prijst hij de Heer, want hij weet hoe Hij is. Hij vertrouwt op de Heer, hij gelooft in Hem. “Zingt een lied, een loflied voor de Heer, want Hij heeft het leven van de arme uit de macht van de boosdoeners gered”. Misschien kunnen we aan Jeremia een voorbeeld nemen, een voorbeeld in vertrouwen en geloof.

 

Jac Peeters

 


naar de vorige pagina ...